ECLI:NL:TGZRAMS:2025:304 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8619
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:304 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-12-2025 |
| Datum publicatie: | 23-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8619 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts, in opleiding tot bedrijfsarts. Klaagster verwijt de arts onprofessioneel en nalatig handelen. Het college is van oordeel dat uit de verslagen blijkt dat de arts wist wat er speelde op het werk van klaagster en dat er gesprekken en mediation hadden plaatsgevonden. De mate van hulp en bevestiging die klaagster van de arts verwachtte, behoort niet tot zijn taken. De arts heeft opvolging gegeven aan de verzoeken van klaagster voor zover dit passend was binnen zijn bevoegdheden. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
A2025/8619
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 23 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
tegen
C,
arts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft zich op 29 september 2022 ziekgemeld naar aanleiding van een
incident op haar
werk.
De arts is sinds 1 januari 2020 werkzaam bij E en sinds 5 oktober 2022 in opleiding
tot
bedrijfsgeneeskundige (aio). Klaagster kwam in oktober 2022 voor het eerst op het
spreekuur van de
arts. Klaagster verwijt de arts onprofessioneel en nalatig handelen in de periode
van februari 2024
tot juni 2024.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- aanvullende stukken van de arts, ontvangen op 29 juli 2025;
- aanvullende stukken van klaagster, ontvangen op 10 september 2025;
- een reactie van de arts op de aanvullende stukken van klaagster, ontvangen op
18 september 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 19 september
2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster werkte als productiemedewerkster bij F. Klaagster werd naar haar
mening gepest en
gediscrimineerd, onder andere door een leidinggevende. Zij heeft hierover geklaagd
bij de
vertrouwenspersoon van haar werkgever en bij haar huisarts.
3.2 Klaagster heeft zich op 29 september 2022 ziekgemeld naar aanleiding van een
incident op de
werkvloer waarbij een leidinggevende haar knie heeft aangeraakt. Zij heeft daarna
met haar
werkgever een aantal gesprekken gevoerd en er heeft mediation plaatsgevonden. Die
hebben niet tot
een oplossing geleid.
3.3 In de periode van februari tot juni 2024 heeft een aantal consulten plaatsgevonden
bij de
arts. Tijdens een consult op 11 maart 2024 heeft de arts na verkregen toestemming
van klaagster
informatie opgevraagd bij haar huisarts. Die informatie is niet verstrekt.
3.4 Op 22 november 2024 heeft het UWV vastgesteld dat klaagster sinds 26 september
2024 niet
arbeidsongeschikt is.
3.5 Bij beschikking van 8 mei 2025 heeft de kantonrechter het verzoek van de werkgever
tot
ontbinding van de arbeidsovereenkomst toegewezen en daarbij overwogen dat de arbeidsrelatie
ernstig
verstoord is en dat niet gebleken is dat dit de werkgever (ernstig) te verwijten
valt. Aan
klaagster is geen billijke vergoeding toegewezen.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Volgens klaagster heeft de arts in de periode van februari tot juni 2024 onprofessioneel
en
nalatig gehandeld, omdat hij:
a) medische en psychosociale signalen structureel heeft genegeerd;
b) geen opvolging heeft gegeven aan meldingen van pesten en ongewenst gedrag ondanks
verzoeken
hiertoe;
c) geen hulp heeft geboden;
d) onvolledig en onjuist heeft gerapporteerd aan het UWV.
4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 De criteria voor de beoordeling
De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm daarvoor
is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt.
5.2 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Vanwege de
onderlinge samenhang van de eerste drie klachtonderdelen zal het college deze gezamenlijk
bespreken.
5.3 Klachtonderdelen a), b) en c)
Klaagster stelt dat de arts tijdens de consulten die gedurende de periode van februari
tot en met
juni 2024 hebben plaatsgevonden heeft gezegd dat hij niet wist wat er was gebeurd
en dat hij dat
ook niet hoefde te horen. Zij vermoedt dat de arts geen aantekeningen in het dossier
heeft
opgenomen over de door klaagster geschetste gang van zaken op haar werk. Ook heeft
hij haar geen
hulp geboden en geen actie ondernomen tegen het, volgens klaagster, fysieke en verbale
grensoverschrijdende gedrag op haar werk. Haar huisarts en de vertrouwenspersoon
hadden haar
aangeraden hulp te vragen aan de arts maar de arts heeft haar op geen enkel moment
hulp geboden. Op
een expliciet verzoek van klaagster aan de arts om haar werkgever aan te spreken
op het gestelde
ongewenste gedrag is geen opvolging gegeven. Klaagster twijfelt eraan of de arts
deze melding heeft
doorgegeven. De arts heeft ook geen informatie bij de huisarts opgevraagd.
5.4 De arts voert aan dat hij klaagster heeft gesproken over het incident en haar
beleving
daarvan. Hij betwist dat hij haar onvoldoende heeft gehoord. Hij heeft van de consulten
en de
inhoud van de gesprekken verslag gedaan en genoteerd welke acties daarop zijn genomen.
De arts
voert verder aan dat hij geen aanvullende signaleringsfunctie had omdat de werkgever
al op de
hoogte was van het incident en het verwijt van klaagster. Het is ook niet zijn taak
om zorg te
dragen voor een oplossing. Het ligt niet op de weg van de arts om de door klaagster
gestelde gang
van zaken als “grensoverschrijdend” aan te merken. Het is de taak van de arts om
te beoordelen of
een werknemer ziek is waarbij hij ook moet beoordelen of het werk de ziekte (mede)
heeft
veroorzaakt. De arts dient daarnaast te adviseren over de vraag of de werknemer
in staat is met
zijn klachten te werken en of er binnen het werk eventuele zaken dienen te worden
aangepast om dat
wel mogelijk te maken. De arts vindt dat hij deze rol goed heeft vervuld. Hij heeft
met klaagster
en de werkgever gesproken over de mogelijkheid om terug te keren op de werkplek.
Over discriminatie
en verbaal grensoverschrijdend gedrag heeft klaagster niet met de arts gesproken.
De arts betwist
verder het verwijt dat hij geen informatie bij de huisarts heeft opgevraagd.
5.5 Het college is van oordeel dat uit de verslagen in het overgelegde dossier blijkt
dat de arts
wist wat er speelde, welk incident had plaatsgevonden en dat er gesprekken en mediation
hadden
plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat de arts zich ervan bewust was dat klaagster
zich niet
gehoord voelde en zich onvoldoende geholpen voelde; hij heeft dit in zijn dossier
genoteerd.
Dat de arts niet, zoals klaagster kennelijk wenste, kon of wilde bevestigen dat
sprake is geweest
van pesten en intimiderend gedrag is niet verwijtbaar. Een bedrijfsarts dient te
beoordelen of een
werknemer ziek is en wat de oorzaak daarvan is. Ook dient hij te adviseren of de
werknemer in staat
is te werken met de klachten en of daarvoor aanpassingen op de werkplek nodig zijn.
De mate van
hulp en bevestiging die klaagster van de arts verwachtte behoort niet tot zijn taken.
Het college
heeft de indruk dat de verwachtingen die klaagster van de arts had te hoog gespannen
waren en niet
binnen het takenpakket van een bedrijfsarts passen. Mogelijk had de arts, voor zover
dit niet is
gebeurd, meer aandacht kunnen geven aan heldere informatie over de rol en taken
van een
bedrijfsarts, zodat klaagster haar verwachtingen van de arts had kunnen aanpassen.
Uit het dossier
kan dit niet worden opgemaakt.
Uit het dossier blijkt verder wel dat de arts opvolging heeft gegeven aan de verzoeken
van
klaagster voor zover dit passend was binnen zijn bevoegdheden. Dat hij de werkgever
niet op de
hoogte heeft gebracht van het incident, was omdat de werkgever dit al wist en dat
daar al een
mediationtraject aan was gewijd. Ook heeft de arts wel informatie bij de huisarts
gevraagd maar de
huisarts heeft deze niet verstrekt. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
5.6 Klachtonderdeel d)
Klaagster stelt dat de arts in zijn rapportage aan het UWV niet heeft vermeld wat
de oorzaak van
haar psychische klachten was. Het UWV heeft vervolgens op basis van onvolledige
en onjuiste
informatie geoordeeld dat klaagster niet ziek was. Als gevolg hiervan is haar arbeidsovereenkomst
beëindigd.
De arts heeft aangevoerd dat hij in zijn rapportage wel heeft benoemd wat de oorzaken
van de
klachten van klaagster waren. Hij heeft adequate informatie verstrekt. De WIA-documenten
zijn
vooral bedoeld voor een beoordeling van het RIV (om te zien of er geen re-integratiekansen
zijn
gemist gedurende de verzuimbegeleiding).
De arts heeft naar het oordeel van het college voldoende onderbouwd weerlegd dat
hij het UWV
onvolledig en onjuist zou hebben geïnformeerd. Hij heeft wel de oorzaken van haar
klachten benoemd.
Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.7 Al met al heeft de arts naar de genoemde maatstaven voldoende zorgvuldig gehandeld.
Van enig
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is het college niet gebleken. Uit de overwegingen
hiervoor
volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 23 december 2025 door J. Sap, voorzitter, H.W.M.M. Rieter-van
den
Bergh, lid-jurist, F.M. Brouwer, E.G. Ackema en J. Dogger, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris.