ECLI:NL:TGZRAMS:2025:275 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8349

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:275
Datum uitspraak: 21-11-2025
Datum publicatie: 21-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8349
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een tandarts. Klager klaagt namens zichtzelf en zijn inmiddels overleden vrouw die aan de ziekte van Alzheimer leed. Het college oordeelt dat de tandarts niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij het welzijn van de patiënte uit het oog heeft verloren door het niet plaatsen van de kroon. Er is tijdig en adequaat gereageerd op de zorgvraag. Het beleid van de nieuwe tandarts afwachten was een verantwoord advies, temeer omdat informed consent voor de door de tandarts voorgestelde behandeling ontbrak. Daarnaast blijkt niet uit het dossier dat klager buitenspel is gezet. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

A2025/8349
Beslissing van 21 november 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 21 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
tandarts,
werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de tandarts,
gemachtigde: mr. A.C. de Die, werkzaam te Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager was de wettelijk vertegenwoordiger van zijn inmiddels overleden vrouw. Hij verwijt dat de tandarts (verweerster) geen oog heeft gehad voor het welzijn van zijn wilsonbekwame vrouw door het niet willen plaatsen van een kroon. Tevens zou verweerster klager als belangenbehartiger onheus hebben bejegend.

1.2 Verweerster verzoekt het college de klacht als ongegrond af te wijzen.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 april 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klager was destijds de wettelijk vertegenwoordiger van diens inmiddels overleden echtgenote (hierna: mevrouw of de patiënt) die leed aan de ziekte van Alzheimer. Zij was opgenomen op de psycho-geriatrische verpleegafdeling van woonzorgcentrum ‘E’ in B.

3.2 Op 30 juli 2024 is mevrouw gevallen en is een kroon losgeraakt. De kroon is zoekgeraakt. De tandarts werd gebeld voor controle. Klager wilde dat bij mevrouw een nieuwe kroon werd geplaatst.

3.3 Op 13 augustus 2024 heeft verweerster, als waarnemend tandarts, mevrouw gezien. Vanwege de cognitieve toestand van mevrouw heeft verweerster haar tweemaal gezien. Zij heeft mevrouw onderzocht en bevraagd en daarnaast informatie ingewonnen bij de betrokken zorgverleners. Verweerster heeft op basis van haar onderzoek en verkregen informatie een inschatting gemaakt van de pijn/gevoeligheid, heeft een voorlopige diagnose gesteld, en op basis daarvan een behandelvoorstel gedaan. In het tandheelkundig dossier staat onder andere vermeld: “Gedaan: voco fluoride vernis aangebracht gehele element”. Dit ter bescherming van de tand.

3.4 Diezelfde dag heeft verweerster een e-mail naar F, een organisatie die zich specifiek richt op het verlenen van mondzorg aan ouderen, gestuurd of er dezelfde week nog een mogelijkheid was om een behandeling uit te voeren op locatie.

3.5 Op 14 augustus 2024 nam een medewerker van F contact op met klager om een tijdstip te plannen wanneer verweerster contact met hem kon opnemen.

3.6 Op 14 augustus 2024 heeft verweerster gesproken met klager en zij stelde voor om geen nieuwe kroon te plaatsen. Klager ging hiermee niet akkoord. Afgesproken werd dat verweerster zou overleggen met klagers zoon, eveneens tandarts. Die laatste herhaalde de wens van zijn vader, het plaatsen van een nieuwe kroon. Nu F niet ingericht was voor een dergelijke kroonbehandeling werd overwogen mevrouw elders te laten behandelen.

3.7 Op 15 augustus 2024 heeft verweerster een opdracht in het praktijksysteem gezet voor het inplannen van een telefonische afspraak met klager over het vervolg. Die taak is wel afgevinkt, maar blijkt niet te zijn uitgevoerd.

3.8 Verweerster heeft op een e-mail, verzonden door klager op 11 september 2024, gereageerd om het behandelplan met klager te bespreken. Daarbij gaf zij aan dat de behandeling zal worden overgedragen naar collega tandarts G, de nieuwe vaste tandarts werkzaam voor E.

3.9 Om alsnog tegemoet te komen aan de wens van klager, werd tevens vermeld dat inmiddels opdracht was gegeven tot de aanschaf van materiaal en instrumenten voor kroon- en brugwerk op locatie. Dit zou tandarts G de mogelijkheid bieden om zo snel mogelijk een indirecte kroon te maken, mocht hij achter de behandelkeuze staan.

3.10 In een privé-bericht op 13 september 2024 heeft verweerster aan tandarts G
gevraagd langs te gaan voor een nieuwe controle/intake als de nieuwe tandarts, tevens voor het bekijken van een indicatieplan voor de verloren kroon.

3.11 Na de overname door collega G heeft verweerster geen bemoeienis meer gehad met de behandeling van mevrouw.

3.12 Op 3 februari 2025 is mevrouw overleden.

4. De klacht en de reactie van de tandarts
4.1 Klager verwijt de tandarts dat zij:
a) geen oog heeft gehad voor het welzijn van zijn wilsonbekwame vrouw door het niet willen plaatsen van een kroon;
b) klager als behangenbehartiger onheus heeft bejegend.

4.2 De tandarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De ontvankelijkheid
5.1 Het college stelt vast dat het klachtonderdeel a betrekking heeft op de behandeling
van de inmiddels overleden echtgenote van klager. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan een tuchtzaak aanhangig worden gemaakt door– onder meer – een rechtstreeks belanghebbende (art. 65, eerste lid, onder a). Onder dit begrip valt in ieder geval de patiënt zelf. Na het overlijden kunnen de nabestaanden klachtgerechtigd zijn, maar dit recht berust op de te veronderstellen wil van de overleden patiënt. Als deze gehuwd was, is het uitgangspunt dat deze in een dergelijk geval in beginsel bij uitstek gerechtigd is een klacht in te dienen, omdat hij of zij geacht moet worden de wil van de patiënt het beste te kennen. Het college heeft ook geen aanwijzingen om te denken dat het indienen van de klacht niet de wil van de overleden echtgenote vertegenwoordigt. Klager is daarom ontvankelijk in het eerste klachtonderdeel.

5.2 Klachtonderdeel b heeft betrekking op het handelen van verweerster jegens klager zelf als naaste in de zin van artikel 47 lid 1, aanhef en onder a sub 3 van de Wet BIG). Hij kan voor dat deel daarom tevens als rechtstreeks belanghebbende worden aangemerkt, en is ook in zoverre ontvankelijk in zijn klacht.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.3 De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de tandarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.4 Het college oordeelt dat de tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld op grond van de volgende overwegingen.

Klachtonderdeel a) welzijn patiënt uit het oog verloren
5.5 Verweerster voert aan dat zij klager als wettelijk vertegenwoordiger van zijn wilsonbekwame vrouw getracht heeft mee te nemen in het behandelplan dat het beste bij mevrouw paste. Verweerster vond het belangrijk dat klager tot een weloverwogen keuze kon komen, gezien de risico’s voor mevrouw, en dat hij geïnformeerd toestemming zou geven voor de behandeling. Zonder toestemming kon verweerster de behandeling niet uitvoeren.

5.6 Verweerster stelt dat zij direct op de zorgvraag heeft gereageerd en zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Op basis van haar eigen onderzoek, de observaties van de zorgverleners en klager, heeft verweerster moeten inschatten hoeveel pijn de patiënt had. Verweerster heeft geconcludeerd dat de patiënt geen hevige pijn leed.

5.7 Verweerster heeft vervolgens een afweging moeten maken tussen het ongemak dat de patiënt ervaart en de risico’s en belasting van een behandeling. Het af en toe ervaren van pijn, maar onbelemmerd kunnen eten en drinken, achtte verweerster onvoldoende om over te gaan tot de door klager gewenste intensieve behandeling.
In het gesprek met klager richtte verweerster zich tot het verkrijgen van informed consent als vertegenwoordiger van de patiënt. Ook de tussenkomst van klagers zoon leidde niet tot de vereiste toestemming voor het overgaan tot behandeling. Tot een vervolggesprek met klager is het niet meer gekomen wegens een administratieve fout in de planning.

5.8 Volgens het college heeft verweerster tijdig en adequaat gereageerd op de zorgvraag van mevrouw. Naar het oordeel van het college heeft verweerster in redelijkheid kunnen oordelen dat sprake was van draaglijke gevoeligheid door blootliggend tandbeen en heeft zij daarop ook adequaat geacteerd. Er is tijdig een zorgplan opgesteld en er is gesproken met klager over de risico’s, de mate van pijn(beleving), en mogelijke alternatieven. Daarbij was de zorgvraag voor verweerster leidend.

5.9 Het voorstel om het oordeel van de nieuwe vaste tandarts af te wachten, acht het
college in de gegeven omstandigheden een verantwoord advies, temeer informed consent voor de voorgestelde behandeling ontbrak. Verweerster heeft dat uitvoerig aan klager uitgelegd. Onder dergelijke omstandigheden en gezien eerdergenoemde overwegingen, concludeert het college dat verweerster het welzijn van mevrouw niet uit het oog heeft verloren en haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.


5.10 Dat het vervolggesprek met klager niet heeft plaatsgevonden is te wijten aan een administratieve fout door derden die het college verweerster niet aanrekent.

5.11 Klachtonderdeel a is ongegrond

Klachtonderdeel b) onheuse bejegening klager
5.12 Dit klachtonderdeel heeft betrekking op het zelfstandig klachtrecht van klager als
naaste betrekking (art. 47 lid 1 aanhef en onder a sub 3 wet BIG).

5.13 Uit het klaagschrift wordt onvoldoende duidelijk op welke wijze en wanneer verweerster klager als belangenbehartiger van diens wilsonbekwame vrouw onheus zou hebben bejegend. Tijdens de controles is klager meegenomen in de overwegingen van verweerster en hebben er zich geen negatieve voorvallen voorgedaan. Al liep de communicatie met klager soms stroef, uit het dossier blijkt niet dat klager buitenspel is gezet. In tegendeel, uit haar schriftelijke overwegingen en de bespreking van behandelopties blijkt dat verweerster klager zo veel mogelijk heeft betrokken in het proces.

5.14 Klachtonderdeel b is eveneens ongegrond

Slotsom
5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 21 november 2025 door J.F. Aalders, voorzitter, A.P. den Exter, lid-jurist, H.W. Luk, M.M.L.F. Smulders en J. te Poel, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.