ECLI:NL:TGZRAMS:2025:79 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7019
ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:79 |
---|---|
Datum uitspraak: | 04-04-2025 |
Datum publicatie: | 04-04-2025 |
Zaaknummer(s): | A2024/7019 |
Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Verweerder was de huisarts van de overleden moeder van klaagster. Klaagster verwijt de huisarts onder andere schending van zijn geheimhoudingsplicht. De huisarts heeft een brief van de advocaat van klaagster meegestuurd bij zijn klacht over deze advocaat bij de deken. In de brief worden de naam en geboorte- en sterfdatum van de moeder genoemd. De huisarts erkent dat hij deze gegevens had moeten weglakken. Het college heeft oog voor de gevoelens van de huisarts gelet op de aannames en de toon van de brief van de advocaat. Het college ziet mede gelet hierop aanleiding om de huisarts geen maatregel op te leggen. |
A2024/7019
Beslissing van 4 april 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 4 april 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigden: mr. G.P. Dayala en M. Dayala MSc, beiden werkzaam te Amsterdam,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De klacht gaat over de behandeling van klaagsters moeder, E, hierna de patiënte
genoemd. Verweerder was de huisarts van de patiënte. Zij is op 14 juni 2023 vanwege
een hartinfarct in een ziekenhuis opgenomen en op 22 juni 2023 ontslagen. Op 28 juni
2023 is de huisarts op huisbezoek geweest bij de patiënte. Een paar dagen later, op
1 juli 2023, is zij overleden. Klaagster verwijt de huisarts dat hij bij het huisbezoek
onvoldoende zorg heeft verleend aan haar moeder, het dossier heeft gemanipuleerd en
verminkt en zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. De huisarts heeft verweer
gevoerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht over de behandeling van de patiënte en over het dossier ongegrond is. De klacht over de schending van de geheimhoudingsplicht is wel gegrond. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 18 maart 2024;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de e-mail van de gemachtigde van klaagster van 19 juni 2024 met bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van verweerder van 2 juli 2024, binnengekomen op 3
juli 2024, overhandigd aan de gemachtigde van klaagster tijdens het mondelinge vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 7 augustus 2024.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 21 februari 2025. De partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden en klaagster vergezeld van haar zus F. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerder is sinds 2004 werkzaam als huisarts en sinds 2007 praktijkhouder
van een huisartsenpraktijk in D. De patiënte, geboren in 1968 en overleden op 1 juli
2023, was vanaf 16 mei 2017 ingeschreven in deze praktijk. Vanwege hartproblemen in
haar familie verwees de vaste waarnemer van de huisarts de patiënte in de zomer van
2021 door naar de cardioloog. In maart 2022 is zij gezien op de polikliniek klinische
genetica en vervolgens in september 2022 door de cardioloog. Bij onderzoek constateerde
de cardioloog een iets vergroot hart op basis van een hoge bloeddruk, maar verder
geen afwijkingen. De patiënte kreeg bloeddrukverlagende medicatie voorgeschreven en
haar werd geadviseerd een tot twee keer per jaar haar bloeddruk te laten controleren.
3.2 Op 14 juni 2023 belde één van de dochters van de patiënte naar de spoedlijn van de praktijk. Over dit contact is in het huisartsendossier het volgende opgeschreven (alle notities worden letterlijk en voor zover van belang weergegeven): “TC: dochter belt op de spoedlijn, zegt dat pte pijn op de borst heeft met uitstraling naar de linker arm en schouder. niets helpt tegen de pijn, kan niet meer slikken, heeft het gevoel dat ze geen lucht meer krijgt. klachten zijn sinds gisteravond ontstaan. (..)” De huisarts heeft daarop direct de ambulance gebeld. Hij heeft de familie teruggebeld met de mededeling dat de ambulance er met spoed aan zou komen en dat zij de voordeur vast moesten openzetten voor de hulpverleners. Ook gaf hij de instructie om met 112 te bellen als het in de tussentijd slechter zou gaan met de patiënte.
3.3 De patiënte is door de ambulance naar het G gebracht. Daar werd geconstateerd
dat zij een groot voorwandinfarct had doorgemaakt. Uit bloedonderzoek bleek een troponine
T-gehalte van 3.378 μg/l. De patiënte is gedotterd en 24 uur geobserveerd. Daarna
is zij voor verdere behandeling overgeplaatst naar H.
3.4 Op 20 juni 2023 in de avond belde de huisarts met de patiënte. Zij was toen
nog opgenomen in het H. Over dit gesprek heeft de huisarts in het dossier het volgende
vermeld: “pte zegt dat ze nu weer in het H is opgenomen, moet voor de 3de keer gedotterd worden.
zij begreep niet waarom zij voor de 3de keer gedotterd moet worden, nadat ze een fors
hartinfarct heeft doorgemaakt. Vind dat er fouten zijn gemaakt dat de ambulance haar
niet serieus nam en ook niet de artsen op de spoedpost van G. Pte wil graag naar B
verhuizen, heeft geen familie in D. Heeft een eengezinswoning met traplift, krijgt
zorg aan huis. heb haar geadviseerd de vraag waarom 3 keren een dotter procedure en
ook het gevoel dat zij niet serieus genomen werd, direct bespreekbaar te maken met
de cardiologen van het H. Dat gaat ze doen. Wil graag wanner ze weer thuis komt dat
ik bij haar op visite ga. (..)”
3.5 Op 22 juni 2023 werd de patiënte uit het H ontslagen. Diezelfde dag ontving de huisarts de ontslagbrief van het H . De cardioloog schrijft in deze brief dat de patiënte gedurende de opname goed opknapte, behoudens langer bestaande klachten die niet met het hart samenhingen, en dat zij in goede klinische conditie naar huis ging. Blijkens de brief werden hartfalenleefregels en een vangnetadvies meegegeven. Verder zou de patiënte na twee weken bij de hartfalenpoli worden teruggezien en na ongeveer zes weken bij de cardioloog met voorafgaand laboratoriumonderzoek (onderzoek van het bloed).
3.6 Op 28 juni 2023 ging verweerder samen met een zesdejaars geneeskundestudent op huisbezoek bij de patiënte. Over dit huisbezoek is het volgende in het huisartsendossier opgeschreven: onder de letter S van Subjectief: “pte en familie hebben nog veel vragen. vragen hebben betrekking op de opname in het G, stent plaatsing, en ook de opname in het H, familie vindt dat pte te vroeg uit het H is ontslagen, kan nog niet echt de trap op, is dan erg moe. Moeder is nog erg moe, is erg onrustig nachts, slaapt slecht, heeft ook lage broeddruk. Zegt ook erg onzeker over haar lichaam, heeft toen een hele nacht pijn in haar maag gehad, pijn uitstralend naar de kaken en linker bovenarm. Heeft ook al een aantal dagen geen ontlasting gehad.” De huisarts heeft lichamelijk onderzoek gedaan. De co-assistent heeft de bloeddruk, saturatie en pols van de patiënte gemeten. De huisarts noteerde in het dossier een bloeddruk van 104/70, een saturatie van 98 procent en een gelijkmatige pols van 67 slagen per minuut. Hij constateerde “geen pitting oedeem aan de benen”. Bij beluisteren van het hart en de longen werden geen bijzonderheden opgemerkt. De huisarts heeft uitleg gegeven. Na het huisbezoek heeft hij, terug in de praktijk, telefonisch overleg gehad met de cardioloog van het H. Hierover is in het dossier opgeschreven: “IOM dienstdoende cardioloog dr I, past de moeheid bij het hartinfarct die pte heeft doorgemaakt, had ook in het zkh lage bloeddruk, heeft 07 juli een afspraak op de hartfalen poli. Bij toenemende klachten, moet pte eerder gezien worden en mag ze bellen naar de poli cardiologie H of de H.” De huisarts heeft hierop de patiënte teruggebeld en geïnformeerd over de uitkomst van het overleg met de cardioloog.
