ECLI:NL:TGZRAMS:2025:290 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7919

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:290
Datum uitspraak: 09-12-2025
Datum publicatie: 09-12-2025
Zaaknummer(s): A2024/7919
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een internist-oncoloog. Bij de echtgenote van klager was triple negatief borstkanker geconstateerd. Hij verwijt de internist-oncoloog dat zij onvoldoende voorlichting aan patiënte heeft gegeven over de risico’s van de chemotherapie en dat zij ten onrechte niet van het standaard protocol is afgeweken. Het college oordeelt dat de door de internist-oncoloog gegeven schriftelijke en mondelinge informatie voldoende is geweest. Er was geen indicatie om niet te starten met een standaarddosering of (later) de dosering te verlagen. Klacht ongegrond verklaard.

A2024/7919
Beslissing van 9 december 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 9 december 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
internist,
werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de internist-oncoloog,
gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Bij de echtgenote van klager (hierna patiënte) is in 2023 triple negatief borstkanker geconstateerd. Zij onderging chemotherapie, een operatie en radiotherapie. Daarna kreeg zij een aanvullende chemotherapie. Vanwege klachten na deze laatste chemotherapie (waaronder uitdrogingsverschijnselen als gevolg van braken en diarree) werd patiënte opgenomen op de IC in het ziekenhuis. Patiënte is in april 2024 in het ziekenhuis overleden.

1.2 Klager stelt dat de internist-oncoloog onvoldoende voorlichting aan de patiënte heeft gegeven over de risico's van de chemotherapie. Daarnaast wordt aangevoerd dat, gezien de medische voorgeschiedenis van de patiënte, ten onrechte niet is afgeweken van het standaard protocol om een behandeling op maat te bieden.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 december 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek met klager, gehouden op
15 mei 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek met verweerster, gehouden op 22 mei 2025.

2.2 De zaak is aanvankelijk in raadkamer behandeld op 18 augustus 2025. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. In raadkamer bleek dat er nog behoefte was aan het stellen van vragen aan verweerster. Vervolgens is de klacht behandeld op de openbare zitting van 28 oktober 2025. Klager was afwezig met bericht van verhindering. Verweerster en haar gemachtigde hebben haar standpunt mondeling toegelicht.

3. De feiten
3.1 Patiënte bezocht op 6 april 2023 de afdeling radiologie van het D voor het maken van een echo, in verband met een pijnlijke plek in haar rechterborst. De anesthesioloog heeft in onder meer in het medisch dossier genoteerd (alle citaten worden letterlijk weergegeven, inclusief eventuele type- en schrijffouten):

Verslag - Tomosynthese mammae - 06-04-2023 10:01: Er wordt vergeleken met de grootste locus onderzoek van 22-10-2020.
Goed beoordeelbaar mammogram met vrijwel volledig involutie beeld. Densiteitscategorie A.
In het laterale bovenkwadrant van de rechtermamma is thans een sprieterig begrensde irregulaire massa zichtbaar met een diameter van 2,6 cm. Deze laesie was niet zichtbaar op de foto’s van het bevolkingsonderzoek. Er is geen relatie met de huid of de onderlaag. Er zijn geen additionele afwijkingen zichtbaar in beide mammae. Geen aanwijzingen voor pathologische calcificaties. Ook niet bij aanvullende tomosynthese.
Bij aanvullend echografisch onderzoek van beide mammae is op 9-10 uur rechts een grillig begrensde massa zichtbaar met diameter van 2,5 cm, overeenkomstig de bevindingen op het mammogram.
Geen additionele afwijkingen in de rechter of linkermamma. (…)
Advies: doorverwijzing naar de mammapolikliniek voor aanvullende diagnostiek.

3.2 Op 17 april 2023 werd een tweetal biopten genomen uit de rechterborst en werden
markers geplaatst voor de MRI.

3.3 Op 28 april 2023 is een MRI gemaakt. In het medisch dossier wordt het volgende
opgenomen:


Conclusie: solitaire massa aan rechts, BI-RADS 6. Centrale hydromarker in situ Kleine aankleurende massa lateraal links DD intramammaire lymfeklieren, BI-RADS 3. Axillair geen lymfadenopathie.

3.4 Van de afgenomen biopten is het volgende in het medisch dossier genoteerd:


Pathologie: T23-018904
CONCLUSIE:
Mamma naaldbiopsie (tru cut) rechts: invasief carcinoom NST, Bloom Richardson graad 2 a 3
Aanvulling d.d. 21-04-2023:
Bij immuunhistochemisch onderzoek zijn de tumorcellen geheel negatief voor ER, PR en HER2-neu. Gezien de morfologie en de p63 positiviteit kan het beeld passen bij een basal-type carcinoom. Een metaplastisch carcinoom (met squameuze differentiatie) kan niet worden uitgesloten
.”

3.5 Na intake en onderzoek wordt borstkanker gediagnosticeerd en op 2 mei 2023 wordt
patiënte besproken in het Multidisciplinair overleg (MDO).

3.6 Het MDO wordt in het medisch dossier als volgt weergegeven:


70 jr. invasief carcinoom NST , gr2-3, 3,1 bij 2,2 cm(MRI) Triple negatief. Gezien de morfologie en de p63 positiviteit kan het beeld passen bij een basal-type carcinoom. Een metaplastisch carcinoom (met squameuze differentiatie) kan niet worden uitgesloten.
cT2N0 MX
LINKS op MRI Kleine aankleurende massa lateraal links DD intramammaire lymfeklieren, BI-RADS 3.
Voorstel / Beleid:
NACT (marker aanwezig) , MRI, consult oncoloog
Vraag voor bespreking:
Advies bespreking:
NACT, bepalen TILS, beoordelen sternum
Benodigd aanvullend onderzoek: target echo van links

3.7 In de periode voorafgaand aan de operatie wordt met chemotherapie gestart. Op het
MDO van 29 november 2023 wordt patiënte nogmaals besproken.

3.8 De conclusie van het MDO wordt in het medisch dossier genoteerd als volgt:


MRI mamma.21-11-23 Gescand volgens het mammatumorprotocol met intraveneus contrast. Bekende solitaire massa dorsaal in de rechtermamma met een maximale transversale diameter van 1,7 bij 1 bij 1,4 cm. Deze was 2,5 x 1,4 x 2,2 cm. De massa is verder afgenomen t.o.v. voorgaand onderzoek. Aan de ventrale zijde bevindt zich in de hydromarker. Geen nieuwe aankleurende laesies. Bekende nodulaire aankleuringen lateraal in de linkermamma, ongewijzigd, waarschijnlijk intramammaire lymfeklieren. Axillair geen lymfadenopathie.
Conclusie: goede respons, verdere afname van de solitaire massa in de rechtermamma. Geen nieuwe afwijkingen.
Markers zichtbaar: destijds geplaatst rechter mamma
Conclusie: 71 jr patiënte met RECHTS invasief carcinoom NST , gr2/3 triple negatief na neo-adjuvante chemotherapie in omvang afgenomen van 3,1 naar 1,7 cm ycT1cN0Mx
Advies bespreking: lumpectomie +SNP rechts.


3.9 De operatie vond plaats op 13 december 2023. Na de operatie wordt patiënte op 28 december 2023 besproken in het MDO en daarvan wordt in het medisch dossier het volgende genoteerd:
Conclusie: 71 jr metaplastisch carcinoom gr3, 2,9 cm, Triple neg.
snijvlak vrij. partiële respons (>50% tumorrest).
ypT2N0(i-)(sn)Mx
Advies bespreking: radiotherapie 20x
ivm metaplastisch carcinoom bespreken cabecitabine

3.10 Van 23 januari 2024 tot en met 19 februari 2024 onderging patiënte een bestralingsbehandeling. Op 20 maart 2024 werd door de internist-oncoloog de mogelijkheid besproken om te starten met een chemokuur (Capecitabine in pilvorm), vanwege de omvang van de resttumor. De internist-oncoloog heeft hierbij een toelichting aan patiënte gegeven. Een vervolggesprek met de casemanager vond plaats op 28 maart 2024, in dat gesprek zijn de behandeling, het te verwachten verloop en mogelijke bijwerkingen nogmaals toegelicht. Patiënte heeft met het starten van deze kuur ingestemd.

3.11 Op 29 maart 2024 werd gestart met een tweewekelijks durende kuur Capecitabine. Op 2 april 2024 vond een telefonisch gesprek plaats met de casemanager, waarin geen bijwerkingen werden gerapporteerd.

3.12 Op 11 april 2024 belde patiënte dat zij sinds die nacht diarree heeft en op 12 april 2024 meldt patiënte dat zij ook braakt.

3.13 Op 14 april 2024 heeft patiënte zich in het ziekenhuis gemeld met uitdrogingsverschijnselen als gevolg van aanhoudende diarree. Nadat haar situatie verslechterde, is zij opgenomen op de IC. Daar is zij op 24 april 2024 overleden.

4. De klacht en de reactie van de internist-oncoloog
4.1 Klager verwijt de internist-oncoloog dat zij:
a) patiënte en haar familie niet goed heeft voorgelicht over de gevaren van de chemotherapie;
b) ten onrechte heeft gekozen voor een standaardprotocol en er geen maatwerk is geweest door geen rekening te houden met het dossier;
c) een volle kuur heeft gegeven terwijl een halve kuur wellicht beter zou zijn geweest;
d) geen rekening heeft gehouden met het feit dat patiënte een ernstig centrilobulair emfyseem had.

4.2 De internist-oncoloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1 Het college realiseert zich dat het voor de familie van de patiënte een ingrijpende ervaring moet zijn geweest om haar in de laatste maand ziek te zien worden en uiteindelijk te verliezen aan een andere aandoening dan de kanker, waarvoor zij het voorgaande jaar intensief behandeld was.

De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de internist-oncoloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist-oncoloog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) Patiënte en haar familie zijn niet goed voorgelicht over de gevaren van de chemokuur

5.3 Op 20 maart 2024 heeft de internist-oncoloog met patiënte het aanvullende chemotherapie-traject besproken, inclusief de werking, het proces en de mogelijke bijwerkingen. Uit het medisch dossier en de toelichting ter zitting blijkt tevens dat de potentieel lage kans op succes in dit gesprek aan de orde is gekomen. Het college stelt vast dat dit summier is beschreven. Het gehele proces en de overwegingen waarom er voor deze aanvullende chemokuur gekozen is, had bij voorkeur scherper gemogen. Niettemin staat voor het college voldoende vast dat door de internist-oncoloog de lage kans op succes en de kans op bijwerkingen met patiënte zijn besproken.

5.4 Patiënte heeft vervolgens besloten de behandeling te willen ondergaan. In een vervolggesprek met de casemanager is uitgebreide voorlichting gegeven over de aanvullende chemotherapie en de bijbehorende bijwerkingen, onder andere aan de hand van de website www.bijwerkingenbijkanker.nl, waarbij ook schriftelijke informatie aan patiënte is verstrekt zodat zij deze thuis kon nalezen. Ook tegenover de casemanager heeft patiënte aangegeven bewust te kiezen voor deze behandeling ondanks de lage kans op succes. De internist-oncoloog heeft in het gesprek van 20 maart 2024 aangeboden na het overleg met de casemanager nogmaals met patiënte in gesprek te gaan voordat een definitief besluit zou worden genomen; hiervan heeft patiënte geen gebruik gemaakt.

5.5 De door de internist-oncoloog gegeven informatie, zowel mondeling als schriftelijk, is daarmee voldoende geweest om aan patiënte duidelijk te maken welke bijwerkingen deze aanvullende chemotherapie met zich mee zou kunnen brengen en wat patiënte zou moeten doen indien deze zich voordeden. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel b) en c) en d) Ten onrechte kiezen voor een standaardprotocol waarbij geen rekening is gehouden met de voorgeschiedenis van patiënte, een volle chemokuur in plaats van een halve chemokuur geven, waarbij geen rekening werd gehouden met het feit dat patiënte een ernstig centrilobulair emfyseem had


5.6 De internist-oncoloog heeft bij de chemotherapie het standaardprotocol toegepast, wat inhoudt dat de behandeling is uitgevoerd volgens de richtlijnen voor de gemiddelde patiënt. Volgens klager was dit niet passend, omdat vanwege de gezondheidstoestand van patiënte een lagere dosis overwogen had moeten worden. Patiënte had ernstig centrilobulair emfyseem, veroorzaakt door roken. Daarnaast had zij eerder bijwerkingen ervaren, die volgens klager onvoldoende zijn meegenomen in het advies om de chemokuur te starten.

5.7 Het college overweegt dat patiënte zich presenteerde met een zeldzame en agressieve vorm van borstkanker, waarbij het risico op terugkeer van de borstkanker aanzienlijk is. Het besluit van de internist-oncoloog om aanvullende chemotherapie toe te passen, is in dit kader goed te onderbouwen. De casus is bovendien door de internist-oncoloog besproken tijdens meerdere multidisciplinaire overlegmomenten, waaruit het advies voortkwam om de mogelijkheid van de aanvullende Capecitabine kuur met patiënte te bespreken. De internist-oncoloog heeft gezegd dat zij alle relevante gegevens uit het medisch dossier heeft meegewogen. Er was een interval van circa vier tot vijf maanden tussen de eerdere chemotherapie voorafgaand aan de operatie en de start van deze laatste kuur; de laboratoriumuitslagen waren normaal. Het college is daarom van oordeel dat overeenkomstig de richtlijn gestart kon worden met een standaarddosering.

5.8 Bij intensieve behandelingen zoals chemotherapie is het van belang om voorzichtig te
werk te gaan bij patiënten met ernstig emfyseem. Zorgvuldige monitoring is cruciaal, zodat bij het optreden van ernstige bijwerkingen een dosisverlaging overwogen kan worden. Gedurende de gehele behandelperiode heeft de casemanager meerdere malen contact onderhouden via terugbelafspraken met patiënte, waarbij systematisch naar mogelijke bijwerkingen is geïnformeerd. Bij deze patiënte traden de bijwerkingen (dunne ontlasting) pas op na de laatste inname van Capecitabine-tabletten. Tijdens het overige deel van de chemokuur deden zich geen bijwerkingen voor die aanleiding gaven tot het verlagen van de dosering.

5.9 De internist-oncoloog heeft rekening gehouden met de voorgeschiedenis en de terugbelafspraken zijn consequent en juist door de verpleegkundige uitgevoerd. Uit de terugbelafspraken bleken geen bijwerkingen en er was dus geen indicatie om tot een verlaging van de dosis over te gaan. De bijwerkingen deden zich pas voor (kort) na het einde van de kuur.

5.10 Uit het voorgaande blijkt dat de verwijten die klager aan de klacht ten grondslag
heeft gelegd niet zijn komen vast te staan. Het mede door de internist-oncoloog gevolgde beleid ten aanzien van de patiënte is juist geweest. Feitelijk kan worden vastgesteld dat patiënte verdrietig genoeg kort na het einde van de kuur alsnog bijverschijnselen kreeg, en dat zij als gevolg daarvan uitdrogingsverschijnselen kreeg en een infectie opliep, waaraan zij is overleden. Het risico dat deze bijwerkingen zich zouden kunnen voordoen, inclusief de mogelijke gevolgen daarvan, was door de internist-oncoloog echter met patiënte besproken en dit risico was haar bekend. Aan de internist-oncoloog zijn geen verwijten te maken en daarmee is dit klachtonderdeel ongegrond.

Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, W.M. Creemers, lid-jurist, W.J.W. Bos, J.W.B. de Groot en M.E.M.M. Bos, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.