ECLI:NL:TGZRAMS:2025:305 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7962
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:305 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-12-2025 |
| Datum publicatie: | 23-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7962 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster heeft een consult gehad bij de arts vanwege een beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid. Klaagster verwijt de arts onder meer dat zij in strijd met de waarheid heeft gerapporteerd en verzuimd heeft om klaagster te informeren dat zij zich ook kon wenden tot haar supervisor. Het college overweegt dat van een (opzettelijk) onjuiste rapportage niet is gebleken. Verder bestaat er geen verplichting om cliënten actief te wijzen op de mogelijkheid om zich te wenden tot de eindverantwoordelijke bedrijfsarts als daar geen concrete aanleiding voor is. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
A2024/7962
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 23 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
gemachtigde: mr. M. Goedhart, werkzaam te Amsterdam,
tegen
C,
arts,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. P. Willems, werkzaam te Loenen.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft op 14 september 2023 een consult gehad bij de arts vanwege
een beoordeling
van haar arbeidsongeschiktheid in het kader van de Ziektewet. Klaagster verwijt
verweerster dat zij
in haar rapport conclusies heeft getrokken die niet uit het gesprek met klaagster
konden volgen;
zij heeft daarmee in strijd met de waarheid gerapporteerd. Klaagster verwijt verweerster
daarnaast
dat zij heeft verzuimd om klaagster te informeren dat zij zich ook kon wenden tot
haar supervisor.
Ook zou verweerster ten onrechte niet hebben gereageerd op een brief van klaagster.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 februari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 april 2025;
- een aanvullende productie ingediend door verweerster, ontvangen op 5 augustus
2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 27 augustus
2025;
- de brief van de gemachtigde van klaagster, ontvangen op 14 november 2025, met
een
reactie op het proces-verbaal.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster heeft in november 2022 last gehad van burn-outklachten. Ze is destijds
bij de
bedrijfsarts geweest die haar twee weken rust had geadviseerd. Nadat zij in maart
2023 te horen had
gekregen dat haar contract niet zou worden verlengd kreeg ze een terugval in haar
klachten. In
verband met het vaststellen van het recht op een uitkering op grond van de Ziektewet
diende
klaagster gekeurd te worden. In dit verband is klaagster op 14 september 2023 op
het spreekuur van
verweerster gezien.
3.2 In de uitnodigingsmail voor dit consult stond bij de kop vermeld:
“ datum: donderdag 14
september 2023
Tijdstip: 14.00uur Mevr. C
BIGnummer:[college: registratienummer], Arboarts:
Onder supervisie van bedrijfsarts D
(..)”
3.3 Tijdens het consult heeft verweerster aan klaagster diverse vragen gesteld over
haar
belastbaarheid en haar klachten. De klachten waren weinig energie, concentratieproblemen,
hoofdpijn, slecht slapen en stemmingswisselingen.
3.4 Verweerster heeft de bevindingen van het consult vastgelegd in een spreekuurrapportage.
In
dit rapport heeft verweerster onder “medische conclusie” het volgende gerapporteerd:
“Surmenage.
Geen behandeling op dit moment. Geadviseerd om hulp te vragen”. Onder “niet-medische conclusie”
staat vermeld:
“Er is sprake van beperkingen in het persoonlijk/sociaal functioneren en werktijden.
FML is
opgesteld. Betrokkene kan werkzaamheden verrichten die passen bij de huidige mogelijkheden
en
beperkingen”.
3.5 Verweerster heeft via haar supervisor op 29 oktober 2024 een brief ontvangen
van de
gemachtigde van klaagster. In deze brief, gericht aan meerdere (rechts)personen
waaronder
verweerster en haar supervisor, staat, onder meer, voor zover van belang:” (…) Als gevolg van uw
handelen stel ik u allen, namens cliënt hierbij zowel persoonlijk als bedrijfsmatig,
volledig
aansprakelijk voor alle schade die mijn cliënt door uw rapportages heeft geleden
en nog zal lijden
(..)”. Namens klaagster wordt vervolgens een zestal eisen gesteld, waaronder volledige erkenning
van de aansprakelijkheid, waaraan binnen twee weken dient te worden voldaan.
3.6 De gemachtigde van verweerster heeft op 12 november 2024 per e-mail gereageerd
op de onder
3.5. genoemde brief. Op 17 november 2024 heeft de gemachtigde van klaagster, onder
meer, verweerster opnieuw aangeschreven waarna (de gemachtigde van) verweerster klaagster
en/of haar gemachtigde op 18 november 2024 heeft uitgenodigd voor een gesprek. De gemachtigde
van klaagster heeft dezelfde dag bericht niet in te gaan op deze uitnodiging.
4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Klaagster verwijt verweerster:
a) dat zij opzettelijk en in strijd met de waarheid heeft gerapporteerd; zij heeft
daarmee niet
voldaan aan de professionele standaard;
b) heeft verzuimd om klaagster te informeren dat zij zich te allen tijde kon wenden
tot haar
supervisor;
c) niet heeft gereageerd op de brief van 29 oktober 2024.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) in strijd met de waarheid gerapporteerd en daarmee niet voldaan
aan de
professionele standaard.
5.2 Klaagster stelt dat verweerster opzettelijk heeft doen voorkomen alsof klaagster
belastbaarder is dan in werkelijkheid het geval is. Ten onrechte heeft verweerster
gerapporteerd
dat klaagster geen specifieke beperkingen heeft in, onder meer, het doelmatig en
zelfstandig
handelen in het dagelijkse functioneren. Daarnaast heeft zij ten onrechte vastgesteld
dat er ten
aanzien van zien, horen, spreken, schrijven en lezen geen specifieke beperkingen
bestaan. Deze
conclusies zijn onjuist omdat klaagster tijdens het gesprek heeft aangegeven dat
zij als gevolg van
haar klachten wel degelijk beperkingen kent binnen de door verweerster genoemde
gebieden.
5.3 Verweerster brengt naar voren dat zij op basis van het spreekuur heeft vastgesteld
dat er
beperkingen waren op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren evenals
in de werktijden.
Gezien het verminderde concentratievermogen bij klaagster heeft verweerster eveneens
beperkingen
vastgesteld op het gebied van werken met deadlines en productiepieken. Er was geen
sprake van een
situatie die aanleiding gaf voor een structurele urenbeperking maar verweerster
heeft wel
geadviseerd om de uren voorzichtig op te bouwen. Voor de door klaagster genoemde
klachten in het dagelijks functioneren bestond geen objectiveerbare medische grond.
Dit gold ook voor de door klaagster genoemde beperkingen in het lezen.
5.4 Het college is van oordeel dat de klacht ongegrond is. De rapportage bevat een
voldoende
duidelijke beschrijving van de klachten van klaagster waarbij de bedrijfsarts diverse
beperkingen
(genoemd onder 5.3) heeft vastgesteld.
Dat klaagster zich niet kan vinden in de bevindingen en de conclusies van dit rapport,
betekent
niet dat verweerster in strijd met de voor de beroepsgroep geldende criteria heeft
gerapporteerd.
Het betekent evenmin dat de klachten van klaagster onvoldoende zijn meegewogen of
dat de klachten
zijn gebagatelliseerd. Van een (opzettelijk) onjuiste rapportage is niet gebleken,
zo blijkt ook
uit het door klaagster overgelegde transcript van het consult.
Klachtonderdeel b) klaagster is niet geïnformeerd dat zij zich te allen tijde kon
wenden tot haar
supervisor.
5.5 Klaagster stelt dat verweerster heeft verzuimd om klaagster te informeren
dat zij zich te
allen tijde kon wenden tot haar supervisor. Verweerster brengt naar voren dat zowel
in de
uitnodiging voor het consult als in de door haar opgestelde rapportage stond vermeld
dat
verweerster onder supervisie werkt.
5.6 Het college is van oordeel dat ook deze klacht ongegrond is. In de uitnodiging
voor het
consult en in de rapportage stond expliciet de naam van de supervisor van verweerster
vermeld. Dat
– zoals later bleek – in het dossier per abuis de verkeerde supervisor stond vermeld
maakt het
oordeel niet anders. Voor een bedrijfsarts geldt niet de verplichting om cliënten
actief te wijzen
op de mogelijkheid om zich te wenden tot de eindverantwoordelijke bedrijfsarts als
daar geen
concrete aanleiding voor is. Indien klaagster een daartoe strekkend verzoek had
ingediend dan had
klaagster wél deze mogelijkheid kunnen worden geboden. Omdat uit het dossier op
geen enkele wijze
is gebleken dat klaagster een dergelijk verzoek heeft ingediend en er geen kenbare
reden was om
deze mogelijkheid te benoemen, kan verweerster op dit punt geen tuchtrechtelijk
verwijtbaar worden
gemaakt.
Klachtonderdeel c) verweerster heeft niet gereageerd op de brief van 29 oktober 2024.
5.7 Klaagster verwijt verweerster dat zij zich niet open en toetsbaar heeft opgesteld
door niet
te reageren op de brief van 29 oktober 2024. Verweerster stelt dat in de betreffende
brief geen
concrete vragen of verzoeken aan haar zijn gericht. Vanuit de werkgever van verweerster
is daarom
besloten om centraal via een gemachtigde te reageren omdat de betreffende brief
aan meer
(rechts)personen was gericht. Als klaagster bereid zou zijn geweest om in te gaan
op de namens haar
verstuurde uitnodiging voor een gesprek dan zou verweerster daar zeker toe bereid
zijn geweest.
5.8 Naar het oordeel van het college is ook deze klacht ongegrond. De brief van
29 oktober 2024,
verstuurd aan een groot aantal geadresseerden, is op 12 november 2024 door de gemachtigde
van verweerster beantwoord. Ook op de vervolgcorrespondentie van de gemachtigde van
klaagster is door de gemachtigde van verweerster op adequate wijze gereageerd. Niet
is gebleken dat verweerster zich niet toetsbaar zou hebben opgesteld. Klaagster is
uitgenodigd voor een gesprek met verweerster maar (de gemachtigde van) klaagster is
niet ingegaan op deze uitnodiging. Dat verweerster niet persoonlijk heeft gereageerd
op de brief van 29 oktober 2024 kan haar
(tuchtrechtelijk) niet worden aangerekend.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 23 december 2025 door J. Sap, voorzitter, H.W.M.M. Rieter-van
den
Bergh, lid-jurist, F.M. Brouwer, E.G. Ackema en J. Dogger, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris.