ECLI:NL:TGZRAMS:2025:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7447

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:68
Datum uitspraak: 28-03-2025
Datum publicatie: 28-03-2025
Zaaknummer(s): A2024/7447
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klaagster is in 2022 in behandeling gekomen bij het FACT-team dat ambulante zorg aan haar verleende. Met een korte onderbreking is klaagster daar tot maart 2024 onder behandeling geweest. Verweerster was als psychiater verbonden aan dat FACT-team en in die hoedanigheid betrokken bij de behandeling van klaagster. Klaagster heeft meerdere klachten met betrekking tot de door de psychiater aan haar verleende zorg, onder meer over het ontbreken van een EMDR-behandeling en het voorschrijven van medicatie. De psychiater heeft verweer gevoerd. Het college is van oordeel dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.Kenmerk: geen of onvoldoende zorg

A2024/7447
Beslissing van 28 maart 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 28 maart 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,

klaagster,

tegen


C,
psychiater,
destijds werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de psychiater, gemachtigde: mr. E, werkzaam te B.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster is in 2022 in behandeling gekomen bij het FACT-team te D dat ambulante zorg aan 
klaagster verleende. Met een korte onderbreking is klaagster daar tot maart 2024 onder behandeling 
geweest. Verweerster was als psychiater verbonden aan dat FACT-team en in die hoedanigheid 
betrokken bij de behandeling van klaagster.

1.2   Klaagster heeft meerdere klachten met betrekking tot de door de psychiater aan haar verleende 
zorg, onder meer over het ontbreken van een EMDR-behandeling en het voorschrijven van medicatie. De 
psychiater heeft verweer gevoerd.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift, ontvangen op 22 juli 2024;
-  het aanvullende klaagschrift met bijlagen;
-  het verweerschrift met bijlagen;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 16 december 2024.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten

3.1  Klaagster, geboren in 1982, is bekend met een autismespectrum stoornis (ASS) en is behandeld 
voor angst- en stemmingsklachten.

3.2   Klaagster is van 2011 tot 2021 onder behandeling geweest bij een seksuoloog in het F wegens 
ernstige bekkenbodemklachten gekoppeld aan traumatische ervaringen. Zij heeft toen verschillende 
sessies EMDR gehad. Deze behandeling is in mei 2021 gestopt vanwege blijvend uitvallen van de 
behandelaar.

3.3   In de periode 2019-2021 is klaagster medicamenteus behandeld met trazodon door de GGZ te B en 
kreeg zij begeleiding op het gebied van intermenselijke contacten. De behandelaar bij de GGZ te B 
stelde voor om traumaverwerking te stoppen vanwege ontstane psychotische klachten en door te gaan 
met een steunend en structurerend contact. Klaagster is halverwege 2021 gestopt met de behandeling 
bij de GGZ te B.

3.4   Klaagster is op eigen verzoek door haar huisarts doorverwezen naar een expertisecentrum voor 
trauma gerelateerde klachten en PTSS (hierna: het Expertisecentrum) voor een second opinion en om 
te bezien of het zinvol en verantwoord zou zijn om traumatherapie voort te zetten. Vanuit de GGZ te 
B was geadviseerd om klaagster (tevens) aan te melden bij een FACT-team voor ondersteuning en om 
die reden is klaagster vervolgens door haar huisarts verwezen naar het FACT-team te D.

3.5   In april 2022 is klaagster bij dit FACT-team in zorg gekomen. De behandeling van het 
FACT-team was gericht op: aandacht voor menselijke contacten, steunende structurerende gesprekken, 
aandacht voor sociale netwerk en dagbesteding en motiveren voor farmacotherapie. Dit was ter 
aanvulling op de gesprekken die klaagster voerde met de behandelaar bij het Expertisecentrum rondom 
haar trauma’s en de behandeling daarvan. Tussen het Expertisecentrum en het FACT-team werd 
afgesproken dat de behandelaar bij het Expertisecentrum de regiebehandelaar van klaagster zou 
blijven.

3.6   De eerste behandelperiode bij het FACT-team was van april 2022 tot maart 2023. De psychiater 
heeft klaagster in deze periode eenmaal gezien, tijdens het intakegesprek op 12 april 2022. Verder 
is er tijdens die behandelperiode geen contact tussen hen geweest. De psychiater was gedurende deze 
periode op de achtergrond wel betrokken bij de zorg van klaagster. De psychiater was aanwezig bij 
de casuïstiekbesprekingen en zij was beschikbaar voor het team bij behandelinhoudelijke vragen.

