ECLI:NL:TGZRAMS:2025:74 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7144

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:74
Datum uitspraak: 01-04-2025
Datum publicatie: 01-04-2025
Zaaknummer(s): A2024/7144
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een longarts. De moeder van klaagster (patiënte) had uitgezaaide borstkanker. Patiënte stond bij de longarts onder behandeling voor longklachten. Klaagster is niet tevreden over de zorg die patiënte kreeg. Zij verwijt de longarts onder meer dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld en dat de behandeling onvoldoende was. Het college kan de stappen die de longarts heeft gezet om tot de diagnose te komen volgen. Uit het dossier blijkt dat de longarts heeft gereageerd op de hulpvragen op het moment dat deze bij hem terechtkwamen. Dat er geen indicatie was voor opname in het ziekenhuis, acht het college navolgbaar. Verder is niet gebleken dat er sprake was van onvoldoende begeleiding door de longarts bij de achteruitgang van de longen. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

A2024/7144
Beslissing van 1 april 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 1 april 2025 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,

tegen

C,
longarts,
destijds werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de longarts,
gemachtigde: mr. D, werkzaam in B.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend in het E (hierna: het ziekenhuis). Zij is - kort gezegd - niet tevreden over de zorg die haar moeder kreeg, deze was onvoldoende, waardoor haar moeder op 14 maart 2022 is komen te overlijden. De moeder van klaagster stond bij de longarts onder behandeling voor longklachten vanwege haar astma. De longarts heeft in zijn verweerschrift uitgelegd welke inspanningen hij heeft gedaan wat betreft de behandeling van de moeder van klaagster.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de longarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, waaronder een USB-stick met geluidsopnamen, ontvangen op 18 april 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klaagster ontvangen op 11 oktober 2024, met als bijlagen transcripties van de geluidsopnamen;
- de brief van de gemachtigde van de longarts van 11 november 2024 met een reactie op de overlegde transcripties, met bijlagen, ingekomen op 15 november 2024;
- de brief van de gemachtigde van de longarts van 30 januari 2025, met als bijlagen de gespreksverslagen van de nagesprekken van 2 juni 2022, 28 juni 2022 en
30 augustus 2022, ingekomen op 3 februari 2025.


2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 18 februari 2025. De partijen zijn verschenen. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Deze klacht is ter zitting gelijktijdig behandeld met de klacht tegen dr. F, longarts (geregistreerd onder nummer A2024/7146).

2.4 Deze klacht hangt verder samen met andere klachten bij het college tegen:
- dr. G, spoedeisende hulp (SEH) arts (geregistreerd onder nummer A2024/7145);
- dr. H, longarts (geregistreerd onder nummer A2024/7147);
- dr. I, destijds arts-assistent op de SEH (geregistreerd onder nummer A2024/7148);
- dr. J, destijds SEH-arts in opleiding (geregistreerd onder nummer A2024/7149).

De zaken zijn op 18 februari 2025 in raadkamer behandeld.

3. De feiten
3.1 Op 9 september 2019 heeft de longarts de moeder van klaagster (hierna: patiënte)
voor het eerst gezien na verwijzing door de huisarts in verband met verergering van hoestklachten en benauwdheid. Patiënte had een uitgebreide voorgeschiedenis met onder meer diabetes, een verhoogde bloeddruk, schizofrenie, obstructieve slaapapneusyndroom, obesitas en mammacarcinoom (borstkanker). De longarts heeft haar die dag beoordeeld en andere medicatie voorgeschreven. Hierna is er twee keer telefonisch contact geweest tussen patiënte en een longverpleegkundige. Patiënte was tevreden over de nieuwe medicatie.

3.2 Begin 2021 heeft patiënte opnieuw contact opgenomen met de poli longgeneeskunde
van het ziekenhuis na verwijzing door de huisarts. Inmiddels waren er in een ander ziekenhuis uitzaaiingen van het mammacarcinoom vastgesteld in de lever van patiënte. Patiënte is opnieuw in behandeling gekomen bij de longarts.

3.3 In februari 2021 worden er diverse verspreide noduli (verdichtingen) in de longen
gezien, welke differentiaal diagnostisch konden passen bij sarcoïdose dan wel bij metastasen van het mammacarcinoom. Nader onderzoek hiernaar werd zowel risicovol als niet bijdragend gevonden voor de behandeling van patiënte.

3.4 Op 9 juli 2021 is er een CT-thorax gemaakt, waarbij geen groei was te zien van de
nodulaire afwijkingen in de long, maar wel sprake was van nieuwe afwijkingen in beide humerus koppen. Op 3 augustus 2021 is er een botscan gemaakt, waarbij geen aanwijzingen waren voor ossale metastasen (uitzaaiingen in de botten).

3.5 Vervolgens heeft patiënte een aantal afspraken afgezegd. Zij heeft telefonisch contact gezocht op 25 januari 2022, waarin zij aangeeft dat het niet goed gaat. Een collega van de longarts heeft medicatie voorgeschreven, waarna er drie dagen later opnieuw telefonisch contact is tussen patiënte en de longarts. In de tussentijd heeft patiënte contact gehad met de huisarts en is zij op de SEH van een andere instelling geweest met hartklachten. Er werd niets gevonden.

3.6 Op 4 februari 2022 is er opnieuw contact met patiënte, waarin zij de longarts
aangeeft dat het nog steeds niet goed gaat. Er wordt afgesproken om een nieuwe CT-scan en een afspraak met de longarts in te plannen.

3.7 Op 7 februari 2022 komt patiënte naar de SEH van het ziekenhuis met dyspnoeklachten
en wordt, in overleg met de longarts, onder meer een CT-scan gemaakt. Na de dienstoverdracht wordt er beleid gemaakt met een collega longarts. Uiteindelijk is patiënte met Abstral (pijnstilling) naar huis gegaan ter overbrugging tot de volgende poli-afspraak.

3.8 Op 8 februari 2022 heeft de longarts overleg gevoerd met de huisarts en met het
andere ziekenhuis waar patiënte onder behandeling was. Op 17 februari 2022 is er een telefonisch consult met patiënte, waarbij ze haar zorgen uit bij de longarts. Patiënte is dan inmiddels sinds 10 februari 2022 in een verpleeghuis opgenomen. Afgesproken wordt dat zij start met prednisolon 5 mg 2x1.

3.9 Vervolgens is er op 23 februari 2022 telefonisch contact met de huisarts voor
overleg, omdat er sinds twee weken sprake is van zuurstofbehoefte bij patiënte. De longarts spreekt met de huisarts af dat de huisarts contact zoekt met de arts van het verpleeghuis om patiënte voor onderzoek naar de SEH van het ziekenhuis te laten komen.

3.10 Patiënte wordt op 24 februari 2022 gezien op de SEH met klachten die passen bij
haar gemetastaseerde ziekte. Na contact met de longarts wordt er door een collega
arts-assistent op de SEH uitgebreid met patiënte en haar naasten gesproken over een pleurapunctie. Patiënte ziet hier vanaf en er worden geen verbetermogelijkheden gezien voor de dyspnoe. Patiënte wordt teruggebracht naar het verpleeghuis.

3.11 Op 1 maart 2022 is er telefonisch contact tussen de longarts en de patiënte, waarbij
een pleurapunctie wordt afgesproken. Op verzoek van patiënte wordt deze vervroegd naar
2 maart en wordt op dringend verzoek van patiënte de behandelcode door de longarts gewijzigd van een code B-beleid in een code A, ondanks gemetastaseerd mammacarcinoom.

3.12 Op 6 maart 2022 is er telefonisch contact met het verpleeghuis, waarbij wordt
aangegeven dat het beter gaat met patiënte. Patiënte vindt het fijn dat er een behandeling plaatsvindt en dat er nog een ontlastende punctie kan worden verricht. Er wordt een expectatief beleid afgesproken. Patiënte maakt kenbaar dat zij graag bij een andere arts dan de longarts onder controle wil komen omdat zij geen klik met hem heeft. Er wordt een afspraak gemaakt in het andere ziekenhuis waar patiënte ook onder behandeling is.

3.13 Nog voor die afspraak in het andere ziekenhuis, wordt patiënte op 10 maart 2022
opnieuw bij de SEH van het ziekenhuis binnengebracht, in verband met dyspnoe (benauwdheids-) klachten. Er wordt lichamelijk onderzoek gedaan en een X-thorax (longfoto) gemaakt. Daarop wordt geen evidente toename van het pleuravocht gezien. Er was geen indicatie voor een acute interventie op de SEH, gezien het geleidelijk beloop en goede controles die onveranderd waren ten opzichte van eerdere SEH-presentatie van patiënte. Er werd door de dienstdoend longarts (niet verweerder) wel afgesproken om daags daarna een echo-thorax te maken, waarna eventueel een punctie van aanwezig pleuravocht kon plaatsvinden. Met patiënte werd besproken dat het nog niet duidelijk was of de volgende dag een punctie zou worden gedaan, omdat dat afhing van het onderzoeksresultaat.

3.14 Op vrijdag 11 maart 2022 is patiënte gezien door een collega van de longarts,
verweerster inzake A2024/7146, waarbij een echo-thorax is gemaakt. Er is geen punctie verricht, omdat daarvoor geen indicatie was. Er was namelijk minimaal pleuravocht zichtbaar. Verder waren de risico’s van een punctie te groot terwijl er geen reële verwachting was dat het wegnemen van het pleuravocht de benauwdheidsklachten van patiënte zou verlichten. Dit is met patiënte besproken. Verder is met patiënte besproken dat het wenselijk was om de zorg bij één ziekenhuis onder te brengen, dit zou de collega van de longarts met de longarts bespreken.

3.15 Twee dagen later, op zondagavond 13 maart 2022, is patiënte vanuit het
verpleeghuis naar de SEH van het ziekenhuis gebracht omdat zij niet wekbaar was, met als werkdiagnose sepsis. Zij is opgevangen door dr. I, verweerster inzake A2024/7148, onder supervisie van dr. G, verweerster inzake A2024/7145. Er werd onder meer 2 liter vocht gegeven via het infuus, waar patiënte op reageerde. Er werd overleg gezocht met het ziekenhuis dat betrokken was bij patiënte op oncologisch vlak, onder andere over de mogelijke behandelbeperkingen. Uit dat overleg kwam naar voren dat een code B-beleid inhoudende dat patiënte niet gereanimeerd en niet beademd zou worden omdat dat als medisch zinloos werd beschouwd, werd geadviseerd. Patiënte werd uiteindelijk opgenomen op een reguliere verpleegafdeling, waarbij zij goed aanspreekbaar was.

3.16 Gedurende de nacht en de volgende ochtend, op 14 maart 2022, vonden meerdere
controles plaats en ontbeet patiënte nog zelfstandig. Later die ochtend heeft de schoonzoon van patiënte een verpleegkundige gewaarschuwd omdat patiënte niet aanspreekbaar was. De verpleegkundige heeft toen een arts-assistent gebeld om te komen en de arts-assistent heeft de collega longarts, verweerster in zaak A2024/7146, als dienstdoend longarts gevraagd om mee te gaan. Dit is ook gebeurd en er werd besloten tot het afnemen van bloed met veneus en cap gas. Op het moment dat de uitslag van het veneuze gas binnenkwam, veranderde het ademhalingspatroon van patiënte en werd ze grauw. Er werden direct nieuwe controles gedaan, maar patiënte had een hele zwakke pols en overleed vrijwel direct.

3.17 Bij de schouw door verweerster in zaak A2024/7146 en een collega werd als
doodsoorzaak genoteerd hypercapnisch coma bij sepsis met gemetastaseerd mammacarcinoom. Dit is direct gemeld aan de aanwezige schoonzoon van patiënte, die klaagster heeft gebeld. Klaagster wilde dat patiënte gereanimeerd werd, maar de artsen hebben haar uitgelegd dit niet te doen conform het code B-beleid. In de periode erna hebben er nog vijf nazorggesprokken plaatsgevonden met klaagster en haar echtgenoot.

4. De klacht en de reactie van longarts
4.1 Volgens klaagster heeft de longarts onzorgvuldig/onjuist gehandeld, omdat hij – kort en zakelijk weergegeven - :
a) een verkeerde diagnose (sarcoïdose) heeft gesteld;
b) patiënte onvoldoende heeft begeleid tijdens de achteruitgang van de longen;
c) patiënte niet heeft gewezen op de risico’s van zuurstoftoediening en niets heeft gedaan om deze risico’s te mitigeren;
d) heeft nagelaten een goed behandelplan te maken voor de laatste levensfase en daarmee de kwaliteit van leven van patiënte niet heeft geoptimaliseerd;
e) patiënte stelselmatig heeft genegeerd althans onbereikbaar was, waardoor patiënte het gevoel kreeg dat zij er niet toedeed terwijl de longarts wel met andere behandelaren over patiënte sprak;
f) behandeling van patiënte heeft geweigerd.

