ECLI:NL:TGZRAMS:2025:282 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8752

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:282
Datum uitspraak: 28-11-2025
Datum publicatie: 28-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8752
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen AIOS oogheelkunde in het vierde jaar van zijn opleiding. Geen aanwijzing dat er iets anders aan de hand was dan de geconstateerde beschadiging van het hoornvlies. Onderzoek was zorgvuldig en adequaat.

A2025/8752
Beslissing van 28 november 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 28 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
arts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de arts dat hij de diagnose oogontsteking heeft gemist. De arts heeft verweer gevoerd tegen de klacht.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 13 mei 2025;
- de brief van de secretaris aan klager van 26 mei 2025;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Op 30 maart 2025 bezocht klager E in het ziekenhuis waar de arts werkzaam is. De arts heeft klager onderzocht. Klager deelde hem mee dat hij al twee weken last had van pijn in het linkeroog en dat hij die nacht wakker geworden was van de pijn in dat oog. De arts heeft onder meer in het dossier genoteerd (alle citaten zijn letterlijk overgenomen, inclusief eventuele typ- en spelfouten):


Lichamelijk onderzoek
(…)
Spleetlamp OD (rechteroog): cornea (hoornvlies) helder, voorste oogkamer diep c-t-
Spleetlamp OS (linkeroog): conjunctiva (bindvlies) blank, cornea inferior enkele krasvormige erosies, temporaal inferior subepitheliale witte verdikking h x b 1.5 x 2.5mm, voorste oogkamer diep c-t-
Conclusie
Gesloten cornea erosie bij bekende epitheel ingroei onder LASIK flak
Diagnose
30-3-2025 niet traumatische cornea-erosie (beschadiging van het hoornvlies)
Beleid
Vidisic zo vaak als nodig
Duratears oogzalf AN
Afspraak: CORNEA 1-2 maanden met oogmeting + OCT voorsegment + penctacam (pt is alleen tussen 12 en 19 juni in F, daarna pas weer in augustus)
PM overwegen epitheel ingroei te verwijderen?

3.2 Er werd een afspraak gemaakt voor een controle op 17 juni 2025. Deze afspraak is door klager afgezegd.

3.3 De arts bevond zich op 30 maart 2025 in het vierde jaar van de vijfjarige opleiding tot oogarts. Zijn supervisor is bij het consult van 30 maart 2025 niet betrokken geweest.

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat hij het oog van klager verkeerd heeft beoordeeld en ten onrechte heeft geconstateerd dat het niet ontstoken was.

4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat hierna voor zover nodig in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.


5.2 Klager heeft aangevoerd dat hij van de arts een zalfje en kunsttranen kreeg voorgeschreven en dat daarmee volgens de arts het probleem zou zijn opgelost. De zalf maakte het echter erger. Het brandde erg en klager heeft die nacht niet kunnen slapen van de pijn. De volgende ochtend heeft hij het ziekenhuis gebeld. Hij kreeg te horen dat een beschadigd hoornvlies pijnlijk is en dat hij gewoon moest doorgaan met de druppels en de crème. Klager is die avond naar G gevlogen en daar de volgende dag naar de oogarts gegaan. Het oog bleek ontstoken te zijn en klager heeft daarvoor drie weken medicatie gehad, aldus klager.

5.3 De arts heeft aangevoerd dat klager na een LASIK-behandeling bekend was met een verdikking van het hoornvlies. De situatie was bij onderzoek op 30 maart 2025 niet veranderd ten opzichte van de situatie, die was vastgelegd in op 1 augustus 2024 gemaakte foto’s. Ook waren er geen ontstekingscellen aanwezig in de voorste oogkamer. Er was geen sprake van een ontsteking. Het klachtenpatroon paste bij een oppervlakkige beschadiging van het hoornvlies, waarvoor de juiste medicatie is voorgeschreven. De arts was op basis van zijn ervaring bevoegd en bekwaam om zelfstandig een ontsteking uit te sluiten en de hoornvliesbeschadiging te behandelen. Het kan zijn dat zich na het consult bij de arts een ontsteking heeft ontwikkeld, maar dat betekent nog niet dat de arts een diagnose heeft gemist. Klager heeft overigens niet aangetoond dat er op 1 april 2025 sprake was van een ontstoken oog, aldus de arts.

5.4 Het college overweegt dat uit de dossiernotities van de arts blijkt dat hij ook naar de binnenkant van het oog heeft gekeken. Dat het bindvlies blank was, wijst erop dat er geen ontsteking aanwezig was toen klager bij de arts op consult was. Ook overigens biedt het dossier geen aanwijzing dat er iets anders aan de hand was dan de door de arts geconstateerde beschadiging van het hoornvlies. Naar het oordeel van het college is het onderzoek door de arts zorgvuldig en adequaat geweest. Het college kan dan ook niet vaststellen dat er ten tijde van het onderzoek door de arts op 30 maart 2025 sprake was van een ontsteking in het oog van klager, noch dat de arts die had moeten constateren. Als zich binnen enkele dagen daarna een ontsteking heeft ontwikkeld – ook dat kan het college niet vaststellen omdat klager daarover geen medische informatie heeft verstrekt – dan betekent dat nog steeds niet dat er op 30 maart 2025 ontstekingscellen aanwezig waren, die de arts had moeten zien.

Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 28 november 2025 door E.A. Messer, voorzitter, B.F.Th. Hogewind en E.J.G.M. van Oosterhout, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris.