ECLI:NL:TGZRAMS:2025:292 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9027
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:292 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-12-2025 |
| Datum publicatie: | 09-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9027 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter oordeelt dat er sprake is van misbruik van recht nu klaagster een in de kern dezelfde klacht indient tegen de bedrijfsarts. Klaagster wenst kennelijk de beslissing van het CTG niet af te wachten en dient wederom een klacht in met een andere weergave en andere bewoordingen, die in de kern op hetzelfde neerkomt. In dit geval komt de voorzitter tot het oordeel dat het belang van klaagster niet opweegt tegen het belang van de bedrijfsarts om te worden beschermd tegen het opnieuw indienen van een tuchtklacht tegen haar over in de kern hetzelfde feitencomplex. Klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. |
A2025/9027
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 9 december 2025 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
bedrijfsarts,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts.
1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 september 2025;
- de e-mail van klaagster van 24 september 2025, met daarin een aanvulling op de
klacht.
1.2 Klaagster heeft een klaagschrift ingediend. De klacht is voorgelegd aan de voorzitter
voor de beoordeling van de ontvankelijkheid. De voorzitter heeft kennisgenomen van
de klacht die klaagster eerder tegen deze bedrijfsarts heeft ingediend. Deze eerdere
klacht staat bekend onder zaaknummer A2024/7825. In deze eerdere tuchtprocedure verweet
klaagster de bedrijfsarts dat zij een onjuiste verklaring over klaagster heeft opgesteld
zonder hier van tevoren over te spreken en zonder klaagster te onderzoeken. Meer specifiek
verweet de klaagster de bedrijfsarts dat zij:
a) klaagster niet heeft gezien, gesproken en niet heeft geïnformeerd over de verklaring
voordat zij deze heeft afgegeven;
b) valsheid in geschrifte heeft gepleegd omdat klaagster niet op het spreekuur is
geweest en niet akkoord is met de inhoud van de verklaring;
c) na afgifte van de verklaring klaagster niet te woord heeft willen staan;
d) het verzoek van klaagster tot rectificatie niet heeft ingewilligd.
1.3 Bij beslissing van 14 oktober 2025 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) Amsterdam de eerdere klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG), bekend onder zaaknummer C2025/3012.
1.4 In deze nieuwe tuchtklacht verwijt klaagster de bedrijfsarts:
a) dat zij een verklaring heeft opgesteld met onjuiste feiten, namelijk dat er sprake
zou zijn geweest van een afspraak op een bepaalde datum en/of daar een 26e-weeks ontslagtoets
zou hebben plaatsgevonden;
b) dat zij tegenstrijdige informatie heeft verstrekt door eerst aan te geven dat
de verklaring betrekking had op een afspraak van 2 oktober 2024, en later werd gesuggereerd
dat het zou gaan om de afspraak van 27 augustus 2024;
c) dat zij de verklaring niet heeft gecorrigeerd en/of ingetrokken;
d) schending van professionele normen en zorgvuldigheid
e) dat zij het risico op schade heeft laten ontstaan.
2. De overwegingen
2.1 De voorzitter moet beoordelen of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen.
De voorzitter is van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht.
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen
en dat duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor
die beslissing is het volgende van belang.
2.2 Hoewel er in het tuchtrecht geen beginsel van concentratie van klachten bestaat, is er een grens aan het aantal in te dienen klachten tegen een zorgverlener. Het klachtrecht op grond van de Wet BIG is een wettelijk recht, maar in uitzonderlijke gevallen mag dit recht worden beperkt. Van een dergelijke uitzondering is (onder andere) sprake als degene die zijn recht uitoefent, in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen, gezien de onevenredigheid tussen het belang bij die uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad. In dat geval is sprake van misbruik van recht. Het recht, ook het tuchtrecht, behoort bescherming te bieden tegen misbruik van recht (zie bijvoorbeeld artikel 3:13 jo. 3:15 van het Burgerlijk Wetboek en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129). De doelen van het tuchtrecht zijn het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg en de bescherming van de patiënt tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen van zorgverleners. Het tuchtrecht is niet bedoeld om onbeperkt ruimte te geven aan klagers om hun onvrede over een specifieke zorgverlener telkens opnieuw, in iets andere vorm, maar met op hoofdlijnen dezelfde klachten, aan de orde te stellen.
2.3 De voorzitter moet dan ook afwegen of het belang van klaagster bij het indienen van de huidige klacht zwaarder moet wegen dan de bescherming van de bedrijfsarts tegen herhaalde tuchtklachten. In dit geval komt de voorzitter tot het oordeel dat het belang van klaagster niet opweegt tegen het belang van de bedrijfsarts om te worden beschermd tegen het opnieuw indienen van een tuchtklacht tegen haar over in de kern hetzelfde feitencomplex.
2.4 Hierbij is met name relevant dat het in de beslissing van 14 oktober 2025 in essentie
ging om het consult van 27 augustus 2024 en dat in onderhavige tuchtklacht klaagster
de bedrijfsarts een verwijt maakt over deze zelfde datum en hetzelfde feitencomplex.
Klaagster wenst kennelijk de beslissing van het CTG niet af te wachten en dient wederom
een klacht in met een andere weergave en andere bewoordingen, die in de kern op hetzelfde
neerkomt.
3. De beslissing
Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven op 9 december 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.