ECLI:NL:TGZRAMS:2025:280 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8614

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:280
Datum uitspraak: 28-11-2025
Datum publicatie: 28-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8614
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klager uit een veelvoud aan forse, niet onderbouwde en onbegrijpelijke beschuldigingen tegen een oogarts en wordt wegens misbruik van tuchtrecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

A2025/8614
Beslissing van 28 november 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 28 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
oogarts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de oogarts,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager is eenmalig bij de oogarts op consult geweest en uit (voor de derde maal, na twee ingetrokken klachten) een veelvoud aan forse, niet onderbouwde en onbegrijpelijke beschuldigingen tegen de oogarts. De oogarts heeft het college gevraagd klager vanwege misbruik van klachtrecht niet-ontvankelijk te verklaren.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 juni 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 juni 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klager van 21 oktober 2025, waarin hij de klacht intrekt;
- de e-mail van de gemachtigde van de oogarts van 31 oktober 2025, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen intrekking van de klacht.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klager is op 13 augustus 2024 door zijn behandelend oogarts verwezen naar het ziekenhuis waar de oogarts werkzaam is. De vraagstelling was om klager op korte termijn op te roepen op een glaucoomspreekuur om beleid te bepalen voor het rechteroog, dat snel leek te verslechteren (en eventueel voor het linkeroog).

3.2 Klager is op 2 september 2024 bij de oogarts op consult geweest. Met klager is een nieuwe controle afgesproken voor na drie maanden. Klager is bij brief van 30 januari 2025 uitgenodigd voor een gezichtsveldonderzoek op 14 februari 2025. Klager heeft die afspraak afgezegd.

4. De klacht en de reactie van de oogarts
4.1 Klager maakt de oogarts de navolgende verwijten.


A. In het klaagschrift verwijt klager de oogarts:
1. dat hij zich op 2 september 2024 zeer denigrerend uitliet over klagers linkeroog, een amputatiegesprek voerde en de blindprik had klaarliggen;

2. dat hij probeerde klagers akkoord met het voorgenomen blind maken van het netvlies te forceren door te brutaliseren;

3. dat hij door de dikte van de nastaar wist dat het er al jaren zat en dat al die tijd geen enkele oogarts het netvlies had kunnen zien of behandelen, waardoor blindprikken sowieso een mishandeling is;

4. dat hij handelde in opdracht van de niet medische persoon die in 2020 aan een (andere) oogarts opdracht had gegeven het oog blind te prikken en daarna het onderzoek daarover wilde saboteren;

5. dat hij wist dat de doorverwijzing voor glaucoom een dekmantel was;

6. dat hij geen excuus maakte voor zijn optreden of voor klagers zinloze reis.

B. In de eerste aanvulling op de klacht verwijt klager de oogarts:
7. dat hij op 2 september 2024 met betrekking tot het rechteroog buiten het glaucoomconsult te werk ging. Hij vroeg niet naar klagers bevindingen en stelde direct een staaroperatie voor met een gezichtsveldonderzoek over drie maanden;

8. dat hij klager, ondanks diens brief om verdere behandelingen te voorkomen, heeft opgeroepen voor een gezichtsveldonderzoek (zonder nadere tekst of uitleg) op 14 februari 2025;

9. dat die oproep een poging was om de blindprik poging van 2 september 2024 onder een dekmantel te herhalen met de nog bewaarde middelen.


C. In de tweede aanvulling op de klacht verwijt klager de oogarts:
10. dat hij de voor klager bestemde medicatie, te weten een netvlies dodend middel, onnodig in bewaring heeft gehouden en niet op de juiste wijze heeft geretourneerd;

11. dat hij zich willens en wetens beschikbaar heeft gesteld aan “de Ut meneer” om klagers netvlies na het eerdere falen op 14 februari 2025 weer te gaan blind prikken.

4.2 De oogarts heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de oogarts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna voor zover nodig in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De oogarts heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in de klacht. Hij heeft aangevoerd dat klager eerder ook al klachten tegen de oogarts heeft ingediend, die hij vervolgens op 10 februari 2025 en 28 mei 2025 weer heeft ingetrokken. De opeenvolging van klachten, de herhaalde intrekkingen en de voortdurende beschuldigingen zonder enige concrete of onderbouwde basis vormen een ernstige belasting voor de oogarts én voor het tuchtrechtelijk systeem als geheel. Bovendien zijn de verwijten feitelijk ongefundeerd, tegenstrijdig en berusten deze op suggestieve aannames die geen enkele bijdrage leveren aan een inhoudelijke en zinvolle toetsing van de zorgverlening. De oogarts is er ook niet gerust op dat het bij deze procedure blijft. De oogarts heeft daarom, nadat klager ook de onderhavige klachtzaak introk, gevraagd om de behandeling voort te zetten. De oogarts is van mening dat klager misbruik maakt van het klachtrecht.

5.2 Het college volgt de oogarts in diens verweer en komt tot het oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Klager uit in het klaagschrift en de daaropvolgende stukken forse en bovendien onbegrijpelijke beschuldigingen tegen de oogarts, terwijl klager die beschuldigingen op geen enkele manier heeft onderbouwd of zelfs maar heeft toegelicht. Ook uit de bijlagen bij de klachtstukken blijkt niets anders dan dat klager op verwijzing van zijn behandelend oogarts voor een glaucoomonderzoek is doorverwezen, dat de oogarts hem op consult heeft gezien en dat afgesproken is dat na drie maanden nog eens een controle (van het rechteroog) zou plaatsvinden. Het tuchtcollege is van oordeel dat de door klager geuite beschuldigingen aan het adres van de oogarts – zelfs bij een zeer welwillende uitleg – niet als serieuze klachten aan een onderzoek van het tuchtcollege kunnen worden onderworpen. Voor de beoordeling van dergelijke ongefundeerde beschuldigingen is het tuchtrecht niet bestemd. Dit klemt te meer, nu klager zijn klachten al twee keer eerder bij het college heeft ingediend, vervolgens weer heeft ingetrokken en ook nu ten derden male de ingediende klachten weer wilde intrekken.


5.3 Het college is op grond van het voorgaande van oordeel dat klager door op deze wijze over de oogarts te klagen misbruik maakt van het tuchtprocesrecht en dat hij er rekening mee moet houden dat het college een volgende klacht tegen de oogarts op grond van hetzelfde feitencomplex niet in behandeling zal nemen. Het college zal de onderhavige klacht daarom niet inhoudelijk bespreken en beslissen dat klager niet-ontvankelijk is.

6. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk.


Deze beslissing is gegeven op 28 november 2025 door E.A. Messer, voorzitter, B.F.Th. Hogewind en E.J.G.M. van Oosterhout, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris.