ECLI:NL:TGZRAMS:2025:81 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7385

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:81
Datum uitspraak: 04-04-2025
Datum publicatie: 04-04-2025
Zaaknummer(s): A2024/7385
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een huisarts. De echtgenoot van klaagster is overleden aan prostaatkanker. De huisarts wordt verweten dat zij deze diagnose heeft gemist en de patiënt niet tijdig heeft verwezen naar een specialist. De huisarts heeft de patiënt twee keer gezien. In de tussenliggende periode is de patiënt wel enkele malen op consult geweest, maar steeds bij een andere huisarts. Het college kan alleen het handelen van verweerster beoordelen. Over het eerste consult overweegt het college dat voor het stellen van de diagnose prostaatkanker of doorverwijzing naar een specialist op dat moment geen reden bestond. Tijdens het tweede consult, ruim anderhalf jaar later, heeft zij patiënt (terecht) doorverwezen naar de polikliniek urologie. De klacht is ongegrond.Kenmerk: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose

A2024/7385
Beslissing van 4 april 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 4 april 2025 op de klacht van:

A,
wonende in B,

klaagster,

tegen


C,
huisarts, werkzaam te D, verweerster,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam te Utrecht.


1. De zaak in het kort
1.1   De echtgenoot van klaagster (hierna: de patiënt) is op zestigjarige leeftijd overleden aan 
uitgezaaide prostaatkanker. Verweerster, huisarts, wordt met name verweten dat zij deze diagnose 
heeft gemist en de patiënt niet tijdig heeft verwezen naar een specialist.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 juli 2024;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 27 november 2024;
-  de mail, met bijlage, van klaagster van 6 januari 2025;
-  twee brieven van de gemachtigde van verweerster van 27 januari 2025, binnengekomen op 28 januari 
2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. Wat is er gebeurd?

3.1   Verweerster is als huisarts werkzaam in een huisartsenpraktijk. De klacht gaat over de 
behandeling van de echtgenoot van klaagster, die op 28 februari 2021 op zestigjarige leeftijd is 
overleden.

3.2   Op 7 november 2016 ziet verweerster de patiënt op haar spreekuur. In het medisch dossier is 
hierover het volgende genoteerd:

S: C: 3 dgn temp: kan niet plassen: paar druppels: drinkt veel: paar potten thee; (lastig in te 
schatten pat : groot verhaal) prostaat ? vraagt hij? maar ff komen …. O: zachte pijnlije prostat. 
urine geen aanw uwi
P: 4 wkn behandelen ciproxin

3.3   Op basis van de klachten en de bevindingen denkt verweerster aan een acute prostatitis 
(ontsteking van de prostaat) en schrijft zij een antibioticumkuur voor (ciprofloxacine voor vier 
weken).

3.4   Anderhalf jaar later, vanaf maart 2018, bezoekt de patiënt verschillende malen de 
huisartsenpraktijk met plasklachten, maar wordt dan steeds door andere huisartsen gezien.

3.5   Op 1 maart 2018 vraagt collega X van verweerster een PSA-waardebepaling aan. De patiënt wilde 
prostaatkanker uitgesloten hebben, omdat zijn broer daaraan geopereerd was.

3.6   Op 23 april 2018 vraagt een andere collega van verweerster, een huisarts in opleiding, een 
urinekweek aan vanwege verdenking op prostatitis. Een antibioticumkuur wordt voorgeschreven 
(ciprofloxacine voor twee weken).
3.7   Door verschillende omstandigheden komen de uitslagen van de PSA-waardebepaling en de 
urinekweek pas op 15 juni 2018 respectievelijk 18 juni 2018 bij de praktijk binnen. De PSA-waarde 
is 135 en wordt door collega Y van verweerster in het dossier vastgelegd; over de urinekweek 
noteert collega Z van verweerster in het dossier: enterococ, resistent voor fosfo, gevoleig voor 
amoxi.

3.8   Op 21 juni 2018 ziet collega X van verweerster de patiënt opnieuw met plasklachten. Deze 
huisarts schrijft een antibioticumkuur voor (amoxicilline voor drie weken) en legt de patiënt uit 
dat de PSA-waarde als gevolg van een prostatitis heel hoog wordt. Na herstel van de 
urineweginfectie, na ongeveer acht weken, zou de PSA-waarde opnieuw moeten worden bepaald.