3.7   In de loop van deze eerste behandelperiode heeft klaagster aangegeven dat zij zich gestalkt 
voelde door en geen behandeling meer wilde van het FACT-team. Na bespreking in het 
casuïstiekoverleg op 9 juni 2022 heeft de psychiater op 10 juni 2022 een brief aan klaagster 
gestuurd, waarin klaagster is uitgenodigd voor een gesprek. Vanwege de bij het FACT-team bestaande 
zorgen, wilde zij graag in gesprek met klaagster om te bespreken hoe verder te gaan. Klaagster is 
zonder bericht niet verschenen op de afgesproken datum. In overleg met de partner van klaagster is 
toen besloten dat er even geen rechtsreeks contact met klaagster zou worden opgenomen en dat de 
psychiater rond 22 juli 2022 weer contact zou opnemen met de partner.

3.8   Eind juli en begin augustus 2022 heeft klaagster per e-mail zelf contact opgenomen met de 
ambulant verpleegkundige van het FACT-team. Klaagster gaf onder meer aan dat zij slecht was 
voorzien in haar hulpvraag en zij wilde weten of zij EMDR kon krijgen via het FACT-team of 
eventueel het Expertisecentrum. Op 5 september 2022 heeft een kennismakingsgesprek plaatsgehad met 
de GZ-psycholoog van het FACT-team. Deze GZ- psycholoog, die EMDR-geschoold is, heeft aan klaagster 
uitgelegd wat het FACT-team haar kan bieden en wat het Expertisecentrum haar kan bieden. Omdat 
klaagster meermaals aangaf alleen een seksuoloog nodig te hebben, heeft de GZ-psycholoog benoemd 
dat het FACT-team dit niet kan bieden. Klaagster zou hierover nadenken, maar heeft het contact 
afgebroken.

3.9   In de daaropvolgende periode ontstonden er zorgen over het toenemende psychotisch 
toestandsbeeld van klaagster en kwam de vraag op of bemoeizorg vanuit het FACT-team wenselijk was. 
Om een inschatting te kunnen maken of de zorg richting klaagster opgeschaald moest worden naar 
actieve bemoeizorg of dat het dossier voorlopig gesloten kon worden, is besloten om in het kader 
van goed hulpverlenerschap, tegen de wens van klaagster in, contact op te nemen met de partner van 
klaagster. Tijdens het telefonisch contact op 22 september 2022 deelde de partner mee geen zorgen 
te hebben en dat het beter was om klaagster met rust te laten of beter naar haar te luisteren.

3.10  In oktober 2022 is de behandeling bij het Expertisecentrum afgesloten.

3.11  Op 21 december 2022 kwam klaagster na sluitingstijd langs op het kantoor van het FACT-team en 
zij gaf aan dat zij wilde worden uitgeschreven. Op 22 december heeft de psychiater geprobeerd 
telefonisch contact op te nemen met klaagster om te vragen of het FACT-team haar nog ergens mee kon 
helpen, maar contact krijgen met klaagster bleek niet mogelijk.

3.12  Na overleg op 10 maart 2023 tussen de psychiater en de huisarts van klaagster is, ondanks de 
zorgen ten aanzien van een psychotische ontregeling, besloten klaagster uit te schrijven bij het 
FACT-team. Geconcludeerd werd dat het FACT-team op dat moment meer schade zou aanrichten dan dat de 
ondersteuning door het FACT-team op dat moment winst zou opleveren voor klaagster.

3.13  Begin augustus 2023 nam de (waarnemend) huisarts van klaagster telefonisch contact op met de 
psychiater voor advies. Aanleiding was een door klaagster gewenst herhaalrecept voor trazodon. 
Vanwege deze wens ontstond er weer contact met klaagster. Daarbij liet klaagster op 29 augustus 
2023 per e-mail weten dat zij geen behandeling van het FACT-team meer wilde, maar dat zij de 
medicatie niet van haar huisarts kreeg. Ook vermeldde zij in de e-mail dat de huidige therapeut van 
klaagster contact zou opnemen met de psychiater.

3.14  De therapeut heeft op 30 augustus 2023 telefonisch contact opgenomen met de psychiater. Uit 
het dossier volgt dat daarbij ook de medicatie trazodon is besproken. De psychiater heeft 
aangegeven niet direct te voelen voor het voorschrijven van trazodon, omdat klaagster naast de PTSS 
en ASS meer psychose liet zien dan normaal gesproken bij PTSS wordt gezien. De psychiater stelde 
voor om gezamenlijk met klaagster in gesprek te gaan. Dit gezamenlijk overleg heeft niet 
plaatsgehad.

3.15  Op 31 augustus 2023 is klaagster (toch) opnieuw in behandeling gekomen bij het FACT-team in 
verband met de gewenste medicatie. Tijdens de intake vertelde klaagster de psychiater dat zij 
opnieuw wilde worden ingesteld op trazodon, omdat dit haar goed hielp tegen de paniek. Er is toen 
gestart met 50 mg trazodon.

3.16  Begin oktober 2023 was er een nieuwe afspraak met de psychiater, waarbij de trazodon is 
opgehoogd naar 100 mg. Later is dit weer aangepast naar 75 mg. Tijdens het consult begin oktober 
2023 is ook de relatie tussen klaagster en haar partner aan de orde gekomen. In een telefoongesprek 
op 20 oktober 2023 met de arts van het FACT-team gaf klaagster aan dat zij meent dat de psychiater 
te veel is ingegaan op de relatieproblemen. Tijdens een huisbezoek van de arts later die dag, 
vertelde klaagster dat zij niet meer door de psychiater wil worden behandeld.

3.17  In november 2023 meldde klaagster aan de ambulant verpleegkundige van het FACT-team dat zij 
geen contact wil met de psychiater en liever niet afhankelijk van haar wil zijn wat betreft haar 
recepten. Wel stond klaagster open voor kennismaking met de psycholoog van het FACT-team om te 
onderzoeken of er een mogelijkheid was voor traumabehandeling en voor contact met een 
ervaringsdeskundige. Tijdens de laatste
afspraak met de ambulant verpleegkundige, op 14 december 2023, werd afgesproken om de psycholoog 
bij de volgende afspraak te ontmoeten, maar voor zover het college bekend, is dit contact niet tot 
stand gekomen.

3.18  Op 15 januari 2024 heeft klaagster een klacht ingediend bij de klachtenfunctionaris van de 
instelling waartoe het FACT-team behoort. Door het FACT-team zijn daarop een drietal voorstellen 
gedaan voor de mogelijke verdere behandeling, al dan niet bij het FACT- team. Klaagster heeft 
hierop niet (duidelijk) gereageerd en weigerde contact met de klachtenfunctionaris. Op 13 maart 2024 is klaagster uitgeschreven en is het voorschrijven van de medicatie overgenomen door de huisarts van klaagster.

4.   De klacht en de reactie van de psychiater

4.1   Het college begrijpt uit het (aanvullend) klaagschrift en hetgeen besproken is tijdens het 
mondeling vooronderzoek dat volgens klaagster onjuist is gehandeld, omdat:
a) geweigerd is haar gezondheidsklachten te behandelen;
b) de wijze van (be)handeling door klaagster als mishandeling is ervaren;
c) er geen EMDR-behandeling is geweest;
d) medicatie steeds moest worden verkregen bij de psychiater, terwijl klaagster dit door de 
huisarts wil laten verzorgen;
e) er gedwongen antipsychotica aan klaagster is voorgeschreven;
f) de psychiater zich heeft bemoeid met het privéleven van klaagster;
g) de psychiater geforceerd informatie heeft verkregen van de therapeut van klaagster.

4.2  De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5.   De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. Binnen deze toetsingskaders zal het college de 
verschillende klachtonderdelen beoordelen.

Klachtonderdelen a) en b) weigering de gezondheidsklachten van klaagster te behandelen en de door 
klaagster ervaren mishandeling

5.3  Vanwege de samenhang zal het tuchtcollege de klachtonderdelen a) en b) gezamenlijk bespreken.

5.4   Klaagster stelt dat geweigerd werd om haar gezondheid te behandelen en noemt hierbij onder 
meer bekkenbodempijn, rugpijn, nekpijn, depressie en trauma gerelateerde 
paniekaanvallen/herbeleving. Het aandringen bij klaagster om over bepaalde onderwerpen te praten en 
het niet doorverwijzen naar een specialist (seksuoloog), wordt door klaagster ervaren als 
mishandeling.

5.5   Het college heeft geconstateerd dat deze twee klachtonderdelen zijn gericht tegen het 
‘FACT-team’ en dat klaagster diverse andere zorgverleners noemt, zoals de huisarts en het 
Expertisecentrum, maar niet de psychiater.

5.6   Zoals hiervoor in 5.1 aangegeven geldt in het tuchtrecht het beginsel van persoonlijke 
verantwoordelijkheid van de beroepsbeoefenaar voor zijn handelen. Dit betekent in dit geval dat de 
psychiater zelf betrokken moet zijn geweest bij het verweten handelen.

5.7   Klaagster heeft evenwel niet duidelijk gemaakt welk concreet handelen of nalaten zij de 
psychiater hier verwijt. Daarnaast ontbreekt een onderbouwing van deze klachtonderdelen. Het 
college kan daarom niet vaststellen dat er sprake is geweest van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar 
handelen van de psychiater.

5.8  De klachtonderdelen a) en b) zijn kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) EMDR-behandeling
5.9   Klaagster wilde graag een EMDR-behandeling en stelt dat de psychiater hieraan ten onrechte 
niet wilde meewerken. Klaagster meent dat de psychiater alleen maar uit was op pillen, waarbij 
klaagster zich niet goed voelde. Toen de psychiater erachter kwam dat klaagster deze pillen niet 
wilde, probeerde zij haar tevreden te stellen met trazodon en af en toe een oxazepam.

5.10  De psychiater voert aan dat de gesprekken rondom de trauma’s van klaagster en het inzetten 
van EMDR tijdens de eerste behandelperiode met name werden gevoerd door het Expertisecentrum. Op 
verzoek van klaagster is zij in september 2022 gezien voor een kennismakingsgesprek door de 
GZ-psycholoog van het FACT-team om de opties voor EMDR verder te bespreken. Klaagster heeft toen 
zelf het contact verbroken met de GZ-psycholoog. In de tweede behandelperiode is tijdens het 
laatste consult op 11 december 2023 door de ambulant-verpleegkundige met klaagster afgesproken om 
voor de volgende afspraak weer een kennismaking met de GZ-psycholoog van het FACT-team in te 
plannen om de mogelijkheden van traumabehandeling te bespreken. Hierna is er geen (fysieke) 
afspraak meer geweest en op 13 maart 2024 is klaagster uitgeschreven.

5.11  Het college is van oordeel dat zowel tijdens de eerste behandelperiode (april 2022 tot maart 
2023) als tijdens de tweede behandelperiode (augustus 2023-maart 2024) er vanuit het FACT-team 
aandacht is geweest voor de wens van klaagster tot EMDR-behandeling. Het college heeft geen 
aanleiding om te twijfelen aan de intentie van het FACT-team, laat staan te oordelen dat de 
psychiater het heeft tegengehouden om met klaagster de mogelijkheden van traumabehandeling door te 
nemen en op haar wens een behandeling op te starten als de psycholoog daar een indicatie toe zou 
zien. De psychiater heeft op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dat de 
EMDR-behandeling niet van de grond is gekomen, kan de psychiater evenmin worden aangerekend.

5.12  Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

5.13  Op de stelling van klaagster dat de psychiater alleen maar uit is op pillen waar klaagster 
zich niet goed bij voelt, komt het college terug bij de bespreking van het volgende 
klachtonderdeel.

Klachtonderdeel d) medicatie niet via de huisarts
5.14  Klaagster verwijt de psychiater dat zij zichzelf ‘naar voren bleef schuiven’ waardoor 
klaagster haar medicatie niet via de huisarts kreeg. Klaagster is van mening dat zij tegen haar wil 
consulten moest afnemen om medicatie te verkrijgen. Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft 
klaagster toegelicht dat zij elke keer door haar huisarts werd doorverwezen naar de psychiater voor 
medicatie, wat zij niet wilde en dat zij een strijd moest voeren om trazodon en oxazepam.

5.15  Het staat vast dat de psychiater op 2 augustus 2023 is gebeld door de huisarts van klaagster 
in verband met advies over het voorschrijven van trazodon. Uit het medisch dossier volgt dat 
klaagster in het verleden al langere tijd trazodon gebruikte. Deze medicatie was echter niet eerder 
door de psychiater aan klaagster voorgeschreven. De huisarts van klaagster was van mening dat de 
herstart met trazodon moest worden opgebouwd door de specialistische GGZ. Daarom heeft zij 
klaagster doorverwezen naar het FACT-team. Op 31 augustus 2023 heeft de intake plaatsgehad met de 
psychiater.

5.16  Het was zodoende een keuze van de huisarts van klaagster om haar door te verwijzen naar het 
FACT-team. Dit betrof geen vanuit de psychiater opgelegde verplichting. De psychiater is binnen het 
FACT-team de regiebehandelaar en verantwoordelijk voor het medicatiebeleid. Het voorschrijven van 
trazodon is aan haar voorbehouden. Dit is een omstandigheid die niet tuchtrechtelijk aan de 
psychiater kan worden verweten.