4.2 De longarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1 Het college begrijpt dat het proces voorafgaand aan en het uiteindelijke overlijden van de moeder van klaagster veel impact op klaagster en haar familie heeft gemaakt. Het is echter aan het college om een zakelijke afweging te maken van de klacht en het daartegen gevoerde verweer.


De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de longarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende longarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.3 Het college stelt op basis van het dossier vast dat patiënte in een medisch kwetsbare
positie verkeerde. Zij had uitgezaaide borstkanker en onderging een oncologisch traject in een ander ziekenhuis. Daarnaast had zij longklachten en was zij vaak benauwd. Dat alles maakt dat patiënte (extra) zorg nodig had en daar ook regelmatig om vroeg. Het college begrijpt dat klaagster zich ernstige zorgen maakte over de situatie van patiënte en dat zij van mening is dat in onvoldoende mate zorg werd verleend. Daar staat tegenover dat de longarts van opvatting is dat hij naar vermogen de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.

5.4 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hieronder licht het college dit toe.

Klachtonderdeel a) een verkeerde diagnose (sarcoïdose) heeft gesteld
5.5 Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat de longarts is uitgegaan van een verkeerde diagnose namelijk sarcoïdose. Patiënte was bekend met uitgezaaide borstkanker en er zaten meerdere noduli’s op de longen, maar de longarts was ervan overtuigd dat er geen kanker op longen zat. Na de dood van patiënte is gebleken dat er wel sprake was van uitzaaiingen in de longen, aldus klaagster.

5.6 De longarts stelt dat hij niet medisch onzorgvuldig heeft gehandeld bij het stellen van de mogelijkheid dat de gevonden afwijkingen in de longen het gevolg konden zijn van sarcoïdose. Hij heeft ter zitting toegelicht dat er afwijkingen in de lever te zien waren en dat de kleinere afwijkingen in de longen niet PET positief waren. Dit maakte dat niet kon worden bewezen dat er sprake was van uitzaaiingen in de longen. Het puncteren van die afwijkingen in de longen leverde een te groot risico voor patiënte op. Op de vervolg CT-scan was geen progressie te zien. Daarom is sarcoïdose als alternatieve werkdiagnose gesteld en behandeld om op die manier mogelijk de symptomen van patiënte te verminderen. Pas nadat er op een later moment een punctie is gedaan van het pleuravocht, is aangetoond dat er sprake was van uitzaaiing in de longvliezen. Dit bevestigt echter nog niet dat de noduli in de longen ook passen bij uitzaaiingen.

5.7 Het college stelt vast dat bij patiënte zowel sprake was van noduli in de longen die eerder al werden geduid als mogelijk passend bij sarcoïdose als van maligne pleuravocht. De uitleg die de longarts geeft voor de stappen die hij heeft gezet om te komen tot de werkdiagnose sarcoïdose, acht het college navolgbaar. Op basis van de uitslagen tot 2 maart 2022, dus voor de punctie van het pleuravocht, was sarcoïdose aannemelijk. De longarts heeft eerder beargumenteerd geen onderzoek te hebben gedaan naar de noduli in de longen zoals bij punt 5.6 is toegelicht. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b en f) patiënte onvoldoende heeft begeleid tijdens de achteruitgang van de longen en behandeling van patiënte heeft geweigerd
5.8 Desgevraagd heeft klaagster ter zitting toegelicht dat klachtonderdeel f inhoudt dat patiënte herhaaldelijk contact heeft gezocht met de longarts, omdat zij wilde worden opgenomen in het ziekenhuis vanwege de ademhalingsklachten. De longarts heeft een ziekenhuisopname afgehouden. Klaagster heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de longarts patiënte onvoldoende heeft begeleid toen zij achteruitging. Vanwege de onderlinge samenhang tussen klachtonderdelen b en f (deze gaan beiden over de achteruitgang van de longen en de weigering om patiënte op te nemen) worden deze klachtonderdelen gezamenlijk behandeld.

5.9 De longarts betwist beide klachtonderdelen en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij heeft gedaan voor patiënte wat hij kon doen, ook in overleg met de andere betrokken zorgverleners.

