ECLI:NL:TGZRAMS:2025:301 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8216
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:301 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-12-2025 |
| Datum publicatie: | 16-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8216 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een GZ-psycholoog. De GZ-psycholoog is werkzaam bij een kinder- en jeugdpsychologenpraktijk in de basis ggz. Tegen de praktijkhoudster is dezelfde klacht ingediend (zaaksnummer A2025/8215). Het college is van oordeel dat er meerdere signalen zijn die duiden op mogelijke ouderverstoting. Gezien de geschiedenis en informatie rondom de complexiteit van de scheiding en het functioneren van de dochter in twee gezinnen kan geconcludeerd worden dat dit een contra-indicatie is voor basis-ggz. Het had voor de hand gelegen om de behandeling niet zelf te starten maar door te verwijzen naar gespecialiseerde zorg, zoals klager terecht stelt. Ter zitting heeft de hoofdbehandelaar en ook GZ-psycholoog erkend dat achteraf gezien doorverwijzing beter was geweest, maar dat destijds een andere inschatting is gemaakt. In de melding aan Veilig Thuis is niets opgenomen over de door klager gemelde ouderverstoting. Het college is zonder meer overtuigd van de goede intenties van de betrokken behandelaren, maar er zijn serieuze fouten gemaakt. Daarmee voldoet de behandeling aan het gezin en de dochter niet aan de te stellen eisen en is daarmee ook de ouders – waaronder klager – deskundige begeleiding onthouden. Daarnaast voldoet de melding niet aan de te stellen eisen. Zo is de Melding te voortvarend gedaan, omdat voorafgaand overleg met klager in de reden had gelegen en ook mogelijk was. Belangrijker is dat er geen mededeling is gedaan van (mogelijke) ouderverstoting. Volgt een berisping. |
A2025/8216
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 16 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
tegen
C,
gezondheidszorgpsycholoog,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de GZ-psycholoog, gemachtigde: mr. S. Dik, werkzaam in
Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Verweerster is GZ-psycholoog en werkzaam op ZZP basis bij een vrijgevestigde
kinder- en
jeugdpsychologen praktijk in de basis ggz. Tegen de praktijkhoudster is dezelfde
klacht ingediend
waarin het college separaat uitspraak doet (zaaksnummer A2025/8215). Klager stelt
dat de praktijk
zijn dochter niet in behandeling had moeten nemen, maar had moeten doorverwijzen
naar
specialistische ggz (sggz). Daarnaast is klager van mening dat de praktijk, in het
bijzonder de
GZ-psycholoog als hoofdbehandelaar en de praktijkhoudster als regiebehandelaar een
onjuiste en
onvolledige melding hebben gedaan bij Veilig Thuis.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt de maatregel
van berisping
op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht
het college de
beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 27 februari 2025 met de op 6 juni 2025 toegestuurde
bijlagen
(waaraan toegevoegd een usb-stick met geluidsopnames);
- het verweerschrift van 25 april 2025 met bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 17 juni 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de e-mail van 24 juli 2025 van de gemachtigde van verweerster waarin opgenomen
het
mailcontact met Veilig Thuis;
- de e-mail van 14 augustus 2025 van de gemachtigde van verweerster met het verzoek
om de zitting
achter gesloten deuren te houden (waarop door het college aan partijen is medegedeeld
dat dit
verzoek ter zitting zal worden behandeld);
- de e-mail van 26 augustus 2025 van klager aan het college over een rapportage
van de
schoolmaatschappelijk werkster;
- de door klager op 4 september 2025 ingediende aanvullende bijlagen (met de nummers
30 tot en met
38).
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 november 2025. De partijen
zijn verschenen,
waarbij verweerster door middel van een videoverbinding is verschenen. De partijen
en hun
gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klager heeft een pleitnotitie
voorgelezen
en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Verweerster is GZ-psycholoog en werkzaam (op zzp-basis) bij F (hierna: F). Praktijkhoudster
is E, eveneens GZ-psycholoog (hierna ook wel: de regiebehandelaar of praktijkhoudster).
Tegen de
regiebehandelaar is dezelfde klacht ingediend waarin het college separaat uitspraak
zal doen
(zaaksnummer A2025/8215).
3.2 Klager is sinds 2010 gescheiden. Hij is vader van een zoon en een dochter (hierna:
de
dochter), geboren in maart 1999. Hij heeft samen met de moeder het ouderlijk gezag.
De kinderen
wonen sinds de scheiding grotendeels bij de moeder.
3.3 In mei 2023 wordt de dochter op advies van schoolmaatschappelijk werk door de
huisarts
verwezen naar F. De huisarts geeft als reden voor de verwijzing: ‘Scheiding door
ouders jaren
geleden, contact met vader: kleinerend, corrigerend, controlerend. Gaat nu niet
meer naar vader,
heeft brief aan hem geschreven maar weinig antwoord op. Is erg verdrietig, soms
zinloosheid van het
er zijn, geen suïcidale dreiging (…) Somberheid’. Beide ouders geven toestemming
voor de
behandeling.
3.4 Op 27 juli 2023 worden beide ouders uitgenodigd voor een intakegesprek. Klager
accepteert in
een e-mail van 2 augustus 2023 de uitnodiging en geeft tevens zijn visie op de problematiek,
waaronder het verbreken door de dochter (en haar broer) van het contact met klager
en zijn familie.
Naar aanleiding van deze reactie besluit de GZ-psycholoog om beide ouders apart
uit te nodigen voor
een intakegesprek.
3.5 Op 7 augustus 2023 vindt het intakegesprek met klager plaats. Namens F wordt
dit gesprek
gevoerd door G (hierna: de behandelaar). De daaropvolgende behandeling van de dochter
en de in dat
kader gevoerde ouderbegeleiding met de ouders, wordt eveneens grotendeels gedaan
door de
behandelaar.
3.6 De behandelaar werkt onder supervisie en werkbegeleiding van de GZ-psycholoog.
Het
behandelplan is opgesteld door de behandelaar, in overleg en na afstemming met de
GZ-psycholoog.
Dat geldt eveneens voor de vervolgstappen die worden genomen. De behandelaar handelt
zelfstandig,
onder verantwoordelijkheid van de GZ-psycholoog. De GZ-psycholoog is van opvatting
dat de
behandelaar, gelet op haar opleiding en ervaring, hiervoor voldoende bekwaam is.
3.7 De dochter is tot eind 2024 onder behandeling bij F. Gedurende die tijd is er
regelmatig
contact tussen de behandelaar en klager. Klager uit daarbij zijn twijfels over de
aard en
effectiviteit van de behandeling, pleit voor doorverwijzing naar sggz, maakt melding
van
tegenwerking bij de moeder en van ouderverstoting van klager door de dochter en
haar broer. In zijn
e-mail van 24 augustus 2024 aan de behandelaar bespreekt hij het ook bij hem bestaande
vermoeden
van kindermishandeling bij de andere ouder en de noodzaak van melding bij Veilig
Thuis.
3.8 Op 5 september 2024 doen de GZ-psycholoog en de regiebehandelaar een melding
bij Veilig Thuis
(hierna: de Melding). Ze zijn tot de conclusie gekomen dat de gezinssituatie zorgelijk
is en
daarmee schadelijk voor de dochter, mede door de conflicten tussen vader en moeder
die zich
onvoldoende houden aan de aan hen gegeven adviezen. In de Melding wordt beschreven
dat de dochter
kampt met negatieve emoties, somberheid, en angst ten gevolge van de problematische
scheiding van
haar ouders. Tevens wordt melding gemaakt van (signalen van) een loyaliteitsconflict,
waarbij
ouders stagneren in het doorbreken van hun oude verstoorde en destructieve communicatiepatroon.
3.9 In januari 2025 deelt Veilig Thuis mee dat zij het dossier overnemen. Daarmee
is de
behandeling bij F beëindigd. Op 23 april 2025 deelt Veilig Thuis aan klager mee
dat het dossier
wordt gesloten en dat er geen verdere stappen zullen worden ondernomen. Veilig Thuis
is tot de
conclusie gekomen dat er geen sprake is van huiselijk geweld of kindermishandeling.
3.10 Het klaagschrift is op 27 februari 2025 door het college ontvangen. Bij aanvang
van de
behandeling was de docher 14 jaar oud. Ten tijde van het indienen van de klacht
en de daaraan
voorafgaande behandeling door F was zij jonger dan 16 jaar. In maart 2025 wordt
de dochter 16 jaar.
4. De klacht en de reactie van de GZ-psycholoog
4.1 Klager verwijt de GZ-psycholoog:
- casus in behandeling nemen/niet doorverwijzen en vervolgens afhouden van doorverwijzing
naar
sggz;
- behandeling niet in overeenstemming met hetgeen ervan mocht worden verwacht en
het niet volgen
van de verplichtingen uit de Meldcode;
- toen moeder medewerking afwees, was effectieve behandeling illusie en melding onder
de Meldcode
verplicht;
- het dossier en melding onvolledig, niet feitelijk juist en misleidende voorstelling
van zaken,
en;
- de belangen van de dochter niet heeft laten prevaleren.
4.2 Het college ziet aanleiding (mede vanwege de weinig overzichtelijk wijze waarop
het
klaagschrift is opgezet en uitgewerkt) om de klachtonderdelen als volgt samen te
vatten en te
herformuleren. Klager verwijt de GZ-psycholoog dat zij:
a) de dochter onder behandeling heeft genomen, de behandeling op onjuiste wijze
heeft uitgevoerd en
ten onrechte niet heeft doorverwezen naar de sggz;
b) onvoldoende gevolgen heeft verbonden aan de weigering van moeder om mee te werken
aan het
beëindigen van de ouderverstoting en de verplichtingen van de Meldcode niet is nagekomen;
c) het dossier onvolledig en onjuist heeft bijgehouden, en;
d) de belangen van de dochter onvoldoende heeft behartigd.
4.3 De GZ-psycholoog heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de
klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk
gaat beoordelen, heeft de GZ-psycholoog het college verzocht de klacht ongegrond
te verklaren.
4.4 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Klager heeft de klacht ingediend namens zowel zichzelf als zijn dochter. De
GZ-psycholoog is
van opvatting dat klager niet ontvankelijk is zijn klacht, voor zover hij klaagt
namens zijn
dochter.
5.2 De dochter was ten tijde van het indienden van de klacht nog geen 16 jaar oud.
Dat betekent
dat klager, die met de moeder het ouderlijk gezag heeft over zijn dochter, (zelfstandig)
namens
dochter een klacht kan indienen. Weliswaar verdient het de voorkeur dat de door
de vader ingediende
klacht mede wordt ondertekend door de dochter als blijk van haar instemming, maar
dat is niet
noodzakelijk. Het beperkte contact dat klager met dochter heeft, voorafgaand aan
de klacht, staat
ontvankelijkheid ook niet in de weg.
5.3 Alsdan is klager ontvankelijk in zijn, mede namens dochter, ingediende klacht.
5.4 Het college voegt hier volledigheidshalve aan toe dat als klager niet-ontvankelijk
zou zijn
geweest in zijn klacht namens dochter (de visie van verweerster), het college desondanks
was toegekomen aan behandeling van de klacht. Klager heeft immers een geheel eigen
belang. Bij doorverwijzing met in achtneming van mogelijke ouderverstoting was er
ook meer begeleiding voor beide ouders geweest om dit aspect beter in beeld te krijgen
en mee te nemen in de behandeling.
inhoudelijk: welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.5 De vraag is of de GZ-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij
de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere
professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdelen a) dochter onder behandeling heeft genomen, de behandeling op onjuiste
wijze heeft
uitgevoerd, en ten onrechte niet heeft doorverwezen naar gespecialiseerde zorg;
en klachtonderdeel
d) de belangen van de dochter heeft onvoldoende behartigd.
5.6 Het college ziet aanleiding beide klachtonderdelen (vanwege de samenhang) gezamenlijk
te
behandelen.
5.7 Klager stelt dat bij de indicatiestelling ten onrechte geen rekening is gehouden
met zijn
melding van ouderverstoting en dat mede al direct daarom doorverwezen had moeten
worden naar
gespecialiseerde zorg. De GZ-psycholoog heeft ter zitting desgevraagd verklaard
dat zij voorafgaand
aan het intakegesprek kennis heeft genomen van de e-mail van klager waarin hij dit
naar voren
brengt. Desondanks is na de intake besloten om de dochter door F te laten behandelen,
zonder
doorverwijzing, ook al behandelt F geen zaken waarin ouderverstoting speelt.
5.8 Het college is op grond van het dossier en de toelichting van partijen ter zitting
van
oordeel dat er meerdere signalen zijn die duiden op een mogelijke ouderverstoting.
Zo bleek al in
2014 dat er een traject is geweest bij Jeugdzorg rondom het gezin. En in 2015 is
er een onderzoek
van de Raad voor de Kinderbescherming geweest. In 2015 en 2016 is er een traject
geweest rondom de
complexe scheiding bij onder andere Kinderen uit de Knel. Ook in 2021 is er een
traject bij
Jeugdzorg geweest. Bij de aanmelding en start bij F heeft klager een e-mail gestuurd
waarbij hij
informatie heeft gegeven en duidelijk zijn vrees heeft uitgesproken voor ouderverstoting.
Gezien de
geschiedenis en informatie rondom de complexiteit van de scheiding en het functioneren
van de
dochter in twee gezinnen kan geconcludeerd worden dat dit een contra-indicatie is
voor basis GGZ.
De verschillende belangen van de gezinsleden en het werken conform meerzijdige partijdigheid
vraagt
een meer specialistische benadering die de praktijk van de GZ-psycholoog niet kon
bieden. Onder die
omstandigheden had het voor de hand gelegen om de behandeling niet zelf te starten
maar door te
verwijzen naar gespecialiseerde zorg, zoals klager terecht stelt. Bij doorverwijzing
is er meer begeleiding mogelijk voor beide ouders en kan (mogelijke) ouderverstoting
beter in beeld komen en (eventueel) behandeld. F is daar als basis GGZ niet of onvoldoende
geschikt voor, zoals ze ook zelf onderkennen. Ter zitting heeft de GZ-psycholoog erkend
dat achteraf gezien doorverwijzing beter was geweest, maar dat destijds een andere
inschatting is gemaakt.
5.9 De behandelaar deed vervolgens, nadat de dochter in behandeling was genomen
bij F, de
gesprekken met zowel de dochter als met de ouders alleen, zonder duidelijke directe
betrokkenheid
van de GZ-psycholoog. Gelet op de problematiek (een complexe scheiding en de mededeling
van klager
dat sprake was van ouderverstoting) was de combinatie van zowel behandeling van
de dochter als het
voeren van oudergesprekken (vaak apart, vanwege de slechte onderlinge verstandhouding)
niet
verantwoord. Voor de keuze van en de uitvoering door de behandelaar is de GZ-psycholoog
verantwoordelijk en tuchtrechtelijk aansprakelijk.
5.10 Het verweer van de GZ-psycholoog (en ook de regiebehandelaar) dat zij geen aanwijzingen
zagen
voor ouderverstoting en bij afwezigheid daarvan voldoende mogelijkheden zagen voor
begeleiding,
volgt het college niet. Het college wijst daarbij op de e-mail van 2 augustus 2023
van klager naar
F voor de intake over contactverbreking dochter, waarbij hij expliciet verzoekt
om de
contactverbreking te beschouwen of in ieder geval te benaderen als ouderverstoting.
Hij verwijst
ook naar de eerdere hulpverlening voor ouders en de ondertoezichtstelling. Naar
deze duidelijke
indicaties voor ouderverstoting is door de GZ-psycholoog geen nader onderzoek gedaan.
De enkele
omstandigheid dat de dochter op enig moment zegt enige toenadering tot de vader
te willen, is
onvoldoende grond voor een ander oordeel. Zeker nu die toenadering is uitgebleven.
5.11 Het college is dan ook van oordeel dat het onjuist was om de dochter bij F in
behandeling te
nemen. Daarmee is ‘te kort door de bocht’ gehandeld, de behandelaar en de GZ-psycholoog
(die
daarvoor verantwoordelijk draagt) hadden breder moeten kijken naar de problematiek.
Alsdan is dit
klachtonderdeel gegrond. Er is ten onrechte niet doorverwezen en de door F ingezette
behandeling
voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen.
Klachtonderdeel b) onvoldoende gevolgen heeft verbonden aan de weigering van moeder
om mee te
werken aan het beëindigen van de ouderverstoting, en de verplichtingen van de Meldcode
niet is
nagekomen;
5.12 Klager is van opvatting (zo begrijpt het college) dat de GZ-psycholoog gevolgen
had moeten
verbinden aan de weigering van de moeder om (de mogelijke) ouderverstoting van de
vader te
beëindigen. Daarnaast is de Melding bij Veilig Thuis (ten nadele van klager) onjuist
en onvolledig.
5.13 Zoals het college hiervoor al heeft overwogen, is bij de acceptatie onvoldoende aandacht gegeven aan de signalen van (mogelijke) ouderverstoting. Indien en voor zover klager de GZ-psycholoog verwijt dat te vroeg een Melding is gedaan, kan het college hem daarin niet volgen. Veeleer moet op basis van het dossier en de toelichting van partijen ter zitting worden geconcludeerd dat eerder te laat dan te vroeg Melding is gedaan - zij het dat daarbij wel overleg had moeten plaatsvinden met klager.
5.14 In de Melding is onder meer opgenomen dat klager de door F gegeven adviezen
niet heeft
opgevolgd. Ter zitting heeft klager toegelicht dat hij het merendeel, zo niet alle,
adviezen direct
en daadwerkelijk heeft opgevolgd en zich dus heeft gehouden aan de instructies van
F. Ter zitting
is dit door de GZ-psycholoog ook erkend. Het college concludeert dan ook dat de
Melding in dit
opzicht onjuist is.
5.15 Belangrijker, in ieder geval voor klager, is dat in de Melding niets is opgenomen
over de
door hem gemelde ouderverstoting. Zoals hiervoor overwogen is het college van oordeel
dat er
weldegelijk signalen waren van ouderverstoting. De uitlating van de dochter dat
zij enige
toenadering tot de vader wenste, is eerder reden om de mogelijke ouderverstoting
serieus te nemen
dan om dat te negeren.
5.16 Ter zitting heeft de GZ-psycholoog en ook de regiebehandelaar desgevraagd verklaard
dat het
achteraf gezien beter was geweest om eerst, voorafgaand aan de melding, in overleg
te treden met
beide ouders, en dus ook met klager. De GZ-psycholoog en de regiebehandelaar hebben
daarbij het
advies gevolgd van Veilig Thuis om uit voorzorg (zo begrijpt het college) alvast
te melden. Echter,
zij hadden er beter voor kunnen kiezen om in afwijking van dit advies eerst het
overleg aan te gaan
met de ouders en pas (kort) daarna de Melding te doen. Een spoedeisend belang, zodanig
dat de
melding geen uitstel kon velen, is gesteld noch gebleken.
5.17 Alsdan klaagt klager er terecht over dat de Melding onjuist (het gestelde gebrek
aan opvolgen
van adviezen door klager) en vooral onvolledig (geen melding van mogelijke ouderverstoting)
is
geweest. In zoverre is dit klachtonderdeel gegrond. De overige door klager gemaakte
(deel)verwijten
behoeven alsdan geen bespreking meer.
Klachtonderdeel c) het dossier onvolledig en onjuist heeft bijgehouden
5.18 Klager meldt terecht dat het door de behandelaar toegezegde verslag niet is
opgenomen in het
dossier. Dit valt de behandelaar zeker te verwijten, maar die is geen partij in
deze klacht. Nu
niet gesteld is of aannemelijk is geworden dat de GZ-psycholoog en/of de regiebehandelaar
wetenschap had van deze toezegging van de behandelaar of daarvan op de hoogte had
moeten zijn,
treft dit klachtonderdeel (ten aanzien van verweerster) geen doel. Zoals hiervóór
al overwogen gaat
het tuchtrecht uit van persoonlijke verantwoordelijkheid en daarvan is hier geen
sprake. Dit
klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Slotsom
5.19 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is, met uitzondering
van
klachtonderdeel c.
Maatregel
5.20 Het college is zonder meer overtuigd van de goede intenties van de betrokken
behandelaren.
Echter, bij de indicatiestelling zijn serieuze fouten gemaakt - meer in het bijzonder
de beslissing
van het starten van de behandeling terwijl daarvoor de expertise ontbrak. In plaats
daarvan had
moeten worden doorverwezen. Daarmee voldoet de behandeling aan het gezin, en de
dochter niet aan de
te stellen eisen en is daarmee ook de ouders – waaronder klager – deskundige begeleiding
onthouden.
5.21 Daarnaast voldoet de Melding niet aan de te stellen eisen. Vooropstaat dat het
noodzakelijk
is dat zorgverleners tijdig melden bij Veilig Thuis in geval van onveilige situaties
voor een kind.
Echter, daarbij moeten de belangen van derden wel voldoende meegewogen worden en
dat is hier
onvoldoende gedaan. Zo is de Melding te voortvarend gedaan omdat voorafgaand overleg
met klager in
de reden had gelegen en ook mogelijk was. Het daarmee opgelopen tijdsverlies was
te overzien. Dat
heeft er ook toe geleid dat in de Melding een onjuistheid is opgenomen, zijnde het
verwijt dat
klager niet de gegeven adviezen heeft gevolgd. Belangrijker is dat in de Melding
geen mededeling is
gedaan van (door de klager gestelde) ouderverstoting, terwijl dat wel van belang
was voor een
zorgvuldige en volledige Melding. Het opvolgen van het advies van Veilig Thuis (zoals
de
GZ-psycholoog dat heeft verwoord) om maar alvast te melden en later verder te zien,
voldoet niet
aan de zorgvuldigheidsnorm. De GZ-psycholoog had haar verantwoordelijkheid moeten
nemen.
5.22 Dit alles overziend komt het college tot het oordeel dat niet kan worden volstaan
met een
waarschuwing, zijnde een zakelijke terechtwijzing voor wat iedere zorgverlener kan
overkomen. Het
college acht de maatregel van berisping passend en geboden, zowel voor de GZ-psycholoog
als voor de
regiebehandelaar.
Publicatie
5.23 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdelen a), b) en d) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel c) ongegrond;
- legt de GZ-psycholoog de maatregel op van berisping;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift De Psycholoog.
Deze beslissing is gegeven door A.M.J.G. van Amsterdam, voorzitter, L.G.J. Hendrix,
lid-jurist,
M.D. Mostert-Uijterwijk, I.E. Visser en S.M. van Es, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door F.J.E.
van Geijn, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op
16 december 2025.