ECLI:NL:TGZRAMS:2025:303 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8723
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:303 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-12-2025 |
| Datum publicatie: | 19-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8723 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een chirurg. Voor wat betreft de aanvullende klacht betreffende het verstrekken van informatie over de seksuele geaardheid van klaagster, geldt dat deze meer dan tien jaar voor indiening van de klacht hebben plaatsgevonden. Klaagster is in dit onderdeel van de klacht (c) niet-ontvankelijk. Klachtonderdeel b over de schending van het medisch beroepsgeheim is ongegrond. Klachtonderdeel a ziet op onzorgvuldig/onjuist handelen van verweerder, omdat hij misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheid van klaagster en haar seksueel heeft misbruikt in haar woning en in de praktijk van de fysiotherapeut. Dit klachtonderdeel is gegrond. Hoewel de verklaringen van klaagster over de seksuele handelingen het college niet onaannemelijk voorkomen, kan het college niet onomstotelijk vast stellen dat deze (alle) hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft in de strafzaak de fysieke seksuele handelingen bewezenverklaard, tegen dit vonnis loopt thans hoger beroep. Noch daargelaten de uitkomst van het hoger beroep, is het college van oordeel dat ook zonder dat onherroepelijk komt vast te staan dat de betreffende fysieke seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, verweerder de grenzen van een professionele beroepsuitoefening ernstig heeft overschreden. Door klaagster het nummer van zijn privé-telefoon te geven, toe te laten dat het appverkeer een privékarakter met ook seksueel getinte apps kreeg en daarin ook een actieve rol te spelen, heeft verweerder volstrekt miskend dat er in de relatie tussen arts en zijn patiënt geen ruimte is om een dergelijke (intieme) relatie aan te gaan. Volgt een deels voorwaardelijke schorsing van negen maanden met oplegging van bijzondere voorwaarden. |
A2025/8723
Beslissing van 19 december 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 19 december 2025 op de klacht van:
A,
domicilie kiezende in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. N. Linotte, werkzaam in Haarlem,
tegen
C,
(trauma)chirurg,
destijds werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de chirurg,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Verweerder heeft in 2015 en 2016 terwijl hij de behandelend arts van klaagster
was, privé-contacten met haar onderhouden, met name door middel van intensief appverkeer
met ook een seksueel getinte lading. Volgens klaagster heeft verweerder hierdoor gehandeld
in strijd met de zorg die hij in zijn hoedanigheid als arts had behoren te betrachten
en met hetgeen hem als behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 juli 2025;
- de aanvullende stukken van klaagster, binnengekomen per e-mail van 22 juli 2025;
- het verweerschrift;
- de e-mail van 5 augustus 2025 van de gemachtigde van verweerder;
- de brief van de gemachtigde van verweerder met als bijlage aanvullende producties,
ontvangen op 8 oktober 2025;
- de brief van de gemachtigde van verweerder met als bijlage een aanvullende productie,
ontvangen op 14 oktober 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 oktober 2025;
- het aanvullende verweerschrift, ontvangen op 29 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 7 november 2025. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klaagster heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster, geboren in 1991, is op 21 juli en op 8 december 2015 door verweerder
geopereerd aan haar been nadat zij bij een val een breuk had opgelopen. Het behandeltraject
is op 5 januari 2016 beëindigd.
3.2 In verband hiermee is klaagster behandeld door een fysiotherapeut die gevestigd was op het terrein van het ziekenhuis waar verweerder destijds werkzaam was.
3.3 Na de eerste operatie heeft verweerder het nummer van zijn privé-telefoon aan klaagster gegeven.
3.4 Klaagster heeft vervolgens via Whatsapp contact met verweerder opgenomen. Waar dat contact aanvankelijk zag op de medische situatie van klaagster is dat app-verkeer overgegaan in (intensief) privé-contact en zijn uiteindelijk ook apps met seksueel getinte inhoud gewisseld. De gewisselde apps zijn niet bewaard gebleven.
3.5 Eind september 2015 heeft verweerder gepoogd om klaagster te koppelen aan een medewerkster van het ziekenhuis (D).
3.6 Op 6 november 2015 was er een feest van het ziekenhuis waar zowel verweerder, klaagster als voornoemde medewerkster aanwezig waren. Zij staan gedrieën op twee foto’s.
3.7 Medio 2016 is klaagster verhuisd naar E waarna het contact is verwaterd.
3.8 Op 4 maart 2021 heeft klaagster vanuit E bij de politie een melding gemaakt van seksuele handelingen tussen haar en verweerder in de periode waarin zij bij hem in behandeling was.
3.9 In 2022 heeft klaagster via Whatsapp weer contact gezocht met verweerder. Daarin zijn op 11 februari 2022 de volgende berichten gewisseld (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
- verweerder: Hoe is het qua grensoverschrijdend hedragingen op de set?
Wordt jij, als blonde knappe vrouw veel gevoelt en slecht bejegend?
Vast
- klaagster: Daar heb ik tegenwoordig geen last meer van. - klaagster: En verder heb ik er niemand over gehoord. - verweerder: Hoezo niet meer?? Alleen in het ziekenhuis bedoel je - klaagster: Idd. (….) - verweerder: Weet zelf niet meer wat te denken van alles…
- verweerder: Tegenwoordig (…)
- klaagster: Snap ik dat je niet zo goed weet tegenwoordig wat je ervan moet denken.
Ik heb er idd wel moeite mee gehad achteraf gezien. (…)
- verweerder: Dat vind ik oprecht heel rot Alle tijd?? We hebben elkaar best vaak gezien, denk ik (…)
- verweerder: Ik heb vooral gelachen om/met je
- verweerder: Ook al was de “relatie” vreemd. Ook met F erbij (…)
- klaagster: D bedoel je?
- klaagster: Het voelt een beetje gemengd. Ik heb ook zeker wel leuke momenten met je gehad maar over bepaalde dingen (je weet welke ; ) ) voelde ik wel dat het heel fout was en ik was ook wel een beetje bang dat je me niet meer zou helpen soms. (…)
En op 14 februari 2022 heeft verweerder geappt: (…) Ik was niet met je omdat ik dokter ben en jij patient. Ik weet dat dat niet zou mogen,
maar het mocht sowieso niet.
Begrijp je wat ik bedoel te zeggen?
En ik begrijp echt wat jij zegt, en ik snap ook nu hoe vervelend het voor jou geweest
kan zijn, nu je zegt dat je dubbel gevoel had. Maar omdat ik me niet zag als dokter
buiten (daar ziet niemand me zi, en zo gedraag ik me ook niet naar, denk ik) heb ik
nooit aan de dokter-patient relatie gedacht. Nooit. Nooit zoiets gevoeld. Ook niet
gemerkt aan jou
Wij samen was voor mijn beleving alleen fout vanwege mijn relatie thuis… (…)
3.10 Op 14 februari 2022 heeft klaagster een bericht bij verweerder ingesproken waarvan
een opname is gemaakt. Daarin zegt zij onder meer: (…) Of misschien weet je het echt niet meer, maar jij hebt dingen gezegd als “Jij komt
op de operatietafel en jij hebt alleen een operatiehesje aan, daaronder niks” of “Je
wil toch dat ik je help en opereer en dat je ooit weer loopt, dus als je me foto’s
stuur dan…”
(…)
Ik ben een patiënt, jij was een dokter, ik was aan de morfine. Ik was kwetsbaar,
dat had je gewoon niet mogen doen. Je had het gewoon niet mogen doen. En dat is het
enige wat ik van je wil horen. (…) Ik had jou niet op jouw fysio afspraak mogen komen
opzoeken en je dan aan mogen raken. Ik had niet naar je huis mogen komen en je mogen
vragen mij af te trekken. Ik had je niet om foto’s mogen vragen. Ik had die ook niet
terug mogen sturen. Dat is alles wat ik van je wil horen. Dat is wat ik van je wil
horen. Jij zat fout, heel fout. Of ik er nou in mee ging of niet (…)
3.11 Op 15 februari 2022 heeft verweerder bij klaagster een reactie ingesproken waarvan
ook een opname is gemaakt. Daarin zegt hij onder meer: (…) het is toch wel als een, gisteravond als een bom ingevallen. En na jouw ingesproken
verhaal, toen ik dat hoorde, want ik besefte toen eigenlijk pas echt wat ik gedaan
heb.
(….) maar ik schaamde mij natuurlijk kapot. Omdat ja, hebt gewoon gelijk. En het
was een heel hard, hard, ja wat je vertelde, hard verhaal.
