ECLI:NL:TGZRAMS:2025:281 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8490
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:281 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-11-2025 |
| Datum publicatie: | 28-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8490 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen oogarts, die supervisor was van een AIOS in het vierde jaar van zijn opleiding tot oogarts en bij de behandeling niet betrokken is geweest. De AIOS was bevoegd en bekwaam om het consult met klager zelfstandig te doen. |
A2025/8490
Beslissing van 28 november 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 28 november 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
oogarts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de oogarts,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De oogarts was supervisor van de AIOS (arts in opleiding tot specialist), bij
wie klager op 30 maart 2025 op consult is geweest. Klager meent dat de AIOS de diagnose
oogontsteking heeft gemist en verwijt de oogarts dat ook hij – als supervisor – de
klacht van klager verkeerd heeft geïnterpreteerd. De oogarts heeft verweer gevoerd
tegen de klacht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 13 mei 2025;
- de brief van de secretaris aan klager van 26 mei 2025;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Op 30 maart 2025 bezocht klager E in het ziekenhuis waar de oogarts werkzaam
is. Klager is gezien door een arts, die zich op 30 maart 2025 bevond in het vierde
jaar van de vijfjarige opleiding tot oogarts, hierna de AIOS. De oogarts was de supervisor
van de AIOS en is bij het consult van 30 maart 2025 niet betrokken geweest.
3.2 De AIOS heeft klager onderzocht. Klager deelde hem mee dat hij al twee weken last had van pijn in het linkeroog en dat hij die nacht wakker geworden was van de pijn in dat oog. De AIOS heeft onder meer in het dossier genoteerd (alle citaten zijn letterlijk overgenomen, inclusief eventuele typ- en spelfouten):
“Lichamelijk onderzoek
(…)
Spleetlamp OD (rechteroog): cornea (hoornvlies) helder, voorste oogkamer diep c-t-
Spleetlamp OS (linkeroog): conjunctiva (bindvlies) blank, cornea inferior enkele
krasvormige erosies, temporaal inferior subepitheliale witte verdikking h x b 1.5
x 2.5mm, voorste oogkamer diep c-t-
Conclusie
Gesloten cornea erosie bij bekende epitheel ingroei onder LASIK flak
Diagnose
30-3-2025 niet traumatische cornea-erosie (beschadiging van het hoornvlies)
Beleid
Vidisic zo vaak als nodig
Duratears oogzalf AN
Afspraak: CORNEA 1-2 maanden met oogmeting + OCT voorsegment + penctacam (pt is
alleen tussen 12 en 19 juni in F, daarna pas weer in augustus)
PM overwegen epitheel ingroei te verwijderen?”
3.2 Er werd een afspraak gemaakt voor een controle op 17 juni 2025. Deze afspraak is door klager afgezegd.
4. De klacht en de reactie van de oogarts
4.1 Klager verwijt de oogarts dat hij de klacht van klager verkeerd heeft beoordeeld
en dat de diagnose oogontsteking is gemist.
4.2 De oogarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat hierna voor zover nodig in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de oogarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende oogarts. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de oogarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Vast staat dat de oogarts bij het consult van 30 maart 2025 niet betrokken is geweest. Hij heeft klager dus niet gezien en zijn klachten niet kunnen beoordelen. De enige vraag is dan ook of de oogarts het aan de AIOS heeft mogen overlaten om klager zelfstandig, zonder inbreng van de oogarts als supervisor, te zien en te behandelen. Het college is van oordeel dat een AIOS in dit vergevorderde stadium van zijn opleiding tot oogarts bevoegd en bekwaam behoort te zijn in het diagnosticeren en behandelingen van aandoeningen aan het hoornvlies. De oogarts is dan ook niet te kort geschoten in de zorg die van hem verwacht mag worden door het consult en de verdere beoordeling aan de AIOS over te laten.
Slotsom
5.3 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 28 november 2025 door E.A. Messer, voorzitter, B.F.Th.
Hogewind en E.J.G.M. van Oosterhout, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M.
Sinjorgo, secretaris.