ECLI:NL:TGZRAMS:2025:288 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/7982
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:288 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-12-2025 |
| Datum publicatie: | 05-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/7982 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een uroloog. De uroloog heeft bij klaagster een chronische vorm van blaasontsteking en stressincontinentie vastgesteld. Hij heeft in dat verband twee ingrepen bij klaagster uitgevoerd. Klaagster verwijt de uroloog onder andere dat er geen sprake was van informed consent. Nu klaagster gemotiveerd heeft betwist voldoende te zijn voorgelicht, acht het college het enkele feit dat het informed consent-formulier is ondertekend, onvoldoende om informed consent aan te nemen. Het college kan aan de hand van het formulier niet vaststellen wat de uroloog precies met klaagster heeft besproken, omdat er alleen kruisjes zijn gezet, maar de velden daarachter niet zijn ingevuld en in het medisch dossier evenmin is vastgelegd wat er met klaagster is besproken. Het college is van oordeel dat de uroloog zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van het informeren van klaagster heeft miskend. Tijdens de zitting heeft hij ook geen blijk gegeven van reflectie op zijn handelen. Het college legt een berisping op. |
A2025/7982
Beslissing van 5 december 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 5 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. M.H.M. Mook, werkzaam te Leusden,
tegen
C,
uroloog,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de uroloog,
gemachtigde: mr. M.L. Jinkes de Jong, werkzaam te Zoetermeer.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster ondervindt al gedurende zo’n tien jaar diverse (pijn)klachten, waaronder
ernstige blaasproblemen. Verweerder is uroloog en heeft bij klaagster een chronische
vorm van blaasontsteking (cystitis cystica) en stressincontinentie vastgesteld. Op
9 juli 2019 heeft de uroloog twee ingrepen uitgevoerd; een operatie aan de chronische
cystitis in verband met de (pijnlijke) ontsteking en tegelijkertijd een TOT suspensie,
waarbij een kunstof bandje is geplaatst (Trans Obturator Tape) om urineverlies te
voorkomen.
1.2 Klaagster verwijt de uroloog, kort samengevat, dat hij de ingrepen niet voldoende
heeft voorbereid, dat er onvoldoende informatie is verstrekt en informed consent
ontbreekt en dat zij niet serieus is genomen door de uroloog. De uroloog voert verweer.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de uroloog ten aanzien van één klachtonderdeel
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, te weten ten aanzien van de informatieverstrekking
en het informed consent, en dat dit klachtonderdeel gegrond is. Voor het overige is
de klacht ongegrond. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 januari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 12 mei 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 oktober 2025. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster (geboren in 1952) is op 31 mei 2019 door haar huisarts verwezen naar
de uroloog in verband met recidiverende urineweginfecties en forse pijn in haar bekkengebied
en rug.
3.2 Op 5 juni 2019 was het eerste consult bij de uroloog. Anamnestisch was er een beeld van gemengde incontinentie, waarbij er eveneens recidiverende urineweginfecties bestonden, in combinatie met hevige pijnen. Er is door de uroloog een urinekweek afgenomen voor nader onderzoek. Eerder al was klaagster op consult geweest bij een collega-uroloog in verband met mictieklachten. Uit de medische brief, die aan de verwijsbrief van de huisarts was toegevoegd, bleek dat daar diverse onderzoeken voor zijn gedaan. Verder werd duidelijk dat klaagster ook problemen ondervond op andere terreinen. Klaagster was verwezen naar een neuroloog in verband met evaluatie van haar rug- en blaaspijn, waarbij mogelijk sprake was van een hernia en waarvoor op 17 mei 2019 een MRI-scan is verricht. Voorts stond klaagster onder behandeling van de pijnpoli voor chronische pijn. De uroloog heeft contact opgenomen met de huisarts van klaagster om aanvullende informatie in te winnen en verduidelijking te verkrijgen over de bij klaagster bestaande klachten.
