ECLI:NL:TGZRAMS:2025:80 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7418
ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:80 |
---|---|
Datum uitspraak: | 04-04-2025 |
Datum publicatie: | 04-04-2025 |
Zaaknummer(s): | A2024/7418 |
Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster heeft bij een ongeval letsel opgelopen. Voor de schadeafhandeling is bij de huisartsenpraktijk medische informatie opgevraagd. Klaagster verwijt de huisarts onder andere dat de informatieverstrekking onzorgvuldig en onjuist is geweest. Het college overweegt dat er geen aanwijzingen zijn dat de huisarts onjuiste informatie heeft verstrekt. Bovendien heeft de huisarts direct en adequaat gehandeld toen klaagster haar onvrede uitte. De klacht is ongegrond. |
A2024/7418
Beslissing van 4 april 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 4 april 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: mr. S.C. Wesselingh, werkzaam in Amsterdam,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. J.M. Janson, werkzaam te Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster heeft bij een ongeval letsel opgelopen. Voor de schadeafhandeling
is bij de huisartsenpraktijk medische informatie opgevraagd. Klaagster is het niet
eens met de inhoud van de informatie die de huisarts heeft verstrekt. Zij beklaagt
zich er ook over dat de huisarts de verstrekte informatie niet voorafgaand aan de
verzending aan de verzekeringsmaatschappij aan haar heeft voorgelegd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 juli 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 12 december 2024.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster, geboren in 1971, heeft bij een auto-ongeluk in 2023 letsel opgelopen.
Zij is daarvoor behandeld bij de huisartsenpraktijk waar verweerster werkzaam is,
maar zij is door andere huisartsen dan verweerster behandeld.
3.2 Met akkoord van klaagster is voor de schadeafwikkeling een onpartijdige medisch adviseur (hierna: de adviseur) ingeschakeld om alle relevante medische aspecten te inventariseren en te beoordelen. De huisartsenpraktijk ontving op 30 april 2024 een informatieverzoek van de adviseur; de schriftelijke machtiging van klaagster daarvoor was bijgevoegd.
3.3 Op 28 juni 2024 herinnerde de adviseur de praktijk aan het informatieverzoek omdat daarop nog geen reactie was gekomen. De huisarts heeft op dezelfde dag aan het informatieverzoek voldaan.
3.4 Op 3 juli 2024 belde klaagster naar de praktijk uit onvrede met de inhoud van de verstrekte informatie. De huisarts heeft klaagster dezelfde dag gebeld en haar uitgenodigd voor een gesprek op 4 juli. Bij dat gesprek heeft klaagster uitgelegd op welke punten zij het oneens was met de verstrekte informatie. De huisarts heeft deze punten in samenspraak met klaagster aangepast en de nieuwe brief voor akkoord aan klaagster gemaild. Na het akkoord van klaagster heeft de huisarts op 5 juli 2024 telefonisch contact met de adviseur opgenomen om aan te geven dat zij haar brief van 28 juni 2024 introk en dat zij een brief met de juiste informatie zou sturen ter vervanging daarvan. Diezelfde dag heeft zij de vervangende brief naar de adviseur gemaild.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat zij:
a) bij de informatieverstrekking aan de adviseur onvolledig, niet objectief en onzorgvuldig
is geweest, onjuiste informatie heeft verstrekt en onjuiste conclusies heeft getrokken
die zij als waarheid heeft gepresenteerd en
b) het verslag aan de adviseur heeft gestuurd zonder dit eerst aan klaagster voor
te leggen en tegenover de adviseur wilde liegen door te zeggen dat de eerste brief
werd ingetrokken, omdat klaagster deze nog niet had gelezen.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt als
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Klachtonderdeel a) onvolledigheid, onzorgvuldigheid, onjuistheid, geen objectiviteit en onjuiste conclusies
5.2 De huisarts heeft aangevoerd dat het informatieverzoek van de adviseur twee maanden onbeantwoord bij de praktijk is blijven liggen. Omdat de huisarts die klaagster primair had behandeld gemiddeld maar één dag per week aanwezig was, heeft verweerster direct na het rappel de beantwoording van het informatieverzoek op zich genomen. Omdat zij klaagster niet voor deze klachten had behandeld, kon zij niet uit eigen waarneming rapporteren, maar dit alleen op basis van de dossieraantekeningen doen. Aan de hand daarvan heeft zij het eerste verslag opgesteld.
5.3 Het college kan niet vaststellen dat de huisarts bij het verstrekken van de informatie in haar eerste brief tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Er zijn geen aanwijzingen dat deze brief onjuiste informatie bevatte, behoudens de in 5.4 te bespreken kanttekening van het college. Uit de wijzigingen die klaagster daarna wenste, blijkt dat zij behoefte had aan een volledige uitleg in de brief, met meer details dan de huisarts had gegeven en een nadere precisering. Dat maakt echter niet dat de eerste brief zo onvolledig was dat de huisarts daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De huisarts heeft vervolgens zorgvuldig gehandeld door direct en adequaat actie te ondernemen toen klaagster haar onvrede uitte. Zij heeft haar meteen gebeld en een gesprek voor de dag daarop ingepland. Verder is de huisarts in de tweede brief aan de wensen van klaagster tegemoetgekomen, heeft zij met de adviseur gebeld om de eerdere brief in te trekken en heeft zij meteen na de instemming van klaagster de tweede brief aan de adviseur gemaild.
5.4 Wel zou het beter zijn geweest als de huisarts zich in haar eerste brief tot feiten had beperkt en niet de conclusie had getrokken “Derhalve is er (nog) niet gestart met revalidatie” op basis van een discrepantie tussen de wens van klaagster en de doelen van het chronische-pijntraject. Het gaat echter te ver de huisarts daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken, omdat de betreffende passage volgt uit het CIR-rapport waarover de huisarts beschikte. De bedoelde passage heeft objectief gezien ook niet de negatieve betekenis die klaagster daaraan toekent. Van een gebrek aan objectiviteit bij de huisarts is dan ook niet gebleken.
5.5 Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) verslag niet eerst aan klaagster voorleggen en liegen tegen de
adviseur
5.6 In het algemeen verdient het aanbeveling om informatie over een patiënt vóór
verzending aan een medisch adviseur aan de betrokken patiënt voor te leggen. Dat voorkomt
discussie zoals in dit geval. Hiertoe bestaat echter geen verplichting, en de huisarts
had blijkens de machtiging toestemming om de adviseur de gevraagde informatie te verstrekken.
De huisarts heeft in dit opzicht dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Overigens heeft de huisarts verklaard dat het normaal gesproken ook haar werkwijze
is om de informatie eerst aan de patiënt(e) voor te leggen. Het college ziet geen
leugen in het voorstel van de huisarts om bij de adviseur aan te geven dat de eerdere
brief werd ingetrokken omdat klaagster deze nog niet had gezien. Het is duidelijk
dat de huisarts bedoelde dat klaagster de eerdere brief ten tijde van de verzending
aan de adviseur nog niet had gelezen.
5.7 Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond
zijn.
6. De beslissing
De klacht is in beide onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 4 april 2025 door N.B. Verkleij, voorzitter, J.C.J.
Dute, lid-jurist, M.C. Wolfs-Smits, I. Weenink en J.C. van der Molen, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 4 april
2025.