ECLI:NL:TGZRAMS:2025:289 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/7991
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:289 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-12-2025 |
| Datum publicatie: | 05-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/7991 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een uroloog. Klager heeft de klacht ingediend namens zijn overleden vader (de patiënt). De uroloog heeft de patiënt geopereerd aan zijn prostaat. Klager verwijt de uroloog onder andere dat zij de operatie niet goed heeft uitgevoerd. De uroloog heeft de operatie voortijdig moeten beëindigen. Door een onvoorziene omstandigheid van een bocht in de plasbuis liep het rechte operatie-instrument vast in de plasbuis waardoor het in een fausse route belandde. Het college is van oordeel dat de uroloog terecht heeft gekozen voor het beëindigen van de ingreep en het achterlaten van een katheter voor meerdere dagen zodat de plasbuis kon herstellen. Uit het medisch dossier en het operatieverslag blijkt verder niet dat de operatie niet volgens de richtlijnen of niet lege artis zou zijn uitgevoerd. De klacht is kennelijk ongegrond. |
A2025/7991
Beslissing van 5 december 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 5 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
uroloog,
destijds werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de uroloog,
gemachtigde: mr. A. Dekker, werkzaam te Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager heeft de klacht ingediend namens zijn overleden vader (hierna: de patiënt).
De uroloog heeft de patiënt op 29 oktober 2019 geopereerd aan zijn prostaat. Klager
verwijt de uroloog dat zij de operatie niet goed heeft uitgevoerd en dat de patiënt
tegen zijn zin een ruggenprik heeft gekregen. Volgens klager ging de patiënt lopend
het ziekenhuis in en kwam hij er in een rolstoel weer uit. Dit zou een gevolg van
de operatie zijn. De uroloog voert verweer.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 januari 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- de aanvullende stukken van klager (medisch dossier van de patiënt);
- het verweerschrift;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 27 mei 2025;
- de e-mail van de gemachtigde van verweerster van 27 mei 2025, met als bijlage
een uitspraak van de klachtencommissie van het ziekenhuis.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De patiënt (geboren in 1944) was patiënt in het ziekenhuis waarin de uroloog
werkzaam was. Hij was onder behandeling van een neuroloog voor neuropathie. Daarnaast
was hij onder behandeling van achtereenvolgens een orthopedisch chirurg, een radioloog,
een anesthesioloog/pijnteam, een uroloog, een fysiotherapeut en een revalidatiearts
van een revalidatiecentrum voor zijn liesklachten, rugklachten, slijtage in zijn heup,
zakken door zijn benen en mictieklachten. De rug- en liesklachten worden in het medisch
dossier vermeld vanaf mei 2019. De pijn en andere klachten namen gedurende de tijd
toe.
3.2 Op 9 april 2019 werd de patiënt door een collega van de uroloog gezien vanwege lagere-urinewegklachten: wisselend vaak plassen, zwakke straal en slechte erecties ondanks prostaatmedicatie. In het medisch dossier staat dat de patiënt ook andere al langer bestaande klachten had en dat de klachten vanaf mei 2019 verergerden. Genoemd staan: loopstoornissen, houdingsafhankelijke pijn, dove benen, nachtpijn, rugpijn, kniepijn, een dikke enkel, pijn in de linkerlies. De patiënt sliep in een relaxfauteuil vanwege de pijnklachten.
3.3 De patiënt is op 19 juli 2019 bij een collega van de uroloog op consult geweest. Zij bespraken de mictieklachten van de patiënt en de hiervoor aangeraden TURP: transurethrale resectie van de prostaat (prostaatweefselverwijdering via de plasbuis). De patiënt kreeg een folder hierover mee en gaf zijn Informed Consent.
3.4 De (verwerend) uroloog heeft de patiënt op 29 oktober 2019 voor het eerst ontmoet en geopereerd. Zij heeft geprobeerd de afgesproken TURP uit te voeren, maar dit lukte niet vanwege een fausse route bulbair: er vond een incisie van de plasbuis plaats. Daarop werd een CAD (verblijfskatheter) ingebracht bij de patiënt en de operatie beëindigd. De operatie vond plaats onder spinaal anesthesie (ruggenprik), gegeven door de anesthesioloog.
3.5 De uroloog heeft de patiënt zowel na de operatie als een dag later gesproken over de niet gelukte TURP. De CAD moest enkele dagen blijven zitten, zodat de plasbuis kon herstellen. Er werd een datum voor een nieuwe TURP ingepland in december 2019.
3.6 Op 6 november 2019 had de patiënt een telefonisch consult bij de uroloog. De CAD was inmiddels succesvol door de huisarts verwijderd en de mictie was goed op gang gekomen. Op 13 november 2019 kon de patiënt echter niet meer goed plassen en is opnieuw een CAD ingebracht.
3.7 De mobiliteits- en pijnklachten van de patiënt namen in de periode daarna toe. Op 2 januari 2020 heeft een collega van de uroloog de (nieuwe) TURP bij de patiënt uitgevoerd. De ingreep slaagde dit keer. Desondanks verergerden de klachten van de patiënt daarna verder.
3.8 In oktober 2020 is in een ander ziekenhuis myelopathie (ziekte/schade aan het ruggenmerg) ter hoogte van Th7 vastgesteld. Dit past bij een myeluminfarct (ruggenmerginfarct).
3.9 De patiënt is op 20 december 2022 overleden. Klager heeft op 4 december 2024 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van het ziekenhuis waarin de uroloog werkzaam was, met dezelfde klachtonderdelen als in deze tuchtklacht. De uroloog was toen niet meer werkzaam in dit ziekenhuis en is niet betrokken (geweest) bij deze klachtafhandeling. De klachtencommissie heeft de klacht op 6 mei 2025 ongegrond verklaard.
4. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
4.1 De vraag is of de uroloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende uroloog. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de uroloog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
4.2 Het college oordeelt dat de uroloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt.
Klachtonderdeel a) operatie is fout gegaan
4.3 Volgens klager heeft de uroloog de TURP op 29 oktober 2019 niet juist uitgevoerd
en was zij niet competent om de ingreep uit te voeren. Doordat zij met de scoop een
fausse route heeft gemaakt in de plasbuis van de patiënt is er een beschadiging van
de wand ontstaan. Na de operatie kon de patiënt niet plassen en acht uur lang niet
lopen. Hij dacht dat hij invalide was geworden. Klager meent dat er tijdens de ingreep
een infarct van het ruggenmerg heeft plaatsgevonden, waardoor de patiënt daarna steeds
slechter ging functioneren. Klager stelt dat de patiënt, die lopend het ziekenhuis
in ging, in een rolstoel het ziekenhuis is uitgekomen, waardoor zijn kwaliteit van
leven drastisch afnam.
4.4 De uroloog erkent dat zij de TURP op 29 oktober 2019 bij de patiënt weliswaar voortijdig heeft moeten beëindigen, maar dat dit haar niet te verwijten is. De vorm van de plasbuis van de patiënt verhinderde de ingreep. Door een onvoorziene omstandigheid van een bocht in de plasbuis liep het rechte operatie-instrument vast in de plasbuis waardoor het in een fausse route belandde. Het instrument beschadigde het omliggende weefsel, en de natuurlijke route naar de blaas was niet meer zichtbaar. Hierop besloot de uroloog de ingreep af te breken. Met een flexibele cystoscoop die naar de operatiekamer werd gebracht, werd vervolgens een ballonkatheter ingebracht en een urine-opvangzak aangesloten. De CAD is op advies van de uroloog enkele dagen blijven zitten. Het komt volgens de uroloog af en toe voor dat de vorm van de plasbuis de ingreep in eerste instantie verhindert. Dit is haar niet te verwijten. De uroloog benoemt verder dat zij sinds 2007 als algemeen uroloog werkzaam is en competent is dergelijke ingrepen te verrichten.
4.5 Namens de uroloog is verder verweer gevoerd dat sprake is van bias: doordat de klachten van de patiënt na de TURP verergerden, lijkt het alsof de TURP de oorzaak van deze verergering was. De patiënt had echter al veel bewegings- en plasklachten voordat de ingreep plaatsvond. Achteraf is gebleken dat de patiënt een myeluminfarct Th7 had, maar deze is volgens de uroloog niet ontstaan tijdens de TURP. Een ingreep aan de plasbuis leidt namelijk niet tot een myeluminfarct. Ook een CAD veroorzaakt nooit een dergelijk ziektebeeld. De vermeende urethrale klachten waren niet de oorzaak, maar wellicht een gevolg van het myeluminfarct, volgens de uroloog. Dit myeluminfarct werd echter pas in oktober 2020 benoemd; voordien werd het door de neuroloog geduid als polyneuropathie.
4.6 Het college merkt op dat het introduceren van het instrumentarium voor het verrichten van een TURP het eerste cruciale moment van de ingreep is. Zeker bij een steile blaashals in combinatie met spinaal anesthesie, zoals bij de patiënt het geval was, is er een risico op het beschadigen van de plasbuis ter hoogte van de sluitspier/prostaat. Hierbij kan letsel ontstaan, een fausse route. Dit is een bekende complicatie. Het is lege artis (volgens de regelen der kunst) om dan te beoordelen of deze fausse route een belemmering vormt om de ingreep door te laten gaan. Naar het oordeel van het college heeft de uroloog hier terecht gekozen voor het beëindigen van de ingreep en het achterlaten van een katheter voor meerdere dagen zodat de plasbuis kon herstellen. Uit het medisch dossier en het operatieverslag blijkt verder niet dat de operatie niet volgens de richtlijnen of niet lege artis zou zijn uitgevoerd. Ook is er naar het oordeel van het college geen enkele reden om aan te nemen dat de uroloog incompetent zou zijn de TURP te verrichten. Klager heeft deze stellingname ook niet onderbouwd. Het niet slagen van de TURP was volgens het college niet vermijdbaar en derhalve ook niet verwijtbaar.
4.7 Het college is verder met de uroloog van oordeel dat de neurologische klachten van de patiënt weliswaar verergerden na de ingreep, maar dat dit niet te wijten is aan de ingreep. Alles overziend is het college van oordeel dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel b) ongewenste ruggenprik
4.8 Klager stelt dat de patiënt geen ruggenprik wilde voor de TURP omdat hij al
rugklachten had. Daarom wilde hij algemene anesthesie (narcose). Toch kreeg hij een
ruggenprik.
4.9 Namens de uroloog is gesteld dat niet zij maar de anesthesioloog verantwoordelijk was en is voor de anesthesie.
4.10 Het college is het met de uroloog eens dat de anesthesioloog verantwoordelijk
is voor de (vorm van) anesthesie, en niet de uroloog. Hiervoor kan de uroloog derhalve
geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Reeds daarom is dit klachtonderdeel kennelijk
ongegrond.
Slotsom
4.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
5. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 5 december 2025 door A. van Maanen, voorzitter, K.
Volker, lid-jurist, I.J. de Jong, W.F.R.M. Koch en S. Veersema, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.A.E. Veeren, secretaris.