ECLI:NL:TGZRAMS:2025:302 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8068
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:302 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-12-2025 |
| Datum publicatie: | 16-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8068 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een psychotherapeut. Het college stelt dat niet kan worden gezegd dat klager de klacht alleen aanhangig heeft gemaakt om in contact te komen met de psychotherapeut en concludeert dat klager ontvankelijk is in zijn klacht. Het klachtonderdeel a) dat ziet op de gestelde diagnose is gegrond. Voor de classificatie ‘persoonlijkheidsstoornis’ heeft de psychotherapeut onvoldoende onderzoek verricht. Ook klachtonderdeel b) is gegrond. Weliswaar heeft de psychotherapeut intercollegiaal overleg gevoerd, maar dit vormt naar het oordeel van het college onvoldoende basis voor de gekozen uitbreiding van de ingestoken curatieve therapie, juist op een moment dat klager had aangegeven te willen stoppen. Klachtonderdeel c) is ook gegrond. Gelet op de achtergrond van klager en diens hulpvraag, acht het college de gekozen therapievorm en setting, waarbij onder meer rolvervaging optrad, niet verantwoord noch acceptabel. Blijkens het behandeldossier heeft de psychotherapeut te weinig gedaan om haar rol in het kader van de imaginaire rescripting binnen de therapie te begrenzen. Verder is voor het college genoegzaam vast komen te staan dat de psychotherapeut klager heeft overvallen door, in weerwil van eerder gemaakte afspraken, de behandeling feitelijk eenzijdig te beëindigen, ondanks de wetenschap dat klager een terugval had en er op dat moment bij hem nog behoefte bestond aan het voortzetten van de behandeling. Daarmee zijn klachtonderdelen d), e) en f) gegrond. Tot slot komt het college tot de conclusie dat de psychotherapeut bij het doen van aangifte tegen klager informatie heeft verstrekt die onder haar geheimhoudingsplicht viel, maar dat daarvoor een rechtvaardiging bestond. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond dan wel behoeven geen nadere bespreking meer omdat ze minder relevant zijn voor de aard en omvang van de klacht, dan wel, reeds bij de andere klachtonderdelen in voldoende mate zijn behandeld. Volgt een waarschuwing, mede gezien de ernstige gevolgen die de psychotherapeut heeft ondervonden aan het geschil met klager. |
A2025/8068
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 16 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
tegen
C,
psychotherapeut,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de psychotherapeut, gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam
in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft een aantal klachten over de psychotherapeut ingediend, bij wie
hij tussen 2019
en 2022 onder behandeling heeft gestaan. De belangrijkste klachten van klager gaan
over het
toebrengen van psychologische schade, grensoverschrijdende omgang met overdrachtsgevoelens,
een
onethische beëindiging van de therapie, de weigering tot het maken van excuses en
het schenden van
het beroepsgeheim door de psychotherapeut.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de psychotherapeut tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld en acht de klacht gedeeltelijk gegrond. Hierna vermeldt het college eerst
hoe de
procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 februari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- een brief van de gemachtigde van verweerster met als bijlage de relevante informatie
uit het
behandeldossier, binnengekomen op 19 mei 2025;
- het proces-verbaal van het op 11 juni 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- een aanvulling van klager van 4 juli 2025 op het proces-verbaal van het mondeling
vooronderzoek;
- de akte uitlating verweerster na mondeling vooronderzoek, ingediend door de
gemachtigde van verweerster, binnengekomen op 21 juli 2025;
- een brief van klager van 29 juli 2025;
- een brief van de gemachtigde van verweerster, binnengekomen op 15 oktober 2025,
met bijlage;
- een brief van klager met bijlage, binnengekomen op 16 oktober 2025;
- een brief van klager met bijlage, binnengekomen op 21 oktober 2025;
- een brief van klager, binnengekomen op 23 oktober 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 november 2025. De partijen
zijn verschenen,
waarbij verweerster door middel van een videoverbinding is verschenen. De partijen
en hun
gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klager en de gemachtigde
van verweerster
hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Na een intakeprocedure in 2018 is klager in januari 2019 een psychoanalytisch
behandeltraject
gestart bij de psychotherapeut. De hulpvraag van klager zag hoofdzakelijk op het
verminderen van
spannings- en angstklachten (“gegeneraliseerde angststoornis”). Voorafgaand aan
het behandeltraject
bij de psychotherapeut is klager door middel van cognitieve gedragstherapie behandeld
bij D.
3.2 Aanvankelijk vonden de behandelsessies tussen klager en de psychotherapeut één
keer per week
plaats. Na omstreeks een jaar, eind 2019/begin 2020, vond er na een door de psychotherapeut
ingewonnen intercollegiaal overleg (mdo), een evaluatiemoment plaats en heeft de
psychotherapeut
voorgesteld om de therapie uit te breiden naar twee behandelsessies per week. Hoewel
klager rond
datzelfde tijdstip aan de psychotherapeut te kennen gaf te willen stoppen met de
therapie omdat
zijn klachten waren afgenomen, heeft klager op advies van de therapeut toch met
intensivering van
de behandeling ingestemd.
3.3 Tijdens deze intensievere fase van de therapie kwam een psychoanalytisch proces
op gang,
waarin door de psychotherapeut overdrachtelijke gevoelens en verlangens in de behandeling
werden
aangemoedigd. Ook werd binnen de behandeling gebruik gemaakt van een imaginaire
techniek, ook wel
‘imaginaire rescripting’ genoemd, een techniek waar psychotherapeut niet in opgeleid
was. In deze
periode kwam bij klager de wens op om aan het einde van de behandelsessies een afscheidsknuffel
van
de psychotherapeut te ontvangen. Dat heeft de psychotherapeut steeds geweigerd.
3.4 Begin 2022 is de frequentie van de behandelingen weer teruggebracht naar één
keer per week.
Omdat het beter met klager leek te gaan, hebben klager en de psychotherapeut toen
gesproken over
afronding van de therapie aan het eind van het jaar 2022.
3.5 Omstreeks september 2022 hebben de psychotherapeut en klager de concrete wijze
van
beëindiging van de therapie met elkaar besproken. Aanvankelijk werd de datum van
16 december 2022 gekozen als laatste behandelingsessie. Omdat het in die periode echter
niet goed ging met klager en er sprake was van ontregeling, werd besloten om de sessie
op 16 december 2022 aan te wenden om met elkaar te bespreken hoe het einde van de
behandeling het beste kon worden vormgegeven.
3.6 Tijdens de daaropvolgende behandeling op 16 december 2022 herleefde bij klager
de boosheid
over het feit dat de psychotherapeut hem ook bij het beëindigen van de therapie
geen
afscheidsknuffel wilde geven. Volgens klager zou de psychotherapeut hem dat eerder
wel hebben
beloofd. Dit bracht klager tot een woede-uitbarsting. Hij heeft toen een kussen
naar de
psychotherapeut gegooid. Diezelfde dag heeft klager hiervoor zijn excuses aan de
psychotherapeut
aangeboden, waarna de psychotherapeut klager heeft gevraagd na te denken over het
vervolg van de
therapie. Bij een daaropvolgend telefoongesprek een week later, heeft klager aangegeven
de therapie
graag te willen continueren. Klager heeft de psychotherapeut daarna, omstreeks eind
december 2022,
herhaaldelijk benaderd met
e-mails en telefoontjes, ondanks het verzoek van de psychotherapeut dat niet te
doen.
3.7 De psychotherapeut heeft klager kort daarna laten weten de therapie daadwerkelijk
te willen
beëindigen, en wel op 27 januari 2023. Op 27 januari 2023 hebben de psychotherapeut
en klager een
online afrondingsgesprek met elkaar gevoerd. Daarmee kwam de behandeling van klager
door de
psychotherapeut tot een einde.
3.8 In februari 2023 is klager gestart met een behandeltraject bij een psychotherapeut in E in F.
3.9 Na beëindiging van de behandelingsrelatie tussen klager en de psychotherapeut
heeft er een
periode van ‘stalking’ door klager plaatsgevonden, gericht op het voortzetten van
de behandeling
van klager door de psychotherapeut. Bij bericht van 2 maart 2023 heeft de psychotherapeut
klager
laten weten niet in te zullen gaan op zijn verzoeken en al het contact met klager
af te willen
sluiten. Niettemin bleef klager de psychotherapeut benaderen, en later ook de praktijk
en partner
van de psychotherapeut.
3.10 Op 17 april 2023 is klager een klacht- en bemiddelingsprocedure tegen de psychotherapeut
gestart bij de LVVP, de Landelijke Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen en
Psychotherapeuten.
Hierop heeft de psychotherapeut schriftelijk gereageerd en aangegeven dat zij een
gesprek tussen
klager en haarzelf niet wenselijk achtte. De klachtenfunctionaris van de LVVP volgde
de
psychotherapeut in die opvatting. In juni 2023 kwam de klachtprocedure bij de LVVP
tot een einde.
3.11 Omdat klager de psychotherapeut ook hierna bleef benaderen met berichten, telefoontjes
en
verzoeken en zij zich hierdoor bedreigd voelde, heeft de psychotherapeut op 4 november
2023
aangifte van belaging gedaan bij de politie. Bij vonnis van 1 oktober 2024 is klager
door de
politierechter van de rechtbank Amsterdam strafrechtelijk veroordeeld en is hem
gedurende een
proeftijd van twee jaar een contactverbod opgelegd.
4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut
4.1 Volgens klager heeft de psychotherapeut onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:
a) zonder voldoende onderbouwing een onjuiste diagnose heeft gesteld;
b) zonder indicatie de therapie heeft geïntensiveerd;
c) op grensoverschrijdende wijze met overdrachtsgevoelens is omgegaan;
d) valse verwachtingen heeft gecreëerd;
e) de therapie op abrupte en onethische wijze heeft beëindigd;
f) geen redelijke termijn heeft verleend om de beëindiging te verwerken;
g) haar zorg- en verwijzingsplicht niet is nagekomen;
h) de klachtenprocedure gebrekkig heeft afgehandeld;
i) haar beroepsgeheim heeft geschonden;
j) heeft geweigerd om verantwoordelijkheid te nemen en excuses aan te bieden;
k) behandeltechnieken onzorgvuldig heeft ingezet;
l) psychologische schade heeft toegebracht.
In het klaagschrift is klager (vooral ook in de bijlagen) zeer uitvoerig ingegaan
op hetgeen
verweerster in zijn ogen valt te verwijten. Hij heeft dat ter zitting ook erkend.
Desondanks blijft
hij bij de door hem aangevoerde twaalf klachtonderdelen. Het college heeft echter
aanleiding gezien
om sommige klachtonderdelen (vanwege de onderlinge samenhang) samen te voegen en
op deze wijze te
gespreken.
4.2 De psychotherapeut heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de
klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk
gaat beoordelen, heeft de psychotherapeut het college verzocht de klacht ongegrond
te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Is de klacht ontvankelijk?
5.1 Allereerst dient te worden beoordeeld of klager in zijn klacht kan worden
ontvangen. Naar het
oordeel van het college is dit het geval en het zal hierna uitleggen waarom. Namens
de
psychotherapeut is naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht.
De
psychotherapeut heeft ter motivering van haar standpunt aangevoerd dat klager met
zijn klacht niet
tot doel heeft het bewaken en bevorderen van de individuele gezondheidszorg, maar
de klacht
uitsluitend heeft ingediend om het hem door de strafrechter opgelegde contactverbod
met verweerster
te omzeilen en op deze wijze met verweerster in contact te komen en excuses van
haar te eisen.
Volgens de psychotherapeut moet de klacht van klager daarom als misbruik van recht
worden
gekwalificeerd en kan hij om die reden niet worden ontvangen in zijn klacht.
5.2 Gelet op de inhoudelijke beoordeling van de verschillende klachtonderdelen (hierna
onder 5.5
en verder), stelt het college vast dat de klacht van klager over de door de psychotherapeut
aan hem
geboden zorg - voor een belangrijk deel - doel treft. Daarmee is naar het oordeel
van het college
de klacht op meerdere onderdelen gegrond. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat
klager de klacht
alleen aanhangig heeft gemaakt om (in strijd met het door de strafrechter opgelegde
contactverbod)
in contact te komen met de psychotherapeut.
5.3 Het college is om voormelde reden van oordeel dat de klacht onder de reikwijdte
van de
zogenoemde eerste tuchtnorm van artikel 47, lid 1 onder a van de Wet BIG valt (dat
wil zeggen:
handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar behoort te betrachten
ten
opzichte van zijn patiënt en diens naaste betrekkingen), en daarmee geen misbruik
van recht
oplevert. Het college concludeert dat klager ontvankelijk is in zijn klacht, en
zal de klacht
daarom inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.4 De vraag is of de psychotherapeut de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut.
Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere
professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) zonder voldoende onderbouwing een (onjuiste) diagnose gesteld
5.5 Klager verwijt de psychotherapeut dat zij zonder voldoende onderbouwing bij
hem de diagnose
‘persoonlijkheidsstoornis’ heeft gesteld. Volgens klager werd de diagnose gebaseerd
op speculaties
en aannames van de psychotherapeut zonder dat zij voor de gestelde classificatie
afdoende
psychologische diagnostiek heeft toegepast. De psychotherapeut heeft hiertegen naar
voren gebracht
dat ten tijde van de behandeling voldoende criteria naar voren kwamen die pasten
bij de
classificatie persoonlijkheidsstoornis volgens de DSM-5.
5.6 Het klachtonderdeel dat ziet op de gestelde diagnose is naar het oordeel van
het college
gegrond. Voor de classificatie ‘persoonlijkheidsstoornis’ heeft de psychotherapeut
onvoldoende
onderzoek verricht. Op basis van haar beperkte onderzoek had de psychotherapeut
niet tot deze
vergaande classificatie kunnen komen. Dit oordeel vindt bevestiging in de latere
bevindingen van de
opvolgende psychotherapeutisch behandelaar op basis van daadwerkelijk verricht diagnostisch
onderzoek én in het verslag van de GZ-psycholoog die op verzoek van justitie onderzoek
naar klager
heeft verricht.
Klachtonderdeel b) zonder indicatie de therapie geïntensiveerd
5.7 Klager verwijt de psychotherapeut onnodige en niet-geïndiceerde opschaling
en intensivering
van de therapie. Volgens klager ging het ongeveer een jaar na de start van de behandeling
door de psychotherapeut beter met hem en wilde hij op dat moment juist komen tot beëindiging
van de therapie. Om voor klager onduidelijke redenen stelde de psychotherapeut toen
een intensivering van het psychotherapeutisch traject voor. Volgens de psychotherapeut
was uitbreiding van de therapie nodig, omdat de gesprekken in haar beleving te oppervlakkig
bleven en klager de neiging had om afstand te houden tot kwetsbare gevoelens in zichzelf
en in het contact. De
psychotherapeut had het voorstel tot intensivering van de behandeling in een intercollegiaal
overleg besproken.
5.8 Het college acht ook dit klachtonderdeel gegrond. Weliswaar heeft de psychotherapeut
intercollegiaal overleg gevoerd, maar dit vormt naar het oordeel van het college
onvoldoende basis
voor de gekozen uitbreiding van de ingestoken curatieve therapie, juist op een moment
dat klager
had aangegeven te willen stoppen. Het feit dat klager hiervoor toestemming gaf,
maakt dit oordeel
niet anders. Klager kon het belang en de reikwijdte van de intensivering niet overzien.
Het had
veeleer op de weg van de psychotherapeut gelegen om de behandeling te staken nu
de (belangrijkste)
aanleiding daarvoor op dat moment was verdwenen.
Klachtonderdeel c) op grensoverschrijdende wijze met overdrachtsgevoelens omgegaan
5.9 Met klachtonderdeel c) verwijt klager de psychotherapeut persoonlijke- en
overdrachtsgevoelens met hem te hebben gedeeld, hetgeen bij klager heeft geleid
tot rolverwarring
en een ongezonde afhankelijkheid van de psychotherapeut. Volgens klager heeft de
psychotherapeut
daarmee professionele grenzen overschreden.
5.10 Het klachtonderdeel dat ziet op grensoverschrijdend gedrag door de psychotherapeut
is naar
het oordeel van het college eveneens gegrond.
5.11 Klager heeft in zijn klaagschrift en tijdens het mondeling vooronderzoek voorbeelden
aangevoerd van vermeend grensoverschrijdend gedrag door de psychotherapeut, waaronder
bijvoorbeeld
de stelling dat de psychotherapeut intieme details en gevoelens met hem deelde,
dat zij zou hebben
gezegd dat haar gevoelens voor klager vergelijkbaar (doch anders) waren met die
voor haar eigen
kinderen en andere grensoverschrijdende uitspraken. De psychotherapeut heeft betwist
dat ze
bedoelde uitspraken (op de door klager geciteerde wijze) heeft gedaan, althans dat
deze door klager
buiten de context van de behandeling verkeerd zijn weergegeven en begrepen. Nu de
citaten nergens
zijn vastgelegd, betekent dit dat klager zijn stelling niet kan onderbouwen met
schriftelijke
stukken en tegenover de betwisting door de psychotherapeut niet aannemelijk heeft
gemaakt. Alsdan
laat het college bedoelde uitlatingen buiten beschouwing omdat aan het woord van
de één niet meer
waarde kan worden gehecht dan aan het woord van de ander.
5.12 Dit is anders ten aanzien van de opmerkingen en uitlatingen zoals deze zijn
vastgelegd in het
door de psychotherapeut bijgehouden behandeldossier. Hieruit blijkt dat de psychotherapeut
onder
meer gebruik heeft gemaakt van ‘imaginaire rescripting’, een methode waar ze niet
in opgeleid was,
die zij wel in intercollegiaal overleg heeft afgestemd.
Bij deze interventie heeft psychotherapeut niet klager als ‘gezonde volwassene’ voor
het ‘gekwetste
kind’ laten zorgen (ook niet in een latere fase van de imaginaire rescripting),
maar is zij zelf in
de rescripting de behoeften gaan vervullen van het ‘gekwetste kind’ van klager.
De psychotherapeut
laat klager voorstellen hoe het zou zijn geweest als zij aanwezig zou zijn geweest
bij het ontbijt,
hoe het was om gezien te zijn en vastgehouden te zijn door haar en zoals psychotherapeut
erkent
tijdens de mondelinge behandeling, door klager in bed te leggen. Dit terwijl klager
al presentjes
voor haar meenam, in haar moedertaal is gaan spreken met haar (hetgeen zij niet
heeft afgegrensd
bij klager) en klager ook al had gezegd dat hij graag een omhelzing van haar wilde.
5.13 Gelet op de achtergrond van klager en diens hulpvraag, zoals bekend bij de psychotherapeut,
acht het college de door de psychotherapeut gekozen therapievorm en setting, waarbij
onder meer
rolvervaging optrad, niet verantwoord noch acceptabel. Blijkens het behandeldossier
heeft de
psychotherapeut te weinig gedaan om haar rol in het kader van de imaginaire rescripting
binnen de
therapie te begrenzen. De psychotherapeut heeft dit bij de mondelinge behandeling
ook erkend. Naar
het oordeel van het college heeft de psychotherapeut met de uit het behandeldossier
voortvloeiende
voorbeelden van rescripting (5.11) onvoldoende professionele distantie tegenover
klager betracht.
Door aldus te handelen heeft de psychotherapeut de grenzen van het professionele
handelen jegens
klager overschreden.
Klachtonderdelen d), e), f) en g) beëindiging therapie
5.14 Met de klachtonderdelen d t/m g beklaagt klager zich erover dat verweerster
(d) tegenover
klager valse verwachtingen heeft gewekt ten aanzien van de duur van de behandeling,
(e) de therapie
op abrupte en onethische wijze heeft beëindigd, (f) klager geen redelijke termijn
heeft verleend om
de beëindiging te verwerken en (g) en bovendien haar zorg- en verwijzingsplicht
tegenover klager
niet is nagekomen.
5.15 Naar het oordeel van het college lenen deze klachtonderdelen zich voor gezamenlijke
behandeling.
5.16 De psychotherapeut heeft verklaard dat van het aanvankelijke plan om de therapie
op 16
december 2022 te beëindigen in overleg met klager werd afgeweken. Klager gaf de
psychotherapeute te
kennen dat hij de therapie graag wilde voortzetten. Er was sprake van zodanige ontregeling
van
klager, onder meer bestaande in toegenomen boosheid over het niet krijgen van een
knuffel van de
psychotherapeut, dat zij afspraken om op 16 december 2022 nader met elkaar af te
stemmen wanneer en hoe de therapie alsnog beëindigd zou worden. Dit gesprek kwam echter
niet tot stand door het incident met het kussen op 16 december 2022. Na dit incident
op 16 december 2022 heeft de psychotherapeut klager in een telefonisch
contact voorgesteld de therapie op 27 januari 2023 met een online sessie te beëindigen.
En dat is ook gebeurd. Tijdens deze laatste sessie heeft de psychotherapeut klager
laten weten niet verder inhoudelijk met hem meer te willen
corresponderen, dat de wijze van afscheid nemen veranderd was door de gebeurtenis
op 16 december 2022 en dat klager niet meer bij haar mocht langskomen. Daarna is het
contact van de zijde van de psychotherapeut gestopt, mede omdat klager kort daarna
bij een andere therapeut in behandeling ging. Klager heeft nog wel geprobeerd contact
met de psychotherapeut te krijgen.
5.17 Het college acht de klachtonderdelen d), e), en f) gegrond. Voor het college
is genoegzaam
vast komen te staan dat de psychotherapeut klager heeft overvallen door, in weerwil
van eerder
gemaakte afspraken, na 16 december 2022 de behandeling feitelijk eenzijdig te beëindigen,
ondanks
de wetenschap bij de psychotherapeut dat klager een terugval had en er op dat moment
bij hem nog
behoefte bestond aan het voortzetten van de behandeling. Daarmee heeft de psychotherapeut
klager
voor het blok gezet, zonder hem een redelijke termijn te gunnen de behandeling zorgvuldig
af te
bouwen. Door klager na 16 december 2022 feitelijk geen keuze meer te laten gaf de
psychotherapeut
klager geen kans om goed afscheid te nemen en de therapie op zorgvuldige wijze af
te ronden.
5.18 Van de gegrondheid van klachtonderdeel g) is het college niet gebleken. Klager
gaf de
psychotherapeut geen toestemming contact op te nemen met zijn huisarts voor een
eventuele
doorverwijzing of een overbrugging door de praktijkondersteuner. Kort daarna bleek
klager onder
behandeling van een nieuwe therapeut te staan.
Klachtonderdeel h) de klachtenprocedure gebrekkig heeft afgehandeld
5.19 Klager verwijt de psychotherapeute een gebrekkige en onvolledige afhandeling
van de
klachtenprocedure bij de LVVP.
5.20 Dit klachtonderdeel is ongegrond. De psychotherapeut heeft in de klachtenprocedure
bij de
LVVP een verweerschrift geschreven waarin ze is ingegaan op de grieven van klager
en een
toelichting heeft gegeven op haar eigen handelen. Het feit dat de psychotherapeut
geen heil zag in
een gesprek met klager in het kader van de klachtenprocedure is haar niet tuchtrechtelijk
aan te
rekenen.
Klachtonderdeel i) schending beroepsgeheim
5.21 Klager verwijt de psychotherapeut dat zij bij het doen van aangifte op
4 november 2023 persoonlijke en privacygevoelige informatie over klager met de verbalisanten
heeft
gedeeld, zonder dat dit voor de aangifte noodzakelijk was. Volgens klager heeft
de psychotherapeut
daarmee haar beroepsgeheim op ontoelaatbare wijze geschonden. Klager noemt in zijn
klaagschrift als
voorbeelden dat de psychotherapeut ten onrechte heeft (mee)gedeeld dat:
- klager tijdens de laatste sessie had aangegeven “te willen voelen hoe het is als
er
onvoorwaardelijk van mij wordt gehouden”;
- klager tijdens een sessie een kussen naar haar had gegooid en intense emoties
had getoond;
- klager “obsessies voor vrouwen” zou hebben, terwijl dit in de therapie genuanceerder
was
besproken.
5.22 Het college onderkent dat de psychotherapeut bij het doen van aangifte tegen
klager haar
verwijt deugdelijk moest onderbouwen. In dit kader heeft de psychotherapeut onder
meer gemeld dat
klager tijdens een behandeling heeft verklaard dat hij zeer persoonlijke informatie
over haar en
haar familie op het internet had gezocht en gevonden. Door daarvan mededeling te
doen aan de
verbalisanten, heeft de psychotherapeut informatie afkomstig uit het dossier openbaar
gemaakt. Deze
informatie is vervolgens toegevoegd aan het strafdossier en kan voor de strafrechter
van belang
zijn voor het beoordelen van de tenlastelegging. Gelet op de achtergrond van haar
angst (haar
gerechtvaardigde vrees voor stalking, waarvoor klager ook is veroordeeld) kan het
college billijken
dat ze op dit punt haar geheimhouding heeft verbroken. Dat leidt niet tot een tuchtrechtelijk
verwijt.
5.23 Hetzelfde geldt voor de mededeling dat klager tijdens een behandeling een voorwerp
naar haar
heeft gegooid. Dat was weliswaar een kussen, maar het geeft blijk van agressie en
het was daarom
denkbaar en gerechtvaardigd dat de psychotherapeut dit in het kader van de aangifte
aan de
verbalisanten heeft medegedeeld. Hetzelfde geldt voor de anderen door klager gegeven
voorbeelden.
Het betreft informatie die zij heeft verstrekt ten behoeve van het maken van een
risico-taxatie
door de verbalisanten. Deze informatie komt weliswaar deels uit het dossier, maar
ook daarvoor had
de psychotherapeut een goede grond. Hetzelfde geldt voor de passage ‘hij is toen
weggegaan. Vijf
minuten later belde hij mij huilend op, hij bood zijn excuses aan en was ook bang
dat het hierbij
echt voorbij zou zijn.’ die door strafrechter meegewogen zou kunnen worden.
5.24 Alsdan komt het college tot de conclusie dat de psychotherapeut informatie heeft
verstrekt
die onder haar geheimhoudingsplicht viel, maar dat daarvoor een rechtvaardiging
bestond. Dit
klachtonderdeel is naar het oordeel van het college ongegrond.
Slotsom
5.25 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a), b), c), d), e),
en f) gegrond en
klachtonderdelen g), h) en i) ongegrond zijn. De gegrond verklaarde klachtonderdelen
leiden tot een
tuchtrechtelijk te maken verwijt. De overige door klager naar voren gebrachte verwijten
-
klachtonderdelen j), k) en l) - behoeven naar het oordeel van het college dan geen
nadere
bespreking meer, omdat ze minder relevant zijn voor de aard en omvang van de klacht,
dan wel, reeds
bij de andere klachtonderdelen in voldoende mate zijn behandeld. Ter zitting heeft
klager
desgevraagd ook erkend dat zijn klaagschrift en klachtonderdelen (te) veelomvattend
zijn.
Maatregel
5.26 Zoals hiervoor overwogen, is een aantal (al dan niet gecombineerd besproken)
klachtonderdelen
gegrond. Dat zijn ernstige verwijten, die zouden moeten leiden tot een zwaarwegende
maatregel.
5.27 Echter, het college heeft ook oog voor verlichtende omstandigheden die in aanmerking
genomen
moeten worden. Het meest belangrijk is dat de psychotherapeut ernstige gevolgen
heeft ondervonden
(waaronder de langdurige en ernstig in haar privéleven ingrijpende stalking) van
het geschil met
klager. Klager heeft ook onderkend dat hij dienaangaande veel te ver is gegaan.
Het college
verwijst naar het vonnis van de strafrechter die onder meer een langdurig en verstrekkend
contactverbod heeft opgelegd.
5.28 Alles overwegend, de klachtonderdelen op zichzelf en in onderling verband beziend,
beperkt
het college de maatregel dan ook tot die van een waarschuwing.
5.29 Aan een aanvullende maatregel (verplichte coaching of iets dergelijks) komt
het college niet
toe, omdat het daarvoor gewenste overleg met en instemming van de IGJ-Inspectie
ontbreekt.
Daarnaast is het college overtuigd dat verweerster door deze beslissing in voldoende
mate
doordrongen zal zijn van het haar tuchtrechtelijk gemaakte verwijt en is er geen
aanleiding om te
veronderstellen dat zij nogmaals dergelijke fouten zal maken.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdelen a) t/m f) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel g), h) en i) ongegrond;
- legt de psychotherapeut de maatregel op van waarschuwing.
Deze beslissing is gegeven door A.M.J.G. van Amsterdam, voorzitter, L.G.J. Hendrix,
lid-jurist,
M.D. Mostert-Uijterwijk, I.E. Visser en H.J. de Boer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door F.J.E.
van Geijn, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op
16 december 2025.