3.7 Op 3 juli 2023 vernam de huisarts van het overlijden van de patiënte op 1 juli 2023. Diezelfde dag belde de dochter van de patiënte naar de praktijk en heeft ze met de huisarts gesproken. De huisarts stelde voor dat hij na de begrafenis weer contact op zou nemen. Op 5 juli 2023 heeft de huisarts een condoleancekaart aan de familie gestuurd. Op 23 augustus 2023 belden beide dochters van de patiënte naar de praktijk. Zij deelden mede dat er volgens een advocaat die de dochters hadden ingeschakeld, fouten waren gemaakt bij de behandeling van de patiënte waardoor zij was overleden. De arts heeft met beide dochters aan de telefoon gesproken.
3.8 Op 23 oktober 2023 ontving de huisarts per e-mail een brief van de gemachtigde
advocaat van de familie van de patiënte, mr. G.P. Dayala. In de brief stelde de gemachtigde
aan de huisarts een twaalftal vragen over (zijn betrokkenheid bij) de behandeling
van de patiënte. Onder punt 12 werd in de brief vermeld: “Het medische dossier schijnt afgedekt en onvolledig te zijn gekopieerd; oom de stukken
die door u aan het ziekenhuis zijn gefourneerd. Kunnen cliënten een volledige kopie
van het medische dossier van u ontvangen.”
3.9 De huisarts heeft op 6 november 2023 per e-mail gereageerd op de e-mail van de
gemachtigde. Hij gaf informatie over het beloop van de behandeling en de contacten
met de patiënte en haar familie in de periode waarover de klacht gaat. Ook werd antwoord
gegeven op gestelde vragen. In deze brief is voor zover van belang ook het volgende
vermeld:” Wij hebben F, A en een zekere meneer J diverse malen erop gewezen dat wij als praktijk
geheimhoudingsplicht hebben, als het gaat om onze overleden patiënten. Ook is aangegeven
dat wij ons te allen tijde moeten onderwerpen aan de wet geneeskundige behandelingsovereenkomst
WGBO m.n. inzage in medische dossiers door nabestaanden (zie bijlage). Bovenstaande
werd ons niet in dank afgenomen. Dit uitte zich in diverse telefoontjes, waarvan een
aantal met intimidaties. Er is niet geschroomd om zelfs via de spoedlijn te bellen,
welke alleen voor levensbedreigende situaties bestemd is. Tijdens diverse telefoontjes
zijn er zware beschuldigingen, bedreigingen over mij geuit bij de praktijkmedewerkers.
Ook werd duidelijk aangegeven dat zij weten dat dokter C, vaak in de weekenden op
zijn praktijk zit. Dokter C heeft patiënte vermoord en hij moest oppassen. Dokter
C moest maar meteen vragen beantwoorden indien hij zijn praktijk nog wilde behouden
en hij heeft gefraudeerd. Er werd naar het privé e-mail adres gevraagd. Men zou naar
de pers stappen en aangifte doen bij de politie.
Vraag 12. Deze vraag snap ik totaal niet, kunt u mij een kopie van het afgedekte
en onvolledige dossier toesturen, dan kan ik alsnog daarop reageren.” (…). Daarbij heeft de huisarts in de bijlage bij deze e-mail een veilig verzonden
afschrift meegezonden van de contacten uit het huisartsenjournaal over de periode
14 juni 2023 tot en met 8 september 2023, alsmede de specialistenbrieven in deze periode.
3.10 Op 27 november 2023 stuurde de gemachtigde van klaagster per e-mail een ontvangstbevestiging aan de huisarts. Hij schrijft hierin dat hij de huisarts op zijn verzoek “de afgedekte/afgedichte stukken, overspoeld met belijningen (horizontaal en verticaal) in het medisch dossier van de patiënte” zendt. Het adres waaraan de e-mail is gericht is niet het e-mailadres van de huisarts.