(…) Ja, dat had gewoon echt nooit mogen gebeuren. In mijn positie moet ik dat gewoon
weten, ik was inderdaad de dokter en jij de patiënt. En dat kan niet.
(…) Dus ik denk dat fout zitten, dat besef ik nu echt wel. Dat dat nog licht uitgedrukt
is. En daar wil ik oprecht excuses voor aanbieden. (…)
3.12 Op 3 april 2022 heeft klaagster het appverkeer beëindigd.
3.13 Op 2 augustus 2024 heeft klaagster aangifte tegen verweerder gedaan betreffende seksueel misbruik in een afhankelijkheidsrelatie. Daarin heeft zij onder meer verklaard dat:
- het eerste seksuele contact met verweerder heeft plaatsgevonden toen zij bij de fysiotherapeut was;
- verweerder daar drie of vier keer is geweest en dat de aanrakingen tijdens meerdere bezoeken hebben plaatsgevonden;
- die aanrakingen bestonden uit het wrijven over haar borst en vagina, over de kleding heen;
- verweerder haar na een bedrijfsfeest naar huis heeft gebracht maar dat zij zich daar verder niets meer van kan herinneren;
- het seksuele contact bij klaagster thuis plaatsvond na de tweede operatie;
- verweerder bij haar thuis kwam om het verband te wisselen;
- verweerder haar bij die gelegenheid heeft gezoend en met zijn hand in haar onderbroek zat, terwijl zij hem heeft afgetrokken;
- klaagster bang was dat als zij niet meeging in zijn wensen, hij haar in zijn hoedanigheid van arts niet meer zou helpen.
3.14 Vervolgens heeft de politie verweerder gehoord, alsmede twee vriendinnen van klaagster (D en G) als getuigen. Verweerder heeft de fysieke seksuele handelingen ontkend. Hij is nooit bij klaagster thuis geweest om verband te wisselen: dat gebeurde in het ziekenhuis. Hij heeft klaagster één keer bij de fysiotherapeut opgezocht om haar knie door te bewegen.
3.15 Getuige D, die operatie-assistente was in het ziekenhuis waar verweerder destijds werkzaam was, heeft verklaard dat:
- hij haar eind september 2015 met klaagster in contact had gebracht omdat zij allebei
op vrouwen vielen;
- zij heeft gezien dat verweerder klaagster na het OK feest op 6 november 2015 naar
huis bracht;
- zij daar een raar gevoel over had;
- zij in 2021 van klaagster hoorde dat zij op de avond van het feest seksuele handelingen bij verweerder had verricht.
3.16 Getuige G heeft verklaard dat:
- zij in november 2015 hoorde van het contact tussen klaagster en verweerder en ook enkele van de flirterige apps tussen hen heeft gezien;
- zij van klaagster had gehoord dat verweerder bij haar thuis was geweest en dat klaagster iets met zijn penis had gedaan;
- zij achteraf heeft gehoord dat verweerder ook in de praktijk van de fysiotherapeut aan klaagster had gezeten.
3.17 De aangifte heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging van verweerder. Bij vonnis van 15 juli 2025 is verweerder veroordeeld tot betaling van een boete van € 5.000 en tot schadevergoeding aan klaagster wegens: werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verweerder in de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 juli 2016 te B terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met klaagster, die zich als patiënt aan verweerders zorg had toevertrouwd, door klaagster meermaals aan haar borsten en vagina te voelen en eenmaal te zoenen en hem te laten aftrekken.
3.18 Verweerder en het Openbaar Ministerie zijn van het strafvonnis in hoger beroep gegaan.
3.19 Eind 2024 heeft klaagster een melding van grensoverschrijdend gedrag tijdens de behandelrelatie bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gedaan. Het onderzoek is nog niet afgerond.
3.20 Op 11 december 2024 heeft de IGJ opdracht gegeven aan het ziekenhuis waar verweerder destijds werkzaam was om de melding van klaagster te onderzoeken. Dit heeft geleid tot een rapport van een onafhankelijke onderzoekscommissie die klaagster, verweerder en drie getuigen/informanten heeft gehoord. De commissie heeft geconcludeerd dat: - naast de arts-patiënt relatie tussen partijen een andere relatie bestond die voornamelijk bestond uit uitgebreid app-verkeer over en weer en dat dit ook flirterig en uitdagend van aard was;
- niet onomstotelijk kan worden vastgesteld of er al dan niet seksueel getinte foto’s en video’s via de telefoon zijn gewisseld;
- niet kan worden vastgesteld dat in de praktijk van de fysiotherapeut seksuele handelingen hebben plaatsgevonden;
- het niet onaannemelijk is dat klaagster met betrekking tot de seksuele handelingen die volgens haar bij haar thuis hebben plaatsgevonden, de waarheid spreekt.
Volgens de commissie gaven de reacties van verweerder weinig vertrouwen dat hij de ernst van de situatie goed inziet en dat dit niet nog een keer kan gebeuren.
3.21 Per 21 juli 2025 heeft het ziekenhuis verweerder de toegang tot het ziekenhuis ontzegd. Het samenwerkingsverband tussen verweerder en het ziekenhuis is ontbonden.
3.22 Per 1 augustus 2025 heeft verweerder zich onder psychologische behandeling gesteld.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Volgens klaagster heeft verweerder onzorgvuldig/onjuist gehandeld, omdat hij
misbruik heeft gemaakt van haar afhankelijkheid en haar seksueel heeft misbruikt in
haar woning en in de praktijk van de fysiotherapeut. Hierdoor heeft hij de vertrouwensband
geschonden, gezorgd voor een onveilige behandelrelatie, de lichamelijke integriteit
van klaagster geschonden en is hij haar persoonlijke levenssfeer binnengetreden (klachtonderdeel
a).
4.2 In haar aanvullend klaagschrift heeft klaagster aangevoerd dat: - verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden door via social media mevrouw H te laten weten dat hij de arts is die klaagster in 2015 heeft behandeld, hij door haar is aangeklaagd wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag en dat hij informatie hierover wil ontvangen (klachtonderdeel b); - persoonlijke informatie van klaagster zoals haar seksuele geaardheid aan zijn collega D heeft doorgegeven met de intentie om beide vrouwen te koppelen (klachtonderdeel c).
4.3 Verweerder heeft het appverkeer en de ongepastheid daarvan erkend. Hij realiseert zich ook dat hij ernstig grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond en dat daaraan een tuchtrechtelijke maatregel verbonden zal worden. Hij verzoekt het college rekening te houden met enkele nog nader te noemen omstandigheden. Verweerder ontkent met klem dat fysieke seksuele handelingen tussen hem en klaagster (bij haar thuis of in de praktijk van de fysiotherapeut) hebben plaatsgevonden.
4.4 Verweerder betwist dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden. In verband met het hoger beroep van de strafzaak is hij op zoek gegaan naar bewijs ter ondersteuning van zijn verklaringen. In dat kader heeft hij H benaderd die, naar hij had begrepen, al op de hoogte was van de aanklacht. Hij heeft haar niets verteld wat zij niet al wist.
4.5 Ten slotte voert verweerder aan dat de klacht betreffende het koppelen van klaagster aan D (volgens hem op verzoek van klaagster zelf) is ingediend buiten de verjaringstermijn van tien jaar.
4.6 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Is de klacht ontvankelijk?
5.1 Voor wat betreft de aanvullende klacht betreffende het verstrekken van informatie
over de seksuele geaardheid van klaagster aan D teneinde de beide vrouwen te koppelen,
geldt dat deze feiten blijkens de verklaring van D bij de politie eind september 2015
hebben plaatsgevonden. Dat is meer dan tien jaar voor indiening van de klacht (met
het aanvullende klaagschrift op 22 oktober 2025), zodat deze buiten de vervaltermijn
ligt. Het college zal deze klacht (klachtonderdeel c) daarom niet inhoudelijk bespreken.
Klaagster is niet-ontvankelijk in dit onderdeel van de klacht. De overige klachten
zijn wel tijdig ingediend en zullen hierna inhoudelijk worden besproken.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend chirurg. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a: Onzorgvuldig handelen
5.3 Vaststaat dat tijdens de behandelrelatie tussen verweerder en klaagster uitvoerig en intensief appverkeer tussen hen heeft plaatsgevonden. Dit appverkeer had niets te maken met de medische situatie van klaagster, maar had een privékarakter en was ook flirterig of seksueel getint. Verweerder erkent dat hij hiermee de grenzen van zijn professionele beroepsuitoefening ernstig heeft overschreden.