5.10 Het college stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de longarts heeft gereageerd op de hulpvragen vanuit patiënte en haar familie op het moment dat deze bij hem terechtkwamen. Dat er geen indicatie was voor opname in het ziekenhuis, acht het college navolgbaar. Verder is niet gebleken dat er sprake was van onvoldoende begeleiding door de longarts bij de achteruitgang van de longen. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel c) patiënte niet heeft gewezen op de risico’s van zuurstoftoediening en niets heeft gedaan om deze risico’s te mitigeren
5.11 Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat de longarts geen beleid heeft bepaald over het toedienen van zuurstof en dat hij onvoldoende zou hebben gewezen op de risico’s van zuurstoftoediening.

5.12 De longarts heeft ter zitting toegelicht dat de saturatie bij patiënte daalde bij inspanning en dat de oplossing hiervoor het toedienen van zuurstof was. Andere therapie had niet het gewenste effect. De zorgverleners van het verpleeghuis waar patiënte verbleef, waren verantwoordelijk voor het te voeren zuurstofbeleid. Er is wel overleg gevoerd met de longarts, maar als de saturatie daalde was het de arts in het verpleeghuis die hierop handelde.

5.13 Het college stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat de longarts betrokken was bij het beoordelen van de uitslagen van de saturatie en het handelen daaropvolgend. Dit werd binnen het verpleeghuis georganiseerd. De longarts was wel betrokken bij het insturen van patiënte naar de SEH, vanwege aanhoudende benauwdheidsklachten. Voor zoverre de longarts betrokken was, heeft hij adequaat gereageerd. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel d) nagelaten een goed behandelplan te maken voor de laatste levensfase en daarmee de kwaliteit van leven van patiënte niet heeft geoptimaliseerd
5.14 Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat de longarts niet met oplossingen kwam om de leefbaarheid van patiënte te verbeteren, zodat patiënte nog herinneringen met de familie kon maken.

5.15 De longarts heeft ter zitting uiteengezet dat hij een gedeelde verantwoordelijkheid had ten aanzien van de longbehandeling van patiënte, gelet op het oncologische traject bij een ander ziekenhuis. De longklachten kunnen niet los worden gezien van wat er verder met de patiënte gebeurde. De longarts heeft zoveel mogelijk zaken zelf in de hand willen houden, maar was niet bij alle beslissingen betrokken. Er is wel regelmatig overleg gevoerd en de longarts heeft de regierol dan ook zeker vervuld. Met betrekking tot de laatste levensfase van patiënte heeft de longarts geprobeerd patiënte verlichting te brengen waar mogelijk, door onder andere een pleurapunctie en het gebruik van morfine. Dit was in overleg met de andere betrokken zorgverleners. Meer kon hij niet voor patiënte betekenen.

5.16 Het college stelt vast dat het gesprek over de laatste levensfase van patiënte in een ander ziekenhuis heeft plaatsgevonden, waar het oncologisch traject van patiënte ook was doorlopen. Desgevraagd heeft klaagster niet precies duidelijk gemaakt wat de longarts in dit verband kan worden verweten, gelet op zijn rol als behandelend longarts. Van enige nalatigheid van de longarts is dan ook niet gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel e) patiënte stelselmatig heeft genegeerd althans onbereikbaar was, waardoor patiënte het gevoel kreeg dat zij er niet toedeed terwijl de longarts wel met andere behandelaren over patiënte sprak
5.17 Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat de longarts patiënte en klaagster heeft genegeerd en niet heeft gereageerd op terugbelverzoeken. Dit terwijl de longarts wel gesprekken had met de huisarts, de arts van het verpleeghuis en de twee oncologen waar patiënte onder behandeling stond.

5.18 De longarts heeft dit betwist en stelt dat hij heeft gereageerd op verzoeken waarbij navolging nodig was die bij hem binnenkwamen via de polikliniek.

5.19 Uit het dossier maakt het college op dat de benodigde zorg daadwerkelijk werd verleend, onder meer door de longarts. Zo heeft de longarts meerdere malen contact met het verpleeghuis en het andere ziekenhuis gehad om het behandeltraject en de benauwdheid van patiënte te bespreken. Dat de longarts zich heeft gedragen zoals klaagster heeft gesteld, kan het college niet vaststellen; de longarts en klaagster hebben een uiteenlopende ervaring en het college was er niet bij. Dat brengt mee dat de longarts op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van de longarts, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag kunnen worden gelegd. Die feiten kunnen, omdat partijen elkaar tegenspreken, niet worden vastgesteld.

Slotsom

5.20 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door I.K. Spros, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, P. Baas, B.E.E.M. van den Borne en H.H. Dol, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.