ECLI:NL:TGZRAMS:2025:273 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8612

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:273
Datum uitspraak: 18-11-2025
Datum publicatie: 18-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8612
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster heeft naar aanleiding van een consult waarbij zij door een coassistent is gezien meerdere klachten over het handelen van de huisarts. Het college oordeelt dat de huisarts zorgvuldig en professioneel heeft gehandeld bij het verlenen van zorg aan klaagster. Klacht is kennelijk ongegrond.

A2025/8612

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 18 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B, klaagster,

tegen

C,
huisarts, werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Op 7 mei 2025 heeft klaagster een afspraak met de medepraktijkhouder van de huisarts. 
Klaagster stelt dat zij de afspraak heeft gemaakt om haar hoge bloeddruk en de medicijnen die zij 
daarvoor slikt te bespreken. Bij de afspraak ziet zij een coassistent en niet de huisarts. De 
coassistent zou met haar gesproken hebben over de bloeddruk en het gebruik van de medicijnen. Naar 
de mening van klaagster was de coassistent niet voor haar taken bevoegd of bekwaam en is de 
huisarts er als medepraktijkhouder voor verantwoordelijk dat de coassistent niet goed is begeleid 
en zelfstandig consulten uitvoerde. De huisarts heeft volgens haar niet professioneel en 
onzorgvuldig gehandeld en onvoldoende en passief regie gevoerd over haar medicatiegebruik. 
Klaagster vindt dat de huisarts niet de zorg heeft verleend die zij mocht verwachten. Ook heeft zij 
haar onheus en niet professioneel bejegend. Zij vermoedt dat dit verband houdt met een zakelijk 
geschil tussen haar echtgenoot en de huisarts.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 11 juni 2025;
-  het aanvullende klaagschrift met bijlage;

-  het verweerschrift.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3.  De feiten
3.1   Klaagster was patiënte bij de huisartsenpraktijk die de huisarts met een medepraktijkhouder 
drijft (tegen de medepraktijkhouder is ook een klacht ingediend onder zaaknummer A2025-8611). Daar 
het Nederlands niet haar moedertaal is, wordt klaagster bij consulten regelmatig vergezeld door 
haar dochter.

3.2   De huisarts is ermee bekend dat klaagster wisselende bloeddrukwaarden heeft. Met name de 
onderdruk geeft reden tot zorg. Sinds mei 2022 gebruikt klaagster daarom het medicijn irbesartan, 
waarmee de bloeddruk beter onder controle is.

3.3  In april en mei 2025 is een coassistent werkzaam voor de huisartsenpraktijk.

3.4   Van 30 april tot 1 mei 2025 vindt een 24-uursbloeddrukmeting plaats. Het medisch dossier 
vermeldt hierover en over een daaropvolgend advies (alle citaten voor zover van belang en 
letterlijk weergegeven):
‘01-05-25   P RR medicatie zo houden. 24 uurs waarde netjes.
P Advies wel om pil te stoppen!
01-05-25   S Komt langs voor 24 uursmeter afsluiten.
S Verteld daarbij dat zij nog steeds de S anticonceptie pil gebruikt en vaak
S hoofdpijn klachten heeft. Afspraak su gemaakt voor S gesprek over anticonceptie en overgang.
S Dochter komt mee. E anticonceptie
01-05-25   P Van: bp24
01-05-25   O 24 uur bloeddrukmeting (Protocol) :
30-04-25   S Bloeddrukmeter aangesloten, mevr. geeft aan vaak S last te hebben van bonkende 
hoofdpijn. Ze denkt
S dat het het komt nadat zij med heeft ingenomen. P 24 uurs meting afwachten morgen beleid ha.’

3.5   Op 7 mei 2025 bezoekt klaagster met haar dochter het spreekuur van de medepraktijkhouder van 
de huisarts. Zij wordt gezien door de genoemde coassistent in plaats van deze collega-huisarts. De coassistent werkt onder supervisie van deze collega.

3.6  In het medisch dossier staat over het spreekuur van 7 mei 2025:
’07-05-25   S Coass (…) osv (…)
S Wil stoppen met de pil. Is bang om zwanger te S worden. Wil andere anticonceptie. heeft tijdens
S stopweek heel weinig bloedverlies. Patiente heeft S minder last van hoofdpijn. Tijdens stopweek 
gaat S de bloeddruk wat omhoog. Is elke ochtend
S misselijk, denkt dat het aan het cholesterol ligt. S Zegt dat ze de pil om de zo veel dagen 
gebruikt. S Dochter geeft aan het einde aan het een fijn
S contact te hebben gevonden en vraagt of ik langer S blijf. Aangegeven dat coassistenten na 6 
weken
S coschap weer verder gaan.
O RR 128/80
P Stoppen met de pil. Als deze inadequaat gebruikt P wordt heeft het ook geen effect. Dit 
uitgelegd.
P Gaat nu 3 maanden stop, menstruatie afwachten of P het nog aanwezig is. Condooms gebruiken. Bij
P bloedverlies na 3 maanden weer contact.’

3.7   Op 9 mei 2025 uit klaagster per mail haar onvrede over het consult van 7 mei 2025. Zij 
schrijft onder meer:
‘Op 7 mei jl. had ik met u (…) een afspraak (…), waar ik tot mijn verbazing werd geholpen door een 
stagiair, zo begreep ik althans. Deze stagiair stelde mij vragen over mijn medicijngebruik en mijn 
hoge bloeddruk, waarna zij – kennelijk met u – ging overleggen. Vervolgens kwam deze stagiair terug 
en vertelde mij dat ik nog 3 maanden lang mijn medicijnen moest gebruiken en dan nog maar een keer 
terug moest komen.
U weet van mijn evenwichtsstoornis.
Ik heb het als heel onprettig ervaren dat een stagiair mij dit allemaal moest vertellen en niet u 
als huisarts.

Volgens mij is het belangrijk om zorgvuldig te beoordelen of er sprake is van een bijwerking van de 
medicatie, een interactie, of een andere onderliggende oorzaak. Naar ik begrijp kunnen 
evenwichtsstoornissen namelijk een bijwerking zijn van bepaalde bloeddrukverlagende middelen, maar 
kunnen ook op andere medische problemen wijzen.
Deze zaken zijn niet met mij besproken en daar is ook niet door u naar gevraagd. Volgens mij moet 
bij medicijngebruik voor hoge bloeddruk in combinatie met een evenwichtsstoornis volgens mij het 
consult altijd door een huisarts gedaan worden. Dat is hier niet gebeurd. (…).’

3.8  Op 12 mei 2025 schrijft de huisarts in het medisch dossier:
12-05-25   S Als mevr terug belt graag een afspraak aanbieden S bij de huisarts. Heeft een afspraak 
met de co ass S gehad, heeft dit als onprettig ervaren. Zie brief
S f11’

3.9   Op 15 mei 2025 bericht klaagster de huisartsenpraktijk dat het haar beter lijkt dat de 
huisarts schriftelijk reageert op de klacht, omdat zij het daarvoor ernstig genoeg vindt. Op 16 mei 
2025 verzoekt de huisarts de assistente nogmaals contact op te nemen met klaagster voor een 
persoonlijk gesprek. Dit komt niet tot stand.

3.10  Vanwege haar zorgen over pijn op de borst beoordeelt de huisartsenpost klaagster op 1 juni 
2025. Deze pijn houdt volgens klaagster al twee uur aan. In de aantekeningen van de dienstdoende 
arts staat:
‘(…) bekend met hoge rr. daarvoor 150 mg irbesartan in ochtend. (…) rr 178/114mmhg (…),’ Klaagster 
krijgt het advies 75 mg extra irbesartan in te nemen als zij weer thuis is, naast 1000 mg 
paracetamol. De arts noteert ook dat klaagster de volgende dag haar huisarts belt om te laten weten 
hoe het met haar