5.4 Ook staat vast dat verweerder een of meerdere keren jegens klaagster heeft opgemerkt dat als zij op de operatietafel zou liggen, zij niets onder haar operatiehesje aan zou hebben (of woorden van gelijke strekking). Verweerder heeft erkend dat hij dergelijke “grapjes” heeft gemaakt en heeft ter zitting erkend dat dergelijke opmerkingen volstrekt ongepast zijn in een relatie tussen een arts en zijn patiënt.
5.5 Of in het appverkeer ook seksuele foto’s en video’s zijn gewisseld kan niet onomstotelijk worden vastgesteld, omdat de apps niet meer aanwezig zijn en verweerder dit ontkent, althans zich niet kan herinneren. Maar ook als er van uit moet worden gegaan dat dit niet is gebeurd, doet dit niet af aan de ernst van de gedragingen die wel hebben plaatsgevonden (zie r.o. 5.3. en 5.4.).
5.6 Over de fysieke seksuele handelingen heeft klaagster ter zitting aangegeven dat: - het seksuele contact bij de fysiotherapeut plaats vond in de oefenzaal toen zij in een hoek daarvan aan het trainen was op een fitness-apparaat ter versterking van de beenspieren en de fysiotherapeut in een ander deel van de zaal bezig was;
- verweerder ook één maal in de behandelkamer is geweest en toen samen met de fysiotherapeut haar knie heeft doorbewogen;
- zij denkt dat het seksuele contact bij haar thuis heeft plaatsgevonden tussen de
twee operaties in;
- verweerder toen bij haar thuis kwam om haar wond te verzorgen en haar verband
te verwisselen.
5.7 Verweerder, die de fysieke seksuele handelingen stellig ontkent, heeft hierover ter zitting verklaard dat: - de fysiotherapiepraktijk weliswaar op het ziekenhuisterrein maar buiten het ziekenhuis lag en hij circa 200 meter moest lopen om daar te komen; - hij klaagster nooit in de oefenzaal heeft gezien en zijn rooster destijds (’s morgens gipskamer, ’s middags spreekuur) het ook niet mogelijk maakte om even naar de fysiotherapiepraktijk te lopen; - hij de knie van klaagster samen met de fysiotherapeut in diens behandelkamer heeft doorbewogen waarvoor ook een afspraak met hem was gemaakt; - hij zelf geen wondverzorgingen bij patiënten doet en zeker niet bij patiënten thuis; - hij uit het dossier van klaagster heeft opgemaakt dat de hechtingen die waren gebruikt vanzelf oplosten en er geen wondproblemen zijn geweest, zodat ook geen wondverzorging heeft hoeven plaatsvinden.
5.8 Hoewel de verklaringen van klaagster over de seksuele handelingen het college, mede in het licht van de inhoud van het appverkeer in 2022, de audiobestanden uit 2022 en de getuigenverklaringen niet onaannemelijk voorkomen, kan het college, gezien het voorgaande (r.o. 5.6. en 5.7.) niet onomstotelijk vast stellen dat deze (alle) hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft in de strafzaak de fysieke seksuele handelingen bewezenverklaard, tegen dit vonnis loopt thans hoger beroep.
5.9 Noch daargelaten de uitkomst van het hoger beroep, is het college van oordeel dat ook zonder dat onherroepelijk komt vast te staan dat de betreffende fysieke seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, verweerder de grenzen van een professionele beroepsuitoefening ernstig heeft overschreden. Door klaagster het nummer van zijn privé-telefoon te geven, toe te laten dat het appverkeer een privékarakter met ook seksueel getinte apps kreeg en daarin ook een actieve rol te spelen, heeft verweerder volstrekt miskend dat er in de relatie tussen arts en zijn patiënt geen ruimte is om een dergelijke (intieme) relatie aan te gaan. Er is immers sprake van een ongelijkwaardige verhouding waarin de patiënt zich in een afhankelijke, kwetsbare positie bevindt. Met zijn “foute grapjes” (zie r.o. 5.4) heeft verweerder die kwetsbaarheid en afhankelijkheid zelf treffend geïllustreerd.
