ECLI:NL:TGZRAMS:2025:285 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7508
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:285 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-12-2025 |
| Datum publicatie: | 02-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7508 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een revalidatiearts. Klaagster verwijt de revalidatiearts onder meer dat zij een verkeerde medische behandeling heeft ingezet en haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden. Het college komt tot de conclusie dat er geen verkeerde behandeling is ingezet, maar dat er helemaal geen behandeling van de grond kon komen. Dit valt de revalidatiearts niet te verwijten. Geen aanleiding om aan te nemen dat de revalidatiearts haar beroepsgeheim heeft geschonden. |
A2024/7508
Beslissing van 2 december 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 2 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
revalidatiearts,
destijds werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr. L.F.W van Zuijlen, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster verwijt de revalidatiearts dat zij een verkeerde medische behandeling
heeft ingezet, haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden en betrokken is geweest
bij valsheid in geschrifte en het ontbreken van een ID-kaart. De revalidatiearts heeft
de klachtonderdelen betwist.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in het klachtonderdeel over valsheid in geschrifte en het ontbreken van een ID-kaart en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief met bijlagen van de gemachtigde van verweerster, binnengekomen op 3 februari
2025;
- de brief van klaagster met een bijlage, eveneens binnengekomen op 3 februari 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 19 februari 2025.
2.2 Klaagster was (zonder voorafgaande berichtgeving) niet aanwezig bij het mondelinge vooronderzoek.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 De revalidatiearts is van maart 2014 tot en met juli 2022 werkzaam geweest bij
D als medisch directeur (tot en met eind juni 2022) en als revalidatiearts.
3.2 Klaagster lijdt aan niet aangeboren hersenletsel als gevolg van een mishandeling in 2016 en een ongeval in 1989. Hierdoor heeft klaagster visuele klachten en overprikkelingsklachten, onder andere voor geluid.
3.3 Klaagster is van 13 augustus 2018 tot 16 mei 2022 voor deze klachten onder behandeling geweest bij D. De revalidatiearts is van 27 februari 2019 tot het einde van de behandeling bij de zorg van klaagster betrokken geweest.
3.4 Op 27 februari 2019 heeft de revalidatiearts de behandeling overgenomen en hebben klaagster en de revalidatiearts elkaar voor het eerst ontmoet. In overleg met klaagster is klaagster verwezen naar een combinatie spreekuur revalidatie/neuropsychiatrie op een andere locatie, om te onderzoeken of en zo ja wie klaagster het beste kon begeleiden bij haar klachten. Het consult dat klaagster daar heeft gehad, heeft niet geleid tot een behandeling.
3.5 Hierop is klaagster op haar verzoek weer bij de revalidatiearts op controle geweest en hebben er vier fysieke consulten en elf telefonische contacten plaatsgevonden, waarvan vijf op verzoek van klaagster. De e-mailberichten die klaagster tussentijds stuurde hadden regelmatig geen betrekking op de behandeling maar op andere zaken, zoals het adviesbureau van de gemeente en vermeende fraude.
3.6 Het is uiteindelijk niet gekomen tot een behandelprogramma binnen D. Het laatste (fysieke) contact tussen klaagster en de revalidatiearts was op 16 mei 2022
3.7 Klaagster heeft meerdere klachten en claims ingediend bij D. Van de interne klachtenprocedure heeft klaagster geen gebruik gemaakt.
4. De klacht en de reactie van de revalidatiearts
4.1 Klaagster verwijt de revalidatiearts:
a) verkeerde medische behandeling van oog- hersenletsel na mishandeling;
b) het niet vergoeden van geadviseerde hulpmiddelen;
c) dat zij haar medisch beroepsgeheim geschonden heeft door informatie te delen
met het adviesbureau van de GGD/WMO;
d) dat zij zich in een e-mailbericht van 9 maart 2020 als revalidatiearts eenzijdig
aan klaagsters behandelingstraject heeft onttrokken en een consult geweigerd heeft
omdat klaagster niet als inwoner van de gemeente B ingeschreven zou staan, en dat
zij na hernieuwde inschrijving op 6 november 2021 van klaagster in de gemeente B een
nieuw consult met klaagster geweigerd heeft; e) dat zij klaagster bedreigd heeft tijdens
een bezoek van klaagster aan de revalidatiekliniek van D op 9 april 2021
f) dat zij valsheid in geschrifte heeft gepleegd en verantwoordelijk was voor het
ontbreken van een ID-kaart waardoor klaagster aangewezen was op hulp voor ongedocumenteerden.
