ECLI:NL:TGZRAMS:2025:299 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7865
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:299 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-12-2025 |
| Datum publicatie: | 10-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7865 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijke ongegronde klacht tegen een kinderarts. Bij de dochter van klaagster is kort na de geboorte geconstateerd dat zij geïnfecteerd was geraakt met de Serratia marcescens bacterie en dat zij een hersenvliesontsteking had. Na een aantal weken waarin sprake was van toenemend weefselverval in de hersenen is vervolgens in een multidisciplinair overleg (MDO) geconcludeerd dat genezing niet meer mogelijk was en dat een palliatief beleid werd ingezet.Klaagster verwijt de kinderarts dat zij op 31 januari 2020 ten onrechte heeft besloten haar dochter over te plaatsen naar een ander ziekenhuis en dat zij ten onrechte palliatief beleid heeft ingezet.Het college stelt vast dat de kinderarts zowel bij het besluit tot overplaatsen als het besluit een palliatief beleid in te zetten niet betrokken is geweest. |
A2024/7865
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 10 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
gemachtigde: mr. S.B. Epozdemir, werkzaam in Den Haag,
tegen
C,
kinderarts,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de kinderarts, gemachtigde: D, werkzaam te B.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1. De dochter van klaagster, E, is prematuur geboren op 9 januari 2020 en direct
daarna
opgenomen in het F. E is op 31 januari 2020 overgeplaatst naar het G en op 4 februari
2020 weer
teruggeplaatst naar het F. Daar is geconstateerd dat zij geïnfecteerd was geraakt
met de Serratia
marcescens bacterie en dat zij een hersenvliesontsteking had. Na een aantal weken waarin sprake
was
van toenemend weefselverval in de hersenen is tijdens een MDO geconcludeerd dat
genezing niet meer
mogelijk was en dat palliatief beleid werd ingezet. Op 9 maart 2020 is E overgeplaatst
naar de
kinderafdeling H van locatie I, het ziekenhuis waar de kinderarts werkt. Op 9 april
2020 is E uit
dat ziekenhuis ontslagen. Zij werd vanaf dat moment op de polikliniek gezien.
1.2. Klaagster verwijt de kinderarts dat zij op 31 januari 2020 ten onrechte heeft
besloten E over
te plaatsen naar het G en dat zij ten onrechte palliatief beleid heeft ingezet.
De kinderarts stelt
dat zij niet betrokken is geweest bij de overplaatsing naar het G en ook niet bij
de besluitvorming
rond het palliatieve beleid.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht tegen de kinderarts kennelijk
ongegrond is.
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen
en dat
duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Het college licht
de beslissing als volgt toe.
2. De procedure
Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 21 november 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 7 juli 2025.
2.1. Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
3.1 De vraag is of de kinderarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende kinderarts. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de kinderarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
De overplaatsing naar G
3.2 Klaagster heeft ter toelichting op haar klacht over de overplaatsing naar
het G tijdens het
vooronderzoek betoogd dat uit het medisch dossier zou volgen dat de kinderarts hierbij
betrokken is
geweest. Het college kan haar daarin niet volgen. Het college kan uit het dossier
namelijk niet
opmaken dat de kinderarts betrokken is geweest bij de besluitvorming of de uitvoering
van die
overplaatsing. In het medisch dossier bevindt zich wel een brief van 1 maart 2020
van ‘F 8D NICU’
aan de kinderarts. Daaruit volgt dat E op 9 maart 2020 is overgeplaatst naar de
kinderafdeling H
van locatie I en dat de kinderarts vanaf die datum als hoofdbehandelaar aldaar bij
de behandeling
van E betrokken is geraakt. De klacht richt zich niet op laatstgenoemde overplaatsing.
Het besluit tot een palliatief beleid
3.3 Zoals hiervoor is overwogen is de kinderarts vanaf 9 maart 2020 bij de behandeling
van E
betrokken geraakt. Het besluit om een palliatief beleid in te zetten is genomen
op 3 maart 2020.
Het college stelt dan ook vast dat de kinderarts bij deze besluitvorming niet betrokken
is geweest.
3.4 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.
4. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 10 december 2025 door P.J. van Eekeren, voorzitter,
A.L.M. Mulder en
N.G. Hartwig, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.