ECLI:NL:TGZRAMS:2025:312 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8052
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:312 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-12-2025 |
| Datum publicatie: | 30-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8052 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een plastisch chirurg, die in 2015 een verdacht plekje op het voorhoofd van klager heeft verwijderd, waarna nog een re-excisie heeft plaatsgevonden. Onder de destijds geldende richtlijn heeft de plastisch chirurg terecht een re-excisie geadviseerd. Het college ziet geen aanknopingspunt voor de stelling van klager dat een ander plekje zou zijn verwijderd in plaats van re-excisie, noch voor de stelling dat de plastisch chirurg de klachtencommissie van het ziekenhuis daarover onjuiste informatie heeft verstrekt. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
A2025/8052
Beslissing van 30 december 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 30 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
plastisch chirurg,
destijds werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de plastisch chirurg,
gemachtigde: mr. E.E. Schmitt-Hoogeterp, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De plastisch chirurg heeft op 28 januari 2015 een verdacht plekje op de huid
van het voorhoofd van klager verwijderd. Klager verwijt de plastisch chirurg dat zij
hem daarna ten onrechte een re-excisie heeft geadviseerd (een nieuwe operatie waarbij
de huid rond het litteken wordt verwijderd), terwijl daarvoor geen indicatie bestond.
Verder verwijt hij de plastisch chirurg dat zij vervolgens geen re-excisie heeft uitgevoerd,
maar zonder toestemming of noodzaak een ander plekje heeft verwijderd en dat zij de
klachtencommissie van het ziekenhuis hierover onjuiste informatie heeft verstrekt.
De plastisch chirurg heeft verweer gevoerd tegen de klacht. Klager heeft eveneens
een klacht ingediend tegen de verpleegkundig specialist met wie hij contact heeft
gehad rondom (de uitslag van) het onderzoek. Deze klacht, met nummer A2025/8108, is
bij beslissing van gelijke datum afgedaan.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 april 2025;
- aanvullende stukken van klager van 7 mei 2025;
- aanvullende stukken van klager van 23 mei 2025;
- aanvullende stukken van klager van 17 juni 2025;
- het verweerschrift;
- aanvullende stukken van klager van 28 augustus 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 9 september 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager is op 16 januari 2015 bij de dermatoloog geweest. Uit de dossieraantekeningen
van de dermatoloog blijkt dat er bij klager in het verleden meerdere vormen van huidkanker
waren vastgesteld (melanoom, plaveiselcelcarcinoom en basaalcelcarcinoom). Daarvan
waren in het verleden bij klager enkele tientallen plekjes verwijderd. Op 16 januari
2015 was sprake van twee verdachte plekken (voorhoofd links en mondhoek rechts) in
het gezicht van klager, waarvan de dermatoloog biopten genomen heeft voor pathologisch
onderzoek.
3.2 De uitslag van het pathologisch onderzoek (met nummer T15-00728) dateert van 23 januari 2015. Met betrekking tot het biopt van klagers voorhoofd heeft de patholoog onder meer genoteerd dat er verdenking is van de aanwezigheid van kwaadaardige cellen en dat excisie van de gehele laesie wordt geadviseerd.
3.3 De dermatoloog heeft klager doorverwezen naar de plastisch chirurg, die de verdachte plek op 28 januari 2015 heeft verwijderd. De plastisch chirurg noteerde in het medisch dossier (alle citaten alleen voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Excisie laesie voorhoofd links bij haargrens en PA ( craniaal) (…)”
3.4 Het verwijderde weefsel is ingestuurd voor pathologisch onderzoek. In de uitslag van het pathologisch onderzoek, met nummer T15-01394, van 30 januari 2015 is onder meer genoteerd:
“Klinische Gegevens:
Laesie voorhoofd li. T15-728. Maligniteit? Raicaal? Markering craniaal.
Macroscopie:
Gemarkeerd huidovaal 1.5 x 1.5 x 0.3 cm.
Centraal verheven laesie van 0.5 x 0.6 cm.
Min afstand zijrand 0.2 cm.
(…)
Microscopie:
(…)
De patholoog heeft geconcludeerd dat er in het preparaat geen kwaadaardige cellen
zijn aangetroffen maar dat zich aan beide zijden daarvan tot in het snijvlak wel acantholytische
actinische keratose bevindt. De puntjes van het preparaat zijn wel vrij van deze cellen.
3.5 Op 4 februari 2015 heeft de verpleegkundig specialist klager op de poli gezien.
Zij heeft in het dossier genoteerd:
“A/ Goed gegaan
O/ PA besproken, vanwege acantolytische component advies reexcissie.
B/ POK [naam plastisch chirurg]”
3.6 Op 13 april 2015 heeft de plastisch chirurg onder meer in het dossier genoteerd:
“rexcisie laesie rondom eerder litteken ( na act keratose, geen maligniteit) (…)”
3.7 In de uitslag van het pathologisch onderzoek (met nummer T15-04963) van 15 april 2015 is onder meer genoteerd:
“Klinische Gegevens:
St. na eerdere act. keratose (T15-1394). Nu act. keratose. Of maligniteit?
Macroscopie:
Huidovaal 1.5 x 0.9 x 0.5 cm
Centraal grijsbeige laesie van 0.9 x 0.6 cm
Reikend tot in zijrand
(…)
Conclusie: Huidexcisie, gezien voorgeschiedenis voorhoofd links: keratosis actinica,
focaal reikend in het snijvlak. Tevens folliculitis met Demodex.”
3.8 Op 20 april 2015 heeft de verpleegkundig specialist klager op de poli gezien en met hem de uitslag van het pathologisch onderzoek van het op 13 april 2015 verwijderde weefsel besproken. Zij noteerde in het dossier:
“A/ Goed gegaan
Patient liet wel weten dat hij het verloop vreemd vond. [De plastisch chirurg] heeft
oud littekenweefsel weggehaald, maar niet het juiste. Volgens patient had ze het litteken
meer naar links moeten verwijderen.
O/ PA uitslag besproken. Patient wil nu verder geen actie.
(…)”
3.9 Op 10 juni 2015 heeft de plastisch chirurg in het dossier genoteerd:
“Uitgebreid telefonisch overleg met [klager], en vindt dat een verkeerde laesie voorhoofd is verwijderd. In zijn beleving heb ik hem gedwongen een 2e ingreep te laten doen ( met een veel groter littekn en volgens hem dus meer plekjes verwijderd dan afgesproken)terwijl het, achteraf prima met stikstof behandeld had kunnen worden, ( ook volgens [de dermatoloog]) Hij eist excuses en een schadevergoeding etc. Nu doorverwezen naar klachtenfunctionaris en [de plastisch chirurg] belt/mailt [de dermatoloog]”
3.10 De plastisch chirurg heeft in het kader van een klacht van klager bij de klachtencommissie
van het ziekenhuis een schriftelijke verklaring verstrekt (niet gedateerd), waarin
onder meer staat:
“(…) Vervolgens werd [klager] voor een reëxcisie gepland op 13-04-2015. Ik dwing patiënten
nooit om een ingreep te ondergaan maar heb hem geadviseerd naar aanleiding van de
eerdere excisie en bioptie (met daarin advies van de patholoog). Ik heb nooit het
gevoel gehad dat hij zich gedwongen voelde.
Op 10-06-2015 heb ik een belafspraak gehad met [klager] waarin hij zijn ontevredenheid
uitte over het litteken (slechts twee maanden vers op dat moment en dus nog niet definitief)
en zei dat ik het verkeerde litteken had verwijderd. Ik heb hem daarop uitgenodigd
om naar de poli te komen om het samen te bespreken en het litteken te bekijken. Hij
voelde hier niet voor en stelde voor dat als ik het litteken wilde zien, ik een afspraak
bij hem moest maken. Hij wilde een klacht indienen en ik heb hem de procedure van
klachtenafhandeling uitgelegd en hem gezegd dat ik het jammer vond dat hij niet tot
een gesprek en bezoek bereid was. “
3.11 Op 27 augustus 2015 heeft de plastisch chirurg de klachtencommissie van het ziekenhuis het volgende bericht:
“Bij de reexcisie dd 13-04-2015 nam ik lege artis het oude litteken met enkele mm’s eromheen weg. De uitslag van het pathologisch onderzoek liet zien dat er sprake was van keratosis actinica.”
4. De klacht en de reactie van de plastisch chirurg
4.1 Klager verwijt de plastisch chirurg samengevat dat zij:
a) hem ten onrechte een re-excisie heeft geadviseerd, terwijl daarvoor geen indicatie
bestond;
b) op 13 april 2015 geen re-excisie heeft uitgevoerd, maar zonder klagers toestemming
en zonder noodzaak een ander plekje actinische keratose heeft verwijderd;
c) de klachtencommissie van het ziekenhuis onjuiste informatie heeft verstrekt.
4.2 De plastisch chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat hierna voor zover nodig in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de plastisch chirurg de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende plastisch
chirurg. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de plastisch chirurg
geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Daarbij gaat het om de beroepsnormen en wetenschappelijke inzichten die golden op het moment van de zorgverlening. Het college beoordeelt de klacht in deze zaak dan ook aan de hand van de normen die in 2015 van toepassing waren. Dat betekent onder meer dat getoetst moet worden aan de Richtlijn actinische keratose van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) uit 2010, die in 2015 nog van toepassing was (en niet aan de in 2017 aangepaste richtlijn).
5.3 Nu klager zijn klacht tegen de plastisch chirurg op 9 april 2025 heeft ingediend,
terwijl de klacht gaat over het handelen van de plastisch chirurg op 13 april 2015
(praktisch 10 jaar eerder), houdt het college er verder rekening mee dat de plastisch
chirurg – zoals zij ook in haar verweer heeft aangegeven – weinig concrete herinneringen
meer zal hebben aan de contacten uit 2015 en zich voor haar verweer moet baseren op
de door klager overgelegde stukken uit het medisch dossier. De plastisch chirurg heeft
verder terecht aangevoerd dat de dossiervoering anno 2015 anders en beperkter was
dan tegenwoordig vereist wordt.
Klachtonderdeel a) re-excisie geadviseerd, maar geen noodzaak
5.4 Klager heeft hierover het volgende aangevoerd. De plastisch chirurg heeft gezegd dat er (op basis van het pathologisch onderzoek) een indicatie was voor een re-excisie. Dat was onjuist, omdat de patholoog had geconstateerd dat de (centraal) verheven laesie geheel was verwijderd en er geen sprake was van invasieve maligniteit. De patholoog heeft ook geen verdere behandeling meer geadviseerd. Wel was er in het snijvlak actische keratose aanwezig, maar dat zou volgens de richtlijn (klager verwijst naar de richtlijn uit 2017) geen indicatie opleveren voor re-excisie. De patholoog heeft alleen vóór de eerste excisie advies gegeven voor verwijdering, aldus klager.
5.5 De plastisch chirurg heeft het volgende aangevoerd. Klager verbindt verkeerde conclusies aan de notities uit het medisch dossier. De plastisch chirurg begrijpt uit de aantekening van de verpleegkundig specialist op 4 februari 2015 (“vanwege acantholitische component advies reexcissie”) dat de uitslag van het pathologisch onderzoek met klager is besproken. Het lijkt de plastisch chirurg zeer onwaarschijnlijk dat de belangrijkste conclusie, namelijk dat geen kwaadaardige cellen zijn aangetroffen, niet met klager zou zijn besproken, juist omdat een patiënt die een verdacht plekje laat weghalen als eerste wil weten of alle kwaadaardige cellen zijn verwijderd. Verweerster betwist dat zij in het kader van de re-excisie iets anders aan klager heeft gezegd dan dat het snijvlak niet vrij was van actinische keratose. Re-excisie bij een acantholytische actinische keratose was in 2015 de medisch gebruikelijke gang van zaken omdat dit als een voorstadium van huidkanker, te weten plaveiselcelcarcinoom, werd gezien. Het eerdere advies van de patholoog was om het plekje in zijn geheel te verwijderen en uit het huidpreparaat bleek dat de laesie niet in zijn geheel was verwijderd. Dat was een indicatie voor re-excisie, zeker gezien de voorgeschiedenis van klager. Over het ontbreken van een advies van de patholoog om verder te behandelen, heeft de plastisch chirurg opgemerkt dat een patholoog zelden een behandeladvies geeft. Het is de behandelaar, die bepaalt of behandeling nodig is. Tot slot is aangevoerd dat de re-excisie effectief is geweest aangezien het huidpreparaat daarvan op de randen nog wel actinische keratose toonde, maar zonder de acantholytische component.