3.9   Op 17 juli 2018 bezoekt de patiënt collega Y van verweerster. Ondanks de antibioticumkuur 
blijven de klachten aanhouden. Een herhaalde urinekweek toont een bacterie aan die resistent is 
voor amoxicilline. Een kuur met een ander antibioticum (augmentin voor vier weken) wordt 
voorgeschreven; indien er na 5-7 dagen geen verbetering zou zijn, zou de urine opnieuw op kweek 
worden gezet.

3.10  Op 27 juli 2018 ziet verweerster de patiënt op het spreekuur. De plasklachten zijn dan 
toegenomen. In overleg met de dienstdoende uroloog van het E verwijst verweerster de patiënt naar 
de polikliniek urologie. Op advies van deze uroloog wordt met het antibioticum gestopt, zodat een 
urinekweek kan worden afgenomen op de polikliniek. Met de uroloog is afgesproken dat de patiënt 
tijdens het weekend bij koorts, niet kunnen plassen en hevige pijn direct naar het ziekenhuis kan 
(en niet eerst langs de huisartsenpost hoeft). Tegen de pijn schrijft verweerster diclofenac voor.

3.11  Op 29 juli 2018 wordt de patiënt opgenomen in het ziekenhuis. Begin augustus 2018 blijkt 
sprake te zijn van uitgezaaide prostaatkanker.

3.12  Op 9 januari 2020 verzoekt de patiënt om zijn medisch dossier voor zijn huisarts in
B. Op 5 februari 2020 stuurt verweerster het gehele medische dossier naar deze huisarts, nadat zij 
hem medio januari 2020 al afschriften van de specialistenbrieven van urologie en oncologie had 
gestuurd.

3.13  Op 28 februari 2021 overlijdt de patiënt.


4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klaagster verwijt verweerster dat zij:
a) bij de patiënt de diagnose prostaatkanker heeft gemist;
b) de patiënt niet tijdig heeft verwezen naar een specialist;
c) meer dan drie maanden heeft geweigerd om een afschrift van het medisch dossier van de patiënt te 
verstrekken;
d) haar volledig verkeerde inschatting niet wil toegeven.

4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
5.1  Het is duidelijk dat klaagster veel verdriet heeft van het overlijden van haar echtgenoot, op 
relatief jonge leeftijd.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2   De vraag is of verweerster als huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht 
worden. Dat is een zakelijke beoordeling. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk 
handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende 
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt als uitgangspunt dat zorgverleners 
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a), b) en d) missen diagnose, niet doorverwijzen en niet toegeven verkeerde 
inschatting

5.3   Het college ziet aanleiding het eerste, tweede en vierde klachtonderdeel gezamenlijk te 
behandelen. Klaagster verwijt de huisarts dat zij de diagnose prostaatkanker heeft gemist, de 
patiënt niet heeft doorverwezen naar een orthopeed en/of uroloog, met name niet toen een PSA-waarde 
van 135 was vastgesteld, en deze fouten niet heeft willen toegeven.

5.4   De huisarts wijst erop dat zij slechts op twee momenten de patiënt op consult heeft gehad, te 
weten op 7 november 2016 en op 27 juli 2018. Op het eerste consult heeft zij de diagnose 
prostatitis gesteld. Volgens haar is het ongebruikelijk om in zo’n geval de PSA- waarde te bepalen 
en doorverwijzing is dan evenmin aan de orde. Tijdens het tweede consult was de PSA-waarde van 135 
haar bekend en heeft zij in overleg met de dienstdoende uroloog de patiënt verwezen naar de 
polikliniek urologie.

5.5   Zoals onder 5.2 reeds gezegd, neemt het college als uitgangspunt dat verweerster alleen 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar eigen handelen. Vast staat dat zij 
de patiënt, voordat de diagnose uitgezaaide prostaatkanker werd gesteld, slechts twee keer heeft 
gezien, namelijk op 7 november 2016 en op 27 juli 2018. Verder is zij niet bij de behandeling van 
de patiënt betrokken geweest. Vanaf maart 2018 tot laatstgenoemde datum is de patiënt wel enkele 
malen op consult geweest, maar steeds bij een andere huisarts. Het college kan dus alleen het 
handelen van verweerster op de twee genoemde data beoordelen.

5.6   Op 7 november 2016 heeft verweerster, naar aanleiding van de klachten van de patiënt dat hij 
sinds drie dagen nauwelijks kon plassen en koorts had, een rectaal toucher verricht, waarbij een 
zachte, pijnlijke prostaat werd gevoeld. Dit blijkt uit de aantekeningen in het dossier. Een 
urineweginfectie heeft zij uitgesloten, althans voor zover dat op dat moment mogelijk was: de 
urinetest is aan het eind van de dag uitgevoerd, dat wil zeggen niet met ochtendurine, waardoor de 
uitslag minder betrouwbaar is. Vervolgens heeft verweerster op basis van de diagnose acute 
prostatitis een antibioticumkuur voor vier weken voorgeschreven.

5.7   Naar het oordeel van het college heeft verweerster aldus niet onjuist gehandeld. Dat de 
patiënt meer klachten had dan nauwelijks kunnen plassen en koorts, zoals klaagster stelt, moge zo 
zijn, maar de patiënt heeft die klachten, gelet op de dossieraantekeningen, tijdens het consult 
niet aan de orde gesteld. Voor het stellen van de diagnose prostaatkanker of doorverwijzing naar 
een uroloog of een andere specialist bestond op dat moment geen reden. Evenmin was er aanleiding om 
de PSA-waarde te bepalen. De familiaire belasting
– volgens klaagster hebben de beide broers van de patiënt op vergelijkbare leeftijd als patiënt te 
maken gehad met prostaatkanker – was verweerster toen niet bekend en die hoefde haar ook niet 
bekend te zijn: tijdens het consult heeft de patiënt dit aspect niet ter sprake gebracht en 
verweerster hoefde hier ook niet actief naar te informeren. Na het consult heeft de patiënt bijna 
anderhalf jaar de praktijk niet meer bezocht, tot maart 2018. Toen heeft de patiënt volgens het dossier vermeld dat zijn broer aan prostaatkanker was geopereerd.

5.8   Tijdens het consult op 27 juli 2018 zag verweerster dat reeds drie verschillende 
antibioticumkuren waren ingezet, terwijl de plas- en pijnklachten alleen maar toenamen. Ook nam zij 
toen pas kennis van de hoge PSA-waarde en de familiaire belasting. Terecht heeft zij op dat moment 
overleg gevoerd met de dienstdoende uroloog en de patiënt doorverwezen naar de polikliniek 
urologie, met een vangnetadvies voor het weekend.

5.9   Al met al kan verweerster niet worden verweten de diagnose prostaatkanker te hebben gemist. 
Toen op 27 juli 2018 aanleiding bestond de patiënt door te verwijzen naar de uroloog, heeft zij dit 
onmiddellijk gedaan. Van een verkeerde inschatting aan de zijde van verweerster is geen sprake 
geweest. De drie klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) afschrift dossier pas na drie maanden verstrekt
5.10  Het derde klachtonderdeel houdt in dat verweerster meer dan drie maanden heeft geweigerd om 
een afschrift van het medisch dossier van de patiënt te verstrekken.

5.11  Naar het oordeel van het college mist dit klachtonderdeel feitelijke grondslag. Het eerste 
verzoek van de patiënt (aan collega Y van verweerster) om een afschrift van zijn medisch dossier 
voor zijn huisarts in B dateert, zo blijkt uit de dossieraantekeningen, van 9 januari 2020. Het 
gehele dossier is op 5 februari 2020 naar deze huisarts gestuurd. Daarmee is verweerster binnen de 
wettelijke termijn van een maand gebleven. In de tussentijd – op 14 januari 2020 – is overleg met 
de patiënt geweest over welke delen van het medisch dossier hij precies aan de B huisarts gestuurd 
wilde hebben. Toen dit niet helemaal duidelijk werd (alleen relevante gegevens of het gehele 
dossier) zijn op 17 januari 2020 in elk geval afschriften van de specialistenbrieven van urologie 
en oncologie naar de B huisarts gestuurd. Toen de patiënt op 5 februari 2020 telefonisch liet weten 
dat het hem om het gehele medische dossier ging en dit op dezelfde dag door de B huisarts per mail 
bevestigd werd, heeft verweerster direct het gehele medische dossier doorgestuurd. Dit 
klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.12  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.


6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 4 april 2025 door N.B. Verkleij, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, 
M.C. Wolfs-Smits, I. Weenink en J.C. van der Molen, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris.