ECLI:NL:TGZRAMS:2025:276 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8351
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:276 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-11-2025 |
| Datum publicatie: | 21-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8351 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een tandarts. Klager klaagt namens zichtzelf en zijn inmiddels overleden vrouw die aan de ziekte van Alzheimer leed. Het college oordeelt dat de tandarts niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij het welzijn van de patiënte uit het oog heeft verloren door het niet plaatsen van de kroon. Er is tijdig en adequaat gereageerd op de zorgvraag. Een afwachtend beleid was verantwoord. Daarnaast blijkt niet uit het dossier dat klager buitenspel is gezet. Klacht kennelijk ongegrond verklaard. |
A2025/8351
Beslissing van 21 november 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 21 november 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
tandarts,
destijds werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de tandarts,
gemachtigde: mr. drs. A. Dekker, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager was de wettelijk vertegenwoordiger van zijn inmiddels overleden vrouw.
Hij verwijt dat de tandarts (verweerder) geen oog heeft gehad voor het welzijn van
zijn wilsonbekwame vrouw door het niet willen plaatsen van een kroon. Tevens zou verweerder
klager als belangenbehartiger onheus hebben bejegend.
1.2 Verweerder verzoekt het college de klacht als ongegrond af te wijzen.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 april 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager was destijds de wettelijk vertegenwoordiger van diens inmiddels overleden
echtgenote (hierna: mevrouw of de patiënt) die leed aan de ziekte van Alzheimer. Zij
was opgenomen op de psycho-geriatrische verpleegafdeling van woonzorgcentrum ‘D’ in
B.
3.2 Op 30 juli 2024 is mevrouw gevallen en is een kroon losgeraakt. De kroon is zoekgeraakt. De tandarts werd gebeld voor controle. Klager wilde dat bij mevrouw een nieuwe kroon werd geplaatst.
3.3 Op 13 augustus 2024 heeft waarnemend tandarts E van F mevrouw gezien. Ter bescherming van de tand is een fluoride laklaagje aangebracht. Tandarts E zou vervolgens een concept-behandelplan opstellen en met klager voor akkoord bespreken.
3.4 Op 14 augustus 2024 heeft tandarts E gesproken met klager en zij stelde voor om geen nieuwe kroon te plaatsen. Klager ging hiermee niet akkoord. Afgesproken werd dat tandarts E zou overleggen met klagers zoon, eveneens tandarts. Die laatste herhaalde de wens van zijn vader, het plaatsen van een nieuwe kroon. Nu F niet ingericht was voor een dergelijke kroonbehandeling werd overwogen mevrouw elders te laten behandelen.
3.5 Op 11 september 2024 heeft tandarts E klager gemaild om het behandelplan te bespreken. Verder gaf zij aan dat de behandeling zou worden overgedragen aan verweerder. In een privé-bericht op 13 september 2024 heeft waarnemend tandarts E aan verweerder gevraagd langs te gaan voor een nieuwe controle/intake als haar nieuwe tandarts, tevens voor het bekijken van een indicatieplan voor de verloren kroon.
3.6 Op 16 september 2024 heeft verweerder mevrouw gezien en concludeerde dat geen behandeling nodig was. Klager en zijn zoon begrepen deze beslissing niet en vroegen om uitleg.
3.7 Op 27 september 2024 heeft verweerder bericht dat de risico’s van plaatsing niet opwogen tegen de voordelen ervan. Voorgesteld werd om niet in te grijpen aangezien de klachten leken mee te vallen.
3.8 Tijdens een bespreking met het zorgpersoneel op 3 oktober 2024 werd geconstateerd dat mevrouw goed kauwde en geen last had.
3.9 In reactie op een e-mail van klagers zoon, herhaalde verweerder op 22 oktober 2024 diens overwegingen en deelde verweerder mede dat hij, op verzoek van de zoon, bereid was het tandbeen af te dekken door het aanbrengen van een zilverdiaminefluoride. Hiermee zou de gevoeligheid verminderen. Verweerder sloot af met de vraag welke behandeling klager zou kiezen. Klager heeft op deze vraag niet gereageerd. Hierdoor was er nog geen behandelplan afgesproken.
3.10 Op 24 december 2024 heeft verweerder mevrouw voor controle gezien. Klager is niet meer teruggekomen op de kroonbehandeling.
3.11 Op 3 februari 2025 is mevrouw overleden.
4. De klacht en de reactie van de tandarts
4.1 Klager verwijt de tandarts dat hij:
a) geen oog heeft gehad voor het welzijn van zijn wilsonbekwame vrouw door het niet
willen plaatsen van een kroon;
b) klager als behangenbehartiger onheus heeft bejegend.
4.2 De tandarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De ontvankelijkheid
5.1 Het college stelt vast dat het klachtonderdeel a betrekking heeft op de behandeling
van de inmiddels overleden echtgenote van klager. Ingevolge artikel 65, eerste lid,
van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan een tuchtzaak
aanhangig worden gemaakt door– onder meer – een rechtstreeks belanghebbende (art.
65, eerste lid, onder a). Onder dit begrip valt in ieder geval de patiënt zelf. Na
het overlijden kunnen de nabestaanden klachtgerechtigd zijn, maar dit recht berust
op de te veronderstellen wil van de overleden patiënt. Als deze gehuwd was, is het
uitgangspunt dat deze in een dergelijk geval in beginsel bij uitstek gerechtigd is
een klacht in te dienen, omdat hij of zij geacht moet worden de wil van de patiënt
het beste te kennen. Het college heeft ook geen aanwijzingen om te denken dat het
indienen van de klacht niet de wil van de overleden echtgenote vertegenwoordigt. Klager
is daarom ontvankelijk in het eerste klachtonderdeel.
5.2 Klachtonderdeel b heeft betrekking op het handelen van verweerder jegens klager
zelf als naaste in de zin van artikel 47 lid 1, aanhef en onder a sub 3 van de Wet
BIG). Hij kan voor dat deel daarom tevens als rechtstreeks belanghebbende worden aangemerkt,
en is ook in zoverre ontvankelijk in zijn klacht.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.3 De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de tandarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.4 Het college oordeelt dat de tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld op grond van de volgende overwegingen.
Klachtonderdeel a) welzijn patiënt uit het oog verloren
5.5 Verweerder voert aan dat hij klager als wettelijk vertegenwoordiger van zijn
wilsonbekwame vrouw getracht heeft mee te nemen in het behandelplan dat het beste
bij mevrouw paste. Verweerder vond het belangrijk dat klager tot een weloverwogen
keuze kon komen, gezien de risico’s voor mevrouw, en dat hij geïnformeerd toestemming
zou geven voor de behandeling. Zonder toestemming kon verweerder de behandeling niet
uitvoeren.
5.6 Verweerder stelt dat de aanwezigheid en de mate van pijn niet evident is geweest.
De pijnbeleving was nagevraagd bij de zorgverleners van de afdeling waar mevrouw woonde.
Daaruit bleek dat mevrouw at en dronk zonder pijnsignalen. Tevens heeft verweerder
navraag gedaan bij klagers zoon over de mate van pijn en de frequentie, maar heeft
hierop geen antwoord ontvangen. Verweerder heeft geconcludeerd dat er sprake was van
draaglijke gevoeligheid door blootliggend tandbeen, die optreedt bij koude of zure
voeding.
Verweerder stelt verder dat een afwachtend zorgbeleid bij cliënten met een cognitieve
beperking niet ongebruikelijk is, mede ingegeven door de mentale en/of fysieke belasting
die een tandheelkundige behandeling met zich mee kan brengen voor dergelijke patiënten.
De beperkte mogelijkheid tot medewerking maakt zo’n behandeling lastig uitvoerbaar
of onmogelijk.
5.7 Op grond van bovenstaande overwegingen achtte verweerder de risico’s van het
vervaardigen en plaatsen van een kroon groter dan geen behandeling. Mocht klager
alsnog het laten plaatsen van een kroon overwegen, dan was verweerder daartoe bereid.
Zijn opzet was de wettelijk vertegenwoordiger afdoende te informeren rond de risico’s
van plaatsing.
5.8 Volgens het college heeft verweerder hiermee tijdig en adequaat gereageerd op de zorgvraag van mevrouw. Naar het oordeel van het college heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat sprake was van draaglijke gevoeligheid door blootliggend tandbeen en heeft hij daarop ook adequaat geacteerd. Er is tijdig een zorgplan opgesteld en er is uitvoerig gesproken met klager over de risico’s, het niveau van pijn, en mogelijke alternatieven. Daarbij was de zorgvraag voor verweerder leidend. Het voorstel om een afwachtend beleid te voeren, acht het college in de gegeven omstandigheden een verantwoord advies, dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en uitvoerig aan klager is uitgelegd. Onder dergelijke omstandigheden en gezien eerdergenoemde overwegingen, concludeert het college dat verweerder het welzijn van mevrouw niet uit het oog heeft verloren en hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
5.9 Klachtonderdeel a) is ongegrond
Klachtonderdeel b) onheuse bejegening klager
5.10 Dit klachtonderdeel heeft betrekking op het zelfstandig klachtrecht van klager
als naaste betrekking (art. 47 lid 1 aanhef en onder a sub 3 wet BIG).
5.11 Uit het klaagschrift wordt onvoldoende duidelijk op welke wijze en wanneer verweerder klager als belangenbehartiger van diens wilsonbekwame vrouw onheus zou hebben bejegend. Tijdens de periodieke controles is klager meegenomen in de overwegingen van verweerder en hebben er zich geen negatieve voorvallen voorgedaan. Al liep de communicatie met klager soms stroef, uit het dossier blijkt niet dat klager buitenspel is gezet. In tegendeel, uit zijn schriftelijke overwegingen en de bespreking van behandelopties blijkt dat verweerder klager zo veel mogelijk betrokken heeft in het proces.
5.12 Uit het klaagschrift volgt voorts onvoldoende duidelijk hoe en wanneer klager zou zijn geschoffeerd. Dit deel van de klacht is onvoldoende geconcretiseerd en wordt reeds daarom verworpen.
5.13 Klachtonderdeel b) is eveneens ongegrond.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 21 november 2025 door J.F. Aalders, voorzitter, A.P.
den Exter, lid-jurist, H.W. Luk, M.M.L.F. Smulders en J. te Poel, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.