5.6 Het college overweegt dat op basis van het biopt van de dermatoloog een duidelijke indicatie bestond voor de eerste excisie, die op 28 januari 2015 plaatsvond. Uit het onderzoek van het bij de eerste excisie weggenomen huidgedeelte bleek vervolgens dat niet alle cellen waren verwijderd en dat nog acantholytische keratose aanwezig was in de zijresectievlakken. De plastisch chirurg heeft gelijk in haar standpunt dat dit wordt gezien als een voorstadium van huidkanker, in het bijzonder plaveiselcelcarcinoom. Tegenwoordig is het beleid om dat op een andere wijze dan met een re-excisie te behandelen, maar in 2015 (onder de oude richtlijn) werd nog uitgegaan van een redelijke kans dat deze cellen zich daadwerkelijk tot huidkanker zouden ontwikkelen. Hoewel excisie van zulke cellen ook in 2015 niet noodzakelijk was, werd destijds nog wel geadviseerd om ook deze resterende cellen nog te laten verwijderen. Daarom was het advies van de plastisch chirurg onder de destijds geldende richtlijn correct. De plastisch chirurg heeft daarbij terecht verwezen naar de voorgeschiedenis van klager, die eerder met kwaadaardige tumoren te maken had gehad. Klachtonderdeel a) is op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) geen re-excisie uitgevoerd
5.7 Klager is van mening dat de plastisch chirurg op 13 april 2015 geen re-excisie
heeft uitgevoerd, maar een nieuwe excisie van een stukje actinische keratose op een
andere plek op zijn voorhoofd. Zij had daarvoor geen toestemming van klager en evenmin
bestond een noodzaak om dat te doen. Klager heeft aangevoerd dat de plastisch chirurg
in het dossier heeft genoteerd dat zij een ‘rexcisie’ had uitgevoerd, een niet-bestaand
woord, waarmee zij kennelijk kon stellen dat zij met toestemming van klager een excisie
had uitgevoerd. Zij heeft ook de patholoog laten weten dat zij een excisie had uitgevoerd
en daarbij alleen verwezen naar de eerste excisie, aldus klager. Klager voelt zich
in zijn opvatting gesteund door het advies - in het kader van de klachtzaak bij het
ziekenhuis - van arts-medisch adviseur E, die schrijft dat het gezien de afmetingen
van het preparaat dat op 13 april 2015 is weggenomen, niet kan gaan om een re-excisie.
Daarnaast heeft klager foto’s overgelegd waaruit zou blijken dat er door de plastisch
chirurg op een andere plek huid is weggenomen.
5.8 De plastisch chirurg stelt dat zij bij de tweede excisie aanvullend weefsel op dezelfde, eerder behandelde plek heeft verwijderd. Zij heeft genoteerd dat het ging om ‘rexicisie laesie rondom eerder litteken‘. Het blijkt ook uit het gebruik van de PA-nummers door de plastisch chirurg. Haar aanpak is dat zij bij de huidpreparaten bij re-excisies steeds verwijst naar het PA-nummer van het voorgaande biopt/preparaat. Bij het huidpreparaat dat op 13 april 2015 is vewijderd heeft zij verwezen naar het PA-nummer van het biopt/preparaat dat bij de eerste excisie op 28 januari 2015 is verwijderd. Ook hieruit kan worden afgeleid dat het een re-excisie betreft op de plaats van de eerste excisie. De door klagers arts-medisch adviseur genoemde verschillende afmetingen van de huidovaal en centrale laesie in de pathologieverslagen tonen, anders dan klager stelt, niet aan dat de tweede excisie op een andere plek zou hebben plaatsgevonden. Bij de re-excisie is precies de lengte van het litteken (15mm) meegenomen en aan weerszijden 4,5 mm extra marge. Dit was voldoende om het doel te bereiken. Omdat klager na de re-excisie niet bereid was om op consult te komen, heeft de plastisch chirurg onmogelijk kunnen verifiëren of daadwerkelijk het juiste (of een ander) plekje is behandeld. In het dossier is geen aanwijzing te vinden dat de plastisch chirurg is afgeweken van de gebruikelijke handelwijze. Ook uit de foto’s valt dit niet af te leiden. De plastisch chirurg is van mening dat zij het juiste litteken heeft behandeld.
5.9 Het college overweegt dat het dossier geen aanknopingspunt biedt voor de stelling
dat de plastisch chirurg op 13 april 2015 een andere ingreep zou hebben uitgevoerd
dan een re-excisie op dezelfde plek van het eerste litteken. De verwijzing van de
plastisch chirurg naar de PA-nummers is correct: zij heeft bij het huidpreparaat dat
op 13 april 2015 is verwijderd, expliciet verwezen naar het eerdere huidpreparaat
dat zij op 28 januari 2015 had verwijderd. Bovendien wordt in alle uitslagen van de
patholoog gesproken over hetzelfde soort weefsel, dezelfde aandoening en gaat het
om gelijksoortige cellen. Dit ondersteunt de stelling van de plastisch chirurg dat
zij op 13 april 2015 dezelfde plek heeft behandeld als op 28 januari 2015.
5.10 Het college voegt hier nog het volgende aan toe. De medisch adviseur van klager heeft in een brief van 26 april 2018 gesteld dat het onmogelijk is het litteken van een excisie van 15 x 15 mm met enkele millimeters eromheen weg te nemen door excisie van een huidoppervlak van 15 x 9 mm. De medisch adviseur van klager heeft daarbij miskend dat de patholoog op 30 januari 2015 heeft genoteerd dat er atypische keratinocyten zijn geconstateerd in beide zijresectievakken, maar dat de puntjes wel vrij waren. Gelet op dit laatste was het voor de plastisch chirurg niet nodig om de tweede excisie langer te maken dan de eerste: het ging er juist om dat aan de zijkanten nog enkele millimeters werden verwijderd, want daar zaten de resterende verdachte cellen. Naar het oordeel van het college heeft de plastisch chirurg zorgvuldig gehandeld door het litteken niet langer te maken dan het na de eerste excisie al was.
5.11 Op grond van het voorgaande is ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) informatie aan klachtencommissie
5.12 De plastisch chirurg heeft volgens klager de klachtencommissie niet correct
geïnformeerd door te vermelden dat zij op 13 april 2015 een re-excisie had uitgevoerd.
Ook heeft zij onjuiste informatie verstrekt door te stellen dat klager in het telefoongesprek
van 10 juni 2015 zou hebben gezegd dat zij een verkeerd litteken zou hebben verwijderd.
Dit is onjuist, omdat zij dit zelf tijdens het telefoongesprek heeft gezegd. De plastisch
chirurg heeft klager in een kwaad daglicht willen stellen met haar opmerking dat zij
patiënten nooit dwingt om een ingreep te ondergaan. Klager heeft nooit gezegd dat
hij gedwongen is, maar dat hij heeft ingestemd met een re-excisie. De plastisch chirurg
heeft echter een andere operatie uitgevoerd dan waar klager mee had ingestemd, aldus
klager.
5.13 De plastisch chirurg verwijst naar wat zij in het medisch dossier heeft genoteerd over het telefoongesprek van 10 juni 2015 met klager. Zij heeft klager niet meer gezien en hem niet meer in persoon kunnen beoordelen en acht het dan ook onwaarschijnlijk dat ze tijdens het telefoongesprek met klager zou hebben kunnen beoordelen of zij een verkeerd litteken heeft verwijderd. De plastisch chirurg heeft wel degelijk een re-excisie uitgevoerd en verwijst naar wat zij bij de overige klachtonderdelen heeft aangevoerd.
5.14 Het college verwijst naar de voorgaande overwegingen, waarin al op de door
klager aangegeven punten is ingegaan. Het college ziet geen aanleiding voor het oordeel
dat de plastisch chirurg in haar berichten aan de klachtencommissie onjuistheden zou
hebben vermeld. De plastisch chirurg heeft de klachtencommissie haar kant van het
verhaal gegeven en die wordt ondersteund door het dossier. Ook klager heeft bij de
klachtencommissie de gelegenheid gehad zijn visie te geven. Dit klachtonderdeel is
eveneens kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 30 december 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt,
voorzitter, E. Hajder en B. Lamme, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo,
secretaris.