3.3 Op 19 juni 2019 vond het volgende consult plaats. Bij gelegenheid van dit consult raakte de uroloog ermee bekend dat klaagster (ook) onder behandeling stond bij de vulvapoli in verband met lichen sclerosus. Er is tijdens dit tweede consult lichamelijk onderzoek verricht en aanvullend onderzoek gedaan in de vorm van uroflowmetrie, cystoscopie, een echo van de blaas en vagina en een BNU-test. Op de (elders) op 17 mei 2019 verrichte MRI-scan bleek geen hernia aantoonbaar te zijn. De conclusie van de uroloog was dat bij klaagster sprake was van stressincontinentie en afwijkingen in de blaas in de vorm van cystitis cystica. Het behandelvoorstel van de uroloog was om voor de afwijkingen in de blaas te vaporiseren (TURT-VAPO-procedure) en om gelijktijdig een TOT operatie te verrichten om de stressincontinentie te behandelen. De uroloog heeft klaagster fosfomycine (een antibioticum) voorgeschreven.
3.4 Op 26 juni 2019 had klaagster een afspraak op de POS (pre-operatieve screening) bij de anesthesioloog. Klaagster heeft toen ook de uitslag van de afgenomen kweek van de uroloog vernomen; multiresistente E.Coli in verband waarmee antibiotica werd gecontinueerd.
3.5 Tijdens een telefonisch consult op 2 juli 2019 gaf klaagster aan nog klachten te ondervinden. Op 3 juli 2019 is toen opnieuw een kweek afgenomen. Op 4 juli 2019 volgde de uitslag van de kweek. Er was op dat moment geen aanwijzing voor een urineweginfectie.
3.6 Op 9 juli 2019 heeft de operatie plaatsgevonden. De vaporisatie vond eerst plaats, nadat er enkele biopten van het blaasslijmvlies waren genomen voor pathologisch onderzoek en vervolgens de TOT procedure, waarbij het bandje is geplaatst. Nadien werd een poliklinische afspraak voor 20 augustus 2019 gemaakt.
3.7 Op 25 juli 2019 heeft klaagster telefonisch contact met het medisch centrum opgenomen en gesproken met de dokterassistente. Er is toen een afspraak gemaakt voor een consult bij de uroloog voor 1 augustus 2019. Klaagster had toen nog veel pijnklachten. De uroloog adviseerde om door te gaan met de fosfomycine en er is een urinekweek afgenomen. Op 8 augustus 2019 vond telefonisch een vervolgconsult plaats, waarbij de uitslag van de kweek met klaagster is gedeeld. De uroloog zette het expectatieve beleid voort en adviseerde supplementen D-mannose, probiotica en cranberry.
3.8 De post-operatieve controle door de uroloog, die was gepland op 20 augustus 2019, heeft niet plaatsgehad. Van de huisarts van klaagster vernam de uroloog dat klaagster elders voor een second opinion wilde gaan. Wel wilde klaagster in oktober nog bij de uroloog langskomen om alles netjes af te sluiten. Op 1 oktober 2019 heeft de uroloog telefonisch contact met klaagster opgenomen. Klaagster vertelde dat zij nog altijd blaasontstekingen had en meer pijn dan voor de ingreep door de uroloog. Daarna is er geen contact meer geweest.
3.9 In augustus 2023 heeft klaagster het medisch centrum waar de uroloog werkzaam is aansprakelijk gesteld voor de schade die zij door de behandeling zou hebben opgelopen. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het medisch centrum heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
4. De klacht en de reactie van de uroloog
4.1 Klaagster heeft in het klaagschrift zes klachtonderdelen opgenomen. Bij gelegenheid
van het mondeling vooronderzoek zijn deze klachten met instemming van klaagster, en
deze instemming is nogmaals door klaagster bevestigd tijdens de zitting, in drie categoriën
samengevoegd. Volgens klaagster heeft de uroloog onzorgvuldig gehandeld, omdat hij:
a) de operatieve ingreep niet voldoende heeft voorbereid;
b) onvoldoende informatie heeft verstrekt en geen informed consent heeft verkregen;
c) haar (klachten) niet voldoende serieus heeft genomen.
4.2 De uroloog heeft het college verzocht de klacht in alle onderdelen ongegrond
te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het is duidelijk dat klaagster nog steeds veel klachten en pijn ondervindt.
Het college heeft daar oog voor, maar het zal de klacht moeten beoordelen aan de hand
van de zakelijke criteria die hiervoor in het tuchtrecht gelden.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of de uroloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende uroloog. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) voorbereiding operatieve ingreep
5.3 Klaagster stelt dat de uroloog al tijdens het eerste consult heeft besloten
tot opereren, terwijl een operatie toen niet met haar was besproken en er geen aanvullend
onderzoek was gedaan. Ook heeft de uroloog het dossier van de vulva-poli niet bestudeerd.
5.4 Het college overweegt dat het onderdeel van het verwijt van klaagster dat ziet op de datum waarop tot de ingreep is besloten, op een vergissing berust. Uit het medisch dossier volgt, en dit is ook door klaagster ter zitting onderkend, dat het eerste consult met klaagster plaatsvond op 5 juni 2019. Pas tijdens het tweede consult op 19 juni 2019 heeft de uroloog besloten tot de gecombineerde ingreep: behandeling van de cystitis tezamen met de TOT suspensie.
5.5 Op basis van het medisch dossier en de door de uroloog gegeven toelichting heeft het college vastgesteld dat de uroloog de relevante medische informatie heeft verzameld en betrokken in zijn afwegingen. De uroloog heeft tijdens het eerste consult geconstateerd dat klaagster al langere tijd klachten had. Omdat de verwijsbrief van de huisarts niet de voorgeschiedenis dekte, heeft de uroloog contact opgenomen met de huisarts van klaagster en bij andere, relevante behandelaars informatie opgehaald. Er is lichamelijk onderzoek verricht en hulponderzoek, zoals een uroflowmetrie, een cystoscopie, echografisch onderzoek en een BNU-test. De uroloog heeft navraag gedaan over de MRI-scan en hoorde op 19 juni 2019 dat klaagster onder behandeling was bij de vulva-poli. Dit alles heeft hij meegenomen in zijn afwegingen.
5.6 Het college is van oordeel dat de uroloog de noodzakelijke onderzoeken heeft verricht en informatie heeft verzameld. Hiervan heeft de uroloog op correcte wijze verslag gedaan in het medisch dossier. Het college is van oordeel dat de uroloog hiermee aan zijn onderzoeksplicht voorafgaand aan de behandeling heeft voldaan. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) informatieverstrekking en informed consent
5.7 Volgens klaagster heeft de uroloog haar niet geïnformeerd over de risico’s en complicaties van beide ingrepen. Ook heeft zij geen folders ontvangen en was er geen bedenktijd. De uroloog heeft niet nagevraagd of voor klaagster alles duidelijk was en begrepen. Klaagster heeft toegelicht dat zij op 19 juni 2019 aanvankelijk alleen informatie heeft gekregen over de eerste ingreep (de TURT-VAPO-procedure). De uroloog heeft verteld wat de procedure was bij een ontstoken blaas. Het plaatsen van ‘het bandje’ (de TOT-procedure) is wel genoemd door de uroloog, maar klaagster wist niet wat dat was. Klaagster stelt dat zij de uroloog wel heeft gevraagd waarom het bandje nodig was, maar dat zij geen uitleg heeft gekregen. Klaagster wilde vooral van haar pijnklachten af, de incontinentie stond bij haar niet op de voorgrond. Aan het einde van het consult op 19 juni 2019 moest klaagster het informed consent-formulier tekenen, wat zij heeft gedaan.
5.8 De uroloog betwist dat hij klaagster niet adequaat heeft geïnformeerd. Hij stelt dat hij met klaagster heeft besproken dat zij een chronische ontsteking van de blaas had die door lekkage werd veroorzaakt. Om te voorkomen dat de lekkage en chronische blaasontsteking zouden blijven bestaan, heeft de uroloog geadviseerd om gelijktijdig een TURT-vaporisatie en een TOT-suspensie te verrichten. Hij heeft klaagster informatie gegeven over de risico’s van de operatie. Hij heeft uitgelegd wat een bandje is en dat plassen in de beginperiode na de operatie moeizaam gaat en dat dit geleidelijk beter wordt. De uroloog weerspreekt dat klaagster niet de kans heeft gekregen om rustig na te denken en in haast het formulier moest ondertekenen. Hij heeft toegelicht dat als tot een operatie wordt besloten de gangbare praktijk is dat een patiënt naar de balie wordt verwezen waar nadere informatie, zoals brochures en formulieren, wordt verstrekt. Voor verdere informatie wordt naar de website van het medisch centrum verwezen. Aan de balie wordt gecontroleerd of de patiënt alles heeft begrepen. Op het formulier van klaagster zijn door de uroloog kruisjes gezet, wat betekent dat hij de informatie met klaagster heeft besproken. Bij de balie kan de patiënt nogmaals nadenken voordat akkoord voor de operatie wordt gegeven. Tenslotte heeft de uroloog erop gewezen dat juist klaagster bij hem op spoed heeft aangedrongen.
5.9 Het college overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat een patiënt toestemming geeft voor het uitvoeren van een behandeling, zoals ook is opgenomen in artikel 7:450 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 7:448 BW bepaalt dat de arts, alvorens toestemming te vragen, de patiënt eerst duidelijk (en desgevraagd schriftelijk) dient te informeren over een voorgestelde behandeling. Duidelijk moet zijn wat de aard en het doel zijn van de behandeling, wat de diagnose en de prognose zijn voor de patiënt, welke risico’s aan de behandeling verbonden zijn, welke complicaties er kunnen optreden en welke alternatieven mogelijk zijn. De arts mag de behandeling pas starten als de patiënt hiervoor toestemming heeft gegeven. De informatieplicht van de arts en het toestemmingsvereiste vormen samen het informed consent. Bij gecompliceerde behandelingen waaraan voor de patiënt grote gevolgen kunnen zijn verbonden, is meer voorlichting van belang dan bij minder ingrijpende behandelingen.
5.10 Het college is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat klaagster adequaat is voorgelicht over de twee operaties, inclusief risico’s en eventuele complicaties. In dit geval, waarin klaagster gemotiveerd heeft betwist voldoende te zijn voorgelicht, acht het college het enkele feit dat het informed consent-formulier door klaagster is ondertekend, onvoldoende om informed consent aan te nemen. Het college kan aan de hand van dat formulier immers niet vaststellen wat de uroloog precies met klaagster heeft besproken. Op het informed consent-formulier zijn weliswaar kruisjes gezet, maar de velden daarachter, zoals de aard en doel van de ingreep, de risico’s en complicaties en alternatieven, zijn leeg. In het medisch dossier is evenmin vastgelegd wat er met klaagster is besproken. Het college kan, omdat deze informatie zowel op het informed consent-formulier als in het medisch dossier ontbreekt, niet vaststellen dat de uroloog klaagster van informatie heeft voorzien die is toegespitst op haar specifieke, individuele casus. Dit klemt temeer omdat het om een combinatie van twee ingrepen ging waarbij de mogelijke gevolgen voor klaagster duidelijk hadden moeten zijn. Het college heeft ook niet kunnen vaststellen dat de uroloog (afdoende) heeft geverifieerd dat klaagster de door hem verstrekte informatie, in het bijzonder met betrekking tot het plaatsen van het bandje in combinatie met een TURT-Vapo, heeft begrepen.
5.11 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de uroloog naar het oordeel van het college zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van het informeren van klaagster miskend. Het had op zijn weg gelegen de procedure, de voor- en nadelen, en de eventuele risico’s en belasting van de voorgenomen behandelingen met klaagster te bespreken. Voor zover de uroloog nog heeft aangevoerd dat klaagster zo snel mogelijk geholpen wilde worden, merkt het college op dat patiënten, ook in díe (electieve, niet levensbedreigdende) situatie, voldoende moeten worden voorgelicht en voldoende tijd moeten worden gegund om de informatie te lezen, over de verstrekte informatie na te denken en eventueel aanvullende vragen te kunnen stellen vóórdat het instemmingsformulier wordt getekend. Het enkele feit dat een patiënt snel geholpen wil worden en aandringt op de voortgang, betekent niet dat de verplichting van de beroepsbeoefenaar op dit punt op een ander niveau ligt. De zorgvuldigheid vereist dat ook in dat geval voldoende tijd moet worden gegeven voor het weloverwogen kunnen geven van informed consent.
5.12 Voor wat betreft de folders is aangevoerd dat de gebruikelijke gang van zaken is dat die, nadat de uroloog een patiënt heeft gesproken, door de baliemedewerkster aan patiënten wordt meegeven. Het college kan niet vaststellen of de folders in dit geval al dan niet aan klaagster zijn meegeven en of op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld. Wel merkt het college op dat aan te raden is in het medisch dossier expliciet te benoemen welke informatie aan patiënten is meegegeven. Het college hecht er in dit verband tenslotte waarde aan om op te merken dat het meegeven van een folder en/of het medisch dossier de patiënt in staat stelt één en ander thuis na te lezen. Dit doet evenwel niets af aan hetgeen in de spreekkamer door de uroloog met klaagster had moeten worden besproken. De aanvullende informatie is slechts ondersteunend en kan een adequaat informed consent niet vervangen.
5.13 Met uitzondering van het verwijt dat ziet op het al dan niet meegeven van folders, is dit klachtonderdeel gegrond.
Klachtonderdeel c) bejegening
5.14 Volgens klaagster heeft de uroloog haar niet serieus genomen. De uroloog bepaalde
alles zonder naar klaagster te luisteren. Er is continu een zekere mate van irritatie
geweest. De uroloog herkent zich absoluut niet in dit klachtonderdeel en voert aan
dat hij juist erg goed naar klaagster heeft geluisterd en heeft geprobeerd een totaalbeeld
te krijgen door de verkregen (medische) informatie te kanaliseren en tot een werkbaar
probleem terug te brengen.
5.15 Het college stelt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel voorop dat verwijten over de wijze van communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen. Het college was immers niet bij de consulten aanwezig. Tijdens de hoorzitting heeft het college wel gemerkt dat de communicatie tussen partijen moeizaam is. Of dat een gevolg is van botsende karakters of dat dat een andere oorzaak heeft, kon het college niet vaststellen, maar mogelijk heeft deze moeizame communicatie ook tijdens de consulten een rol gespeeld. Omdat door het college niet kan worden vastgesteld hoe de communicatie tijdens de consulten precies is verlopen, kan niet worden vastgesteld dat de uroloog op dit onderwerp klachtwaardig heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht deels – met betrekking tot
het informed consent – gegrond is. De andere klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel
5.17 Nu de klacht deels gegrond is verklaard, moet het college een beslissing nemen
over het al dan niet opleggen van een maatregel.
5.18 De uroloog valt aan te rekenen dat hij bij de door hem ingezette behandeling voorbij is gegaan aan de vereisten van het informed consent en dit niet heeft toegespitst op de individuele casus en behoeften zoals die zich bij klaagster voordeden. De documentatie ontbreekt dan wel is onvolledig. Daar komt bij dat de uroloog onvoldoende oog heeft gehad voor het belang van klaagster, waarbij het verhelpen van de pijnklachten belangrijker was dan het verhelpen van de incontinentie. De uroloog heeft dit onvoldoende herkend althans hierover uitleg gegeven aan klaagster. Tijdens de inhoudelijke behandeling op de zitting heeft de uroloog ook geen blijk gegeven van reflectie op zijn handelen in verhouding tot wat van hem mag worden verwacht bij het verkrijgen van een informed consent. Gezien de aard en ernst van dit tuchtrechtelijke verwijt en het ontbreken van reflectie, acht het college een berisping passend en geboden.
Publicatie
5.19 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk kunnen leren van wat hiervoor onder 5.9 e.v. is overwogen. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel b) grotendeels gegrond;
- legt de uroloog de maatregel op van berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch
Contact.
Deze beslissing is gegeven door A. van Maanen, voorzitter, K.M. Volker, lid-jurist,
I.J. de Jong, W.F.R.M. Koch en S. Veersema, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M.A.E. Veeren, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.