3.11 Op 8 januari 2024 om 15:54 uur stuurde de gemachtigde van klaagster een brief
per e-mail naar hetzelfde onjuiste e-mailadres. Op 8 januari 2024 om 16:22 uur ontving
de huisarts alsnog deze e-mail. De e-mail vermeldt: ”(..) Nadat u mij een e-mail had verzonden op 6 november 2023 als reactie op de brief
van mij van 23 oktober 2023, waarin u aangaf
nog in te gaan op de gevraagde antwoorden, heb ik m.u.v. de door uw verstrekte informatie
c.q. relaas omtrent het overlijden van [naam patiënte] niets meer van u vernomen.
Op 27 november zond ik u het gevraagde- naar inzicht en wetenschap van cliënten- gemanipuleerd
medische dossier van [naam patiënte]. Het door u gegeven relaas strookt niet met de
werkelijkheid en tendeert daadwerkelijk naar een behoorlijke tekortkoming c.q. medisch
deficit, ten gevolge waarvan [naam patiënte]s gezondheid in ernstige problemen is
geraakt, waardoor zij is komen te overlijden door schuld c.q. nalatigheid en onzorgvuldigheid
als gevolg van handelen van medici waaronder u. (..) Het nalaten en onzorgvuldigheid
om een ernstige zieke patiënt als [naam patiënte] de geboden hulp te verlenen, maakt
uw gedragingen laakbaar en dienvolgens eveneens strafbaar en daardoor is niet uitgesloten
dat het overlijden van [naam patiënte] een oorzakelijk gevolg van dood door schuld
(art. 307) Wetboek van Strafrecht. Mijn cliënten hebben de stellige overtuiging dat
i.c. daarvan sprake is, vandaar dat ik het Openbaar Ministerie om een strafrechtelijk
onderzoek zal vragen in deze zaak. Indien u een reactie op deze e-mail wenst te geven,
verwacht is zulks binnen 5 dagen, waarna ik de zaak ter opheldering en eventuele strafvervolging
aan het OM zal voorleggen. (..)”
3.12 Op 10 januari 2024 diende de huisarts digitaal een klacht in over de gemachtigde G.P. Dayala van klaagster bij de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de deken). Als bijlage bij het klachtformulier stuurde verweerder de onder 3.11 genoemde e-mail van de gemachtigde van klaagster van 8 januari 2024 integraal mee. Daarin worden de naam en de geboorte- en overlijdensdata van de patiënte vermeld.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij:
a) de klachten van de patiënte bij het huisbezoek op 28 juni 2023 niet serieus heeft
genomen en geen actie heeft ondernomen;
b) het medische dossier heeft gemanipuleerd en verminkt;
c) zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door medische informatie over de patiënte
te delen met derden in de klachtprocedure bij de deken.
4.2 De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en het college gevraagd om de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het is het college duidelijk dat het overlijden van de patiënte, op relatief
jonge leeftijd, klaagster en de overige familie erg heeft aangegrepen.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 Het college moet de ingediende klacht beoordelen aan de hand van zakelijke criteria. Daarbij gaat het erom of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden, met andere woorden: of hij op het moment dat hij betrokken was bij de behandeling van de patiënte, met de kennis en de wetenschap die hij op dat moment had of kon hebben, voldoende zorgvuldig zijn werk heeft gedaan. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en professionele standaarden. Verder gaat het college uit van de informatie waarover de huisarts op het moment van handelen beschikte of kon beschikken. Het feit dat de patiënte kort na 28 juni 2023 is overleden, moet daarbij buiten beschouwing worden gelaten, omdat de huisarts die wetenschap op het moment van handelen ook niet had. Ten slotte geldt het uitgangspunt dat de huisarts alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen en niet voor het handelen van de artsen in het G en het H.
Klachtonderdeel a) de zorg voor de patiënte bij het huisbezoek op 28 juni 2023
5.3 Volgens de ontslagbrief is de patiënte na de dotterbehandeling in het ziekenhuis
‘in klinisch goede conditie’ ontslagen. De woorden ‘in goede conditie’ hebben in combinatie
met het woord ‘klinisch’ een andere betekenis dan in het normale spraakgebruik. Als
een arts schrijft dat een patiënt in klinisch goede conditie verkeert, bedoelt die
daarmee niet dat die patiënt weer helemaal beter is, maar dat de toestand van de patiënt
geen aanleiding meer geeft om hem of haar opgenomen te houden. De patiënt is dan voldoende
hersteld om het ziekenhuis te verlaten en thuis of op een andere plek verder te herstellen.
5.4 De huisarts had in het telefonisch contact met patiënte op 20 juni 2023 afgesproken dat hij thuis langs zou komen als zij weer was ontslagen. Dat heeft hij ook gedaan. De huisarts heeft voor dit bezoek ruim de tijd genomen. Hij is een uur tot anderhalf uur bij de patiënte geweest om alles te bespreken en heeft ook met de familie gesproken over hun zorgen. De huisarts heeft lichamelijk onderzoek gedaan volgens de professionele standaard en de bevindingen daarvan opgeschreven in het huisartsendossier. De patiënte was erg moe, maar op dat moment was er geen sprake van benauwdheid of pijn op de borst. De pijn op de borst die in het dossier is vermeld, gaat over “toen”; het is duidelijk dat daarmee wordt bedoeld: de nacht voorafgaande aan de opname op 14 juni 2023. Uit de bevindingen bij zijn onderzoek en uit het gesprek met de patiënte op 28 juni 2023 heeft de huisarts terecht geconcludeerd dat er geen sprake was van een noodsituatie of van andere alarmerende symptomen die aanleiding gaven voor een hernieuwde ziekenhuisopname. Een opname zou geen toegevoegde waarde hebben gehad, omdat het ziekenhuis de patiënte op dat moment geen specifieke zorg kon bieden. De huisarts heeft na zijn terugkomst op de praktijk bovendien, zekerheidshalve, nog ruggespraak gehad met de behandelende cardioloog van het H. Ook deze cardioloog vond een opname niet noodzakelijk, omdat de situatie van de patiënte dezelfde was als bij het ontslag. De huisarts heeft de patiënte na dit bezoek gebeld om de uitslag van het gesprek met de cardioloog aan haar te vertellen. Daarbij heeft hij als instructie aan haar meegegeven dat zij, als de klachten zouden verergeren in de loop van de nacht of de dagen erna, eerder gezien moest worden en mocht bellen naar de poli cardiologie of de spoedpost van het H. Dit was een bij de situatie passend vangnetadvies. Al met al is het verwijt aan de huisarts dat hij (de klachten van) de patiënte niet serieus heeft genomen, niet op zijn plaats.
5.5 Klaagster verwijt de huisarts ook dat hij op 28 juni 2023 geen onderzoek naar het troponinegehalte in het bloed van de patiënte heeft gedaan. Volgens klaagster was dit noodzakelijk vanwege het eerder in het ziekenhuis gemeten hoge troponinegehalte. Het college overweegt dat troponine een enzym is dat vanuit de hartspier in het bloed terechtkomt als gevolg van de beschadiging van het hart door een hartinfarct. Het op 14 juni 2023 in het G gemeten troponine T-gehalte van 3.378 μg/l is inderdaad zeer hoog. Dat betekent dat zij een fors hartinfarct had doorgemaakt, waardoor aanzienlijke schade was aangericht aan haar hartspier. Na een hartinfarct blijft het troponinegehalte nog een tijd – ongeveer twee weken – hoog. Een hoog troponinegehalte enige tijd na een hartinfarct zegt dus niets over de actuele conditie van de patiënt. Daarom is het niet zinvol dat een huisarts hier nog onderzoek naar doet. Dat betekent dat de huisarts niet onjuist heeft gehandeld door het troponinegehalte niet (opnieuw) te meten.
5.6 De gemachtigde van klaagster heeft nog naar voren gebracht dat – volgens een cardioloog met wie hij contact heeft gehad – een hoog troponinegehalte ook een voorspellende waarde zou hebben voor het ontstaan van een volgend hartinfarct. Hij heeft geen schriftelijke verklaring van de betreffende cardioloog overgelegd. Het college overweegt dat, zoals hiervoor al vermeld, het hoge troponinegehalte bij de patiënte erop wees dat haar hart door het infarct op 14 juni 2023 aanzienlijke schade had opgelopen en ernstig was verzwakt. Een zwak hart brengt een grotere kans op (meer) hart- en andere gezondheidsproblemen mee. Dat maakt echter niet dat op basis van een hoog troponinegehalte een (volgend) hartinfarct kan worden voorspeld. Een eerder vastgesteld hoog troponinegehalte kan, evenmin als een zwak hart of een zwakke gezondheid, op zichzelf ook niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een acute situatie die een ziekenhuisopname noodzakelijk maakt.
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de huisarts op 28 juni 2023 uitgebreid de tijd heeft genomen voor de patiënte, uitvoerig en adequaat onderzoek heeft gedaan en overleg heeft gevoerd met de behandelende cardioloog. Hij is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat een opname niet noodzakelijk was. Verder heeft hij een correct vangnetadvies gegeven. Dat betekent dat hij de zorg heeft verleend die een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts betaamt.
Klachtonderdeel b) manipulatie en verminking van het medische dossier
5.8 Klaagster stelt dat de huisarts aan de nabestaanden van de patiënte een verminkt
en gemanipuleerd dossier heeft verstrekt. De huisarts heeft dit gemotiveerd weersproken.
Op de zitting is gevraagd wat er precies wordt bedoeld met de verminking en manipulatie
van het dossier. De gemachtigde van klaagster G.P. Dayala heeft daarop verklaard dat
het erom gaat dat volgens klaagster de huisarts bepaalde informatie niet in het dossier
heeft opgeschreven, terwijl dit wel had gemoeten. Naar het oordeel van het college
is dit geen voldoende onderbouwing van de stelling dat de huisarts het dossier van
de patiënte zou hebben verminkt of gemanipuleerd. Het is ook onduidelijk op welke
informatie klaagster doelt die in het dossier had moeten worden vermeld. Bij gelegenheid
van het mondelinge vooronderzoek heeft klaagster opgemerkt dat de huisarts de tijd
van het overlijden van haar moeder foutief heeft benoemd in het dossier. Uit het dossier
blijkt echter dat een andere huisarts dan verweerder het overlijden van de patiënte
heeft vastgesteld. Het is het college niet gebleken dat de huisarts belangrijke informatie
niet in het dossier zou hebben genoteerd. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel c) schending geheimhoudingsplicht
5.9 Het staat vast dat de huisarts de e-mail van de gemachtigde G.P. Dayala van
8 januari 2024 als bijlage heeft gevoegd bij zijn klacht over deze gemachtigde bij
de deken. In deze brief worden de naam en geboorte- en sterfdatum van de patiënte
genoemd. De huisarts heeft duidelijk gemaakt dat hij bijzonder was geraakt door de
verstrekkende en ongefundeerde aantijgingen in de e-mail van de advocaat. Het college
heeft oog voor de gevoelens van de huisarts naar aanleiding van de – gelet op het
voorgaande onjuiste – aannames en de toon van de e-mail van de advocaat. Dit laat
echter onverlet dat de huisarts vanwege zijn beroepsgeheim de gegevens van de patiënte
in de met de klacht meegezonden e-mail van de advocaat had behoren weg te lakken.
De huisarts erkent dit ook. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a) en b) ongegrond
zijn en klachtonderdeel c) gegrond.
Maatregel
5.11 Het college moet beoordelen of een maatregel op zijn plaats is en zo ja, welke
maatregel. Daarbij weegt het college mee dat schending van het beroepsgeheim op zichzelf
een relatief ernstig tuchtrechtelijk verwijt betreft. Aan de andere kant heeft de
huisarts inzicht getoond in de onjuistheid van zijn handelen op dit punt. Mede gelet
op de omstandigheden waaronder de schending van het beroepsgeheim heeft plaatsgevonden,
ziet het college aanleiding om de huisarts geen maatregel op te leggen.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen a) en b) ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel c) gegrond;
- legt de huisarts geen maatregel op.
Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist,
M.C. Wolfs-Smits, I. Weenink en J.C. van der Molen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door Y.M.C. Bouman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.