5.17  Met betrekking tot de stelling van klaagster over het moeten voeren van een strijd om 
medicatie merkt het college het volgende op. In de ingediende stukken heeft het college gelezen dat 
de trazodon is herstart en dat er nadien diverse consulten hebben plaatsgehad om het effect en de 
mogelijke bijwerkingen van de medicatie te bespreken. Het doel was om de medicatie goed in te 
stellen bij klaagster, waarbij in overleg met klaagster de trazodon steeds is aangepast en zij 
oxazepam heeft gekregen. Op diverse momenten heeft de psychiater voor de trazodon recepten 
uitgeschreven. Het college ziet dan ook geen grond voor het verwijt dat klaagster de psychiater 
maakt.

5.18  In januari 2024 is er bij klaagster boosheid ontstaan over het niet verlengd zijn van het 
recept. Uit het dossier volgt dat met klaagster was afgesproken dat zij het de ambulant- 
verpleegkundige zou laten weten als zij een nieuw recept nodig had. Dat het recept niet automatisch 
werd verlengd had ermee te maken dat klaagster de dosering zonder overleg bleek aan te passen. Het college acht dit een juiste werkwijze en oordeelt daarom dat dit niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

5.19  Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel e) gedwongen voorschrijven van antipsychotica
5.20  Klaagster meent dat haar gedwongen antipsychotica is voorgeschreven, omdat zij anders niet 
haar gebruikelijke medicatie zou ontvangen.

5.21  Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft de psychiater uitgelegd dat er door verschillende 
behandelaren is gesproken over antipsychotica. Dit is echter niet voorgeschreven en al helemaal 
niet gedwongen. De uitleg van de psychiater wordt gesteund door het dossier. Daaruit blijkt immers 
dat door de psychiater trazodon en oxazepam is voorgeschreven, geen antipsychotica.

5.22  Dit klachtonderdeel is daarom ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel f) bemoeienis met privéleven
5.23  Klaagster vindt dat de psychiater zich ten onrechte met haar privéleven heeft bemoeid. De 
psychiater heeft uitgelegd dat zij tijdens een consult op 19 oktober 2023 heeft doorgevraagd naar 
de ruzies van klaagster en haar partner. Zij geeft aan dit te hebben gedaan in haar hoedanigheid 
van psychiater. Bij deze bespreking was ook de partner van klaagster aanwezig en de casemanager 
(ambulant-verpleegkundige). Gedurende het gesprek maakte klaagster steeds meer verwijten richting 
haar partner en uiteindelijk heeft klaagster het gesprek, boos op haar partner, verlaten.

5.24  Uit het dossier volgt dat klaagster twijfels over haar relatie met diverse hulpverleners van 
het FACT-team heeft besproken, met name met de ambulant-verpleegkundige. Uit hetgeen in het dossier 
is genoteerd, volgt dat de relatie van klaagster veel invloed had op haar (kwetsbare) welzijn. Het 
is dan ook begrijpelijk dat de psychiater hiervoor aandacht heeft gehad (en ook de andere 
hulpverleners). Dit mag ook van de psychiater worden verwacht. Het college heeft op basis van de 
stukken geen aanleiding te veronderstellen dat de psychiater hier tuchtrechtelijk iets te verwijten 
valt.

5.25  Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel g) contact met behandelaar van klaagster
5.26  Klaagster wil niet dat medische informatie van haar huidige therapeut bij de psychiater 
terechtkomt. Zij verwijt de psychiater dat zij ‘blijft zuigen’ om informatie en deze behandelaar 
niet respecteert.

5.27  Het is voor het college niet duidelijk wat klaagster de psychiater hier precies verwijt. De 
psychiater heeft toegelicht, en dit wordt ondersteund door de stukken, dat de therapeut op verzoek van klaagster telefonisch contact heeft opgenomen met de psychiater. In het medisch dossier is vermeld wat er tijdens dit gesprek is besproken. Het college kan hieruit niet opmaken dat de psychiater (nog) meer informatie heeft willen verkrijgen van deze therapeut. Voor zover de klacht van klaagster is ontstaan uit het feit dat de psychiater aan de therapeut voorstelde om een gezamenlijk gesprek met klaagster te plannen, overweegt het college dat dit juist laat zien dat de 
psychiater zich heeft ingespannen voor de zorg aan klaagster. Het college heeft ook geen aanleiding 
om te veronderstellen dat de psychiater geen respect heeft voor de therapeut van klaagster. 
Klaagster heeft dit ook niet onderbouwd.

5.28  Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.29  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 28 maart 2025 door A. van Maanen, voorzitter, K.M. Volker, 
lid-jurist, R.R. Ploeger, A.C.M. Kleinsman en J.W. de Fijter, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door R. van der Vaart, secretaris.