5.10 Dat klaagster destijds mogelijk instemde met hetgeen zich tussen haar en verweerder afspeelde, maakt het voorgaande niet anders. Zolang de behandelrelatie voortduurde (en ook nog daarna) was het verweerder niet toegestaan om een dergelijke relatie met klaagster te beginnen, zoals ook volgt uit de IGJ-brochure “Het mag niet, het mag nooit”. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de instemming van klaagster geheel of gedeeltelijk was ingegeven door de angst dat verweerder de behandeling niet of niet goed zou uitvoeren als zij niet meewerkte. Er was immers sprake van een ongelijkwaardige verhouding waarin klaagster zich in een afhankelijke en kwetsbare positie bevond. Op voorhand moet het voor verweerder uit hoofde van zijn functie al duidelijk zijn geweest dat klaagster schade zou kunnen ondervinden van hetgeen zich tussen hen heeft afgespeeld. Uit de verklaringen van klaagster en de door haar overgelegde medische stukken blijkt ook dat die schade daadwerkelijk is opgetreden.
5.11 Al het voorgaande betekent dat het klachtonderdeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij in zijn hoedanigheid als arts had behoren te betrachten en in strijd met hetgeen hem als behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt, gegrond is.
Klachtonderdeel b: Schending beroepsgeheim
5.12 Het medisch beroepsgeheim houdt in dat een arts moet zwijgen over alles wat
hij bij de uitoefening van zijn functie te weten komt over een patiënt. Volgens klaagster
heeft verweerder dit beroepsgeheim geschonden door recentelijk via social media contact
te zoeken met H, een vriendin van klaagster. In dat contact heeft hij kenbaar gemaakt
dat: - hij de arts is die klaagster in 2015 heeft behandeld; - hij door klaagster
is aangeklaagd voor seksueel overschrijdend gedrag; - hij dit niet snapt omdat het
contact destijds vriendelijk was en er geen onvertogen woord ooit is geweest; - hij
niet begrijpt waarom klaagster hem aanklaagt; - hij kapot is gemaakt; - hij antwoorden
en informatie zoekt. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat hij hierdoor zijn beroepsgeheim
heeft geschonden.
5.13 Het college is van oordeel dat alleen de mededeling dat hij de arts was die in 2015 klaagster heeft behandeld, een schending van het beroepsgeheim zou kunnen opleveren. De overige mededelingen betreffen geen kwesties die verweerder tijdens de uitvoering van zijn werk over klaagster te weten is gekomen en zien vooral op de wijze waarop hij de aanklacht betreffende het seksueel overschrijdende gedrag heeft ervaren. Met die mededelingen heeft verweerder dus niet het medisch beroepsgeheim geschonden. Dat laatste geldt ook voor zijn eerste mededeling, omdat vaststaat dat H destijds ook al een vriendin van klaagster was en erbij was toen klaagster het ongeluk kreeg waardoor zij zich onder behandeling van verweerder moest stellen. Zij was ook op de hoogte van het contact dat klaagster en verweerder destijds onderhielden. Gelet op de wetenschap die H dus al had, kan niet worden gezegd dat verweerder jegens haar zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Dit klachtonderdeel is dus ongegrond.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a gegrond is, klachtonderdeel
b ongegrond is en dat klaagster niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel c.
Maatregel
5.15 Zoals hiervoor al is overwogen, levert de gegronde klacht een ernstige overschrijding
van de professionele beroepsuitoefening op. Daarbij past ook een zware maatregel.
Het baart het college verder zorgen dat verweerder weliswaar nu zegt in te zien dat
de relatie die hij met klaagster had niet past bij die tussen arts en patiënt, maar
dat hij daar destijds helemaal geen oog voor had. Hij vond toen dat die relatie alleen
fout was wegens zijn situatie thuis en was helemaal uit het oog verloren dat hij de
behandelend arts van klaagster was en zij zich als zodanig in een afhankelijk positie
bevond. Verder lijkt hij de ernst van zijn fout (aanvankelijk) te hebben onderschat:
toen in verband met deze kwestie al verschillende onderzoeken liepen, heeft hij dit
lange tijd verborgen gehouden voor het ziekenhuis waar hij werkzaam was en voor zijn
partner. Pas nadat hij strafrechtelijk was veroordeeld en hem de toegang was ontzegd
tot het ziekenhuis waar hij werkzaam was, heeft hij zich onder psychologische behandeling
gesteld. Gelet hierop moet de op te leggen maatregel eraan bijdragen dat verweerder
onder meer inzicht krijgt in de noodzaak om persoonlijke en professionele grenzen
te stellen binnen of vlak na een behandelrelatie, opdat mogelijke herhaling wordt
voorkomen.
5.16 Bij het opleggen van de maatregel houdt het college, in het voordeel van verweerder, ook rekening met de volgende omstandigheden. De grensoverschrijdende gedragingen hebben tien jaar geleden plaatsgevonden. Niet is gebleken dat verweerder zich sindsdien vaker daaraan heeft schuldig gemaakt. Verweerder is ook niet eerder met het tuchtrecht in aanraking gekomen. Het aan het licht komen van de grensoverschrijdende gedragingen heeft grote gevolgen voor verweerder gehad. Hij is onderwerp van meerdere onderzoeken geworden en strafrechtelijk veroordeeld. Ook is hij zijn werk kwijtgeraakt. Ten slotte heeft verweerder, weliswaar pas in een laat stadium, wel psychologische hulp gezocht om meer inzicht in zijn gedragingen te krijgen.
5.17 Al het voorgaande maakt dat aan verweerder een schorsing zal worden opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.
Publicatie
5.18 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen
leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
Kostenveroordeling
5.19 Klaagster heeft verzocht verweerder te veroordelen in de kosten die zij heeft
gemaakt in deze procedure. Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en
een maatregel wordt opgelegd, kan het college verweerder veroordelen in de proceskosten.
Het college ziet aanleiding dat in dit geval te doen en zal daarom het verzoek om
een proceskostenveroordeling toewijzen. Nu klaagster met een toevoeging procedeert
op basis waarvan de werkelijke proceskosten € 176,00 bedragen, zal dat bedrag worden
toegewezen.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel c;
- verklaart klachtonderdeel a gegrond;
- schorst de bevoegdheid van verweerder om de aan de inschrijving in het register
verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van negen maanden;
- beveelt dat zes maanden van deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd,
tenzij het college later anders mocht bepalen omdat verweerder voor het einde van
een proeftijd van twee jaren:
a) zich heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met de goede
zorg die hij als arts behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk
beroepsbeoefenaar betaamt; en
b) zich niet heeft gehouden aan de navolgende bijzondere voorwaarden, te weten dat:
1. verweerder zich onder behandeling blijft stellen van de door hem ingeschakelde
klinisch psycholoog;
2. verweerder de Inspectie uiterlijk drie maanden na het ingaan van de proeftijd
informeert over de met voornoemde psycholoog concreet geformuleerde behandeldoelen
waarvan tenminste deel uitmaakt: het verwerven van inzicht in de factoren die hebben
bijgedragen aan het onprofessionele en (seksueel) grensoverschrijdende gedrag, het
scheppen van randvoorwaarden die bijdragen aan het voorkomen van dergelijk gedrag
in de toekomst en het versterken van zijn beroepsethiek;
3. verweerder gedurende de proeftijd in ieder geval één keer per maand een gesprek
voert met de psycholoog;
4. verweerder de Inspectie iedere drie maanden, uiterlijk door de Inspectie ontvangen
op de eerste van de volgende maand, te starten drie maanden na het ingaan van de proeftijd,
schriftelijk informeert over de voortgang. Deze informatie dient in ieder geval te
bevatten, de aard, de inhoud en de frequentie van de gesprekken evenals het behandelplan
en de voortgang daarvan;
5. verweerder aan de psycholoog toestemming geeft dat de Inspectie bij de psycholoog
informatie kan inwinnen over de voortgang, de aard, de inhoud en de frequentie van
de gesprekken;
6. verweerder aan de psycholoog de schriftelijke toestemming geeft om de Inspectie
direct te informeren, zodra de behandeling is afgebroken of gestopt;
7. verweerder de Inspectie door middel van een door de psycholoog ondertekende en
onderbouwde verklaring informeert indien de psycholoog voor het verstrijken van de
proeftijd van mening is dat de met de behandeling te behalen doelen zijn bereikt;
8. verweerder de Inspectie ervan op de hoogte stelt als hij voornemens is zijn werk
als arts te hervatten;
- bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk is
geworden;
- bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat verweerder
in het
register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit te
oefenen;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de hierboven vastgestelde kosten van klaagster tot een
bedrag van € 176,00 en bepaalt dat verweerder dit bedrag - nadat deze uitspraak onherroepelijk
is geworden - dient te voldoen op de bankrekening van de advocaat van klaagster binnen
een maand nadat deze hem schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling
van de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort, heeft laten weten;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch
Contact.
Deze beslissing is gegeven door J.J. Dijk, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, J.C. Goslings, J.F. Hamming en D. Boerma, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.