4.2 De revalidatiearts heeft het college verzocht om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de revalidatiearts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De revalidatiearts heeft naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk
is in de klacht, omdat de klacht (in ieder geval voor wat betreft klachtonderdeel
f) niet duidelijk is waardoor het voor de revalidatiearts niet duidelijk is wat haar
precies wordt verweten.
5.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster voor een deel van de klacht niet-ontvankelijk is en voor het overige deel wel ontvankelijk.
5.3 Ook voor het college is onduidelijk wat klaagster precies bedoelt met klachtonderdeel over de valsheid in geschrifte en het ontbreken van een ID-kaart. Het is het college wel duidelijk geworden dat klaagster de revalidatiearts verantwoordelijk vindt voor identiteitsfraude en valsheid in geschrifte, of in ieder geval vindt dat de arts daarbij betrokken is. Klaagster heeft echter nagelaten in haar klaagschrift en in de aanvullende stukken te omschrijven en te onderbouwen waaruit die verantwoordelijkheid en betrokkenheid dan bestaat. Het is daardoor voor het college niet duidelijk waar de klacht precies om gaat. De klacht is onvoldoende duidelijk gemaakt en voldoet daarmee niet aan de eisen zoals gesteld in het Tuchtrechtbesluit, artikel 4 lid 1 sub b.
5.4 Het college zal dit klachtonderdeel daarom niet inhoudelijk bespreken.
Welke criteria gelden bij de beoordeling van de andere klachtonderdelen?
5.5 De vraag is of de revalidatiearts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende revalidatiearts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de revalidatiearts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.6 Het college oordeelt dat de revalidatiearts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hieronder wordt dit toegelicht.
Klachtonderdelen a en b) verkeerde medische behandeling en weigeren hulpmiddelen
5.7 Klaagster verwijt de revalidatiearts een verkeerde medische behandeling na oog-
en hersenletsel na een mishandeling. Ook verwijt zij de revalidatiearts dat voorgeschreven
hulpmiddelen niet zijn vergoed.
5.8 Het college volgt het verweer van de revalidatiearts. Het is niet vast komen te staan dat er een verkeerde medische behandeling is ingezet na de mishandeling van klaagster. Uit de processtukken en uit de verklaring van de revalidatiearts bij het mondeling vooronderzoek leidt het college af dat de revalidatiearts klaagster in eerste instantie heeft verwezen naar een combinatie spreekuur revalidatie/neuropsychiatrie met twee andere artsen op een andere locatie, maar dat de behandeling daar niet is gestart. In die periode dreigde klaagster uit haar woning te worden gezet en bovendien zei klaagster slachtoffer te zijn van identiteitsfraude. Vervolgens is klaagster teruggekeerd naar de revalidatiearts. Klaagster heeft laten weten dat de gebeurtenissen in haar leven, inclusief het consult na verwijzing met de andere artsen, haar veel stress bezorgden. De revalidatiearts heeft met klaagster besproken dat een behandeling alsnog zou kunnen starten als klaagster minder last zou hebben van stress en haar leven in rustiger vaarwater zou komen. De revalidatiearts heeft klaagster vervolgens willen behandelen voor prikkelverwerking, en hebben er meerdere –live en telefonische- consulten plaatsgehad. De revalidatiearts heeft gezegd dat klaagster niet naar alle afspraken kwam, maar buiten de afspraken om wel heel veel berichten stuurde, en dat klaagster het tijdens de consulten en in die berichten steeds had over bijzaken. Hierdoor kon de behandeling niet goed starten.
5.9 Het college komt tot de conclusie dat er geen verkeerde behandeling is ingezet, maar dat er helemaal geen behandeling van de grond kon komen. Het college heeft de indruk gekregen dat klaagster met veel complexe problemen worstelt, en het college ziet dat dit allemaal ook erg zwaar is voor klaagster. Dat de behandeling niet kon starten is dan ook niet de schuld van klaagster, maar het is ook niet iets dat de revalidatiearts, die klaagster echt leek te willen helpen, valt te verwijten.
5.10 Daarnaast is het niet gebleken dat de revalidatiearts een rol heeft gespeeld in het weigeren van de vergoeding van de hulpmiddelen voor klaagster. De revalidatiearts heeft in een medische verklaring geschreven dat het wenselijk was als klaagster een fiets zou krijgen met een lage instap. Eerder was al een medische verklaring afgelegd voor een ‘noise cancelling hulpmiddel’ voor klaagster. De revalidatiearts gaat echter niet over de vraag of vergoeding vervolgens wel of niet plaatsvindt. Dit is de beslissing van de zorgverzekeraar.
5.11 De klachtonderdelen a en b zijn hiermee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) schending medisch beroepsgeheim
5.12 Klaagster heeft in haar klaagschrift benoemd dat de revalidatiearts schriftelijk
informatie zou hebben gedeeld met een derde die een ruimte huurde in het pand van
D, en die ook werd ingehuurd door GGD B, waardoor er een verwisseling in identiteit
heeft plaatsgevonden.
5.13 De revalidatiearts betwist dit. Zij zegt geen medische informatie van klaagster te hebben gedeeld met GGD B. Zij heeft geen idee over welke informatie het zou moeten gaan en benadrukt nadrukkelijk dat dit dan ook niet heeft plaatsgevonden.
5.14 Het college vindt in het dossier en de door klaagster aangeleverde stukken geen aanknopingspunt voor de stellingen van klaagster. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de revalidatiearts schriftelijk informatie zou hebben gedeeld met GGD B, ook niet via de persoon over wie klaagster schrijft. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) eenzijdig onttrekken als revalidatiearts
5.15 Klaagster verwijt de revalidatiearts voorts dat zij klaagster hulp zou hebben
geweigerd als slachtoffer van huiselijk geweld door klaagster op 9 maart 2020 als
revalidatiearts eenzijdig te laten weten dat zij niet meer optrad als klaagsters revalidatiearts
omdat klaagster niet langer als inwoner van de gemeente B ingeschreven zou staan,
en dat zij na hernieuwde inschrijving op 6 november 2021 van klaagster in de gemeente
B een nieuw consult met klaagster geweigerd heeft.
5.16 De revalidatiearts heeft betwist dat zij klaagster zorg zou hebben geweigerd. Zij heeft gezegd dat zij klaagster op 16 mei 2022 voor het laatst heeft gezien en dat klaagster toen helemaal niets heeft gezegd over het weigeren van consulten. Het college heeft in de bijlagen die klaagster heeft toegestuurd gezocht naar een onderbouwing van klaagsters stelling, maar heeft niets gevonden. Onder die omstandigheden kan het college niet vaststellen dat het verhaal van klaagster klopt. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) bedreiging van klaagster op 9 april 2021
5.17 Klaagster heeft deze bedreiging genoemd in haar klaagschrift. Bewijsstukken
heeft zij ook hier niet geleverd. Bovendien heeft klaagster de bedreiging helemaal
niet gespecificeerd, zij heeft alleen geschreven dat zij tijdens een bezoek bij D
op 9 april 2021 het pand is uitgezet met de mededeling dat de revalidatiearts haar
arts niet was. In een mail van 19 april 2021 van klaagster aan de revalidatiearts,
die door de revalidatiearts is overgelegd, schrijft klaagster over het bezoek aan
D op 9 april 2021, maar noemt zij nergens een vorm van bedreiging. Uit deze toelichting
kan het college niet afleiden dat er daarbij sprake was van een bedreiging, laat staan
dat de revalidatiearts daarbij een rol heeft gespeeld. Ook dit klachtonderdeel is
hiermee kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a tot en met e kennelijk ongegrond zijn. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel f.
6. De beslissing
Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel f. De
klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 2 december 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
H.R. Holtslag en J.A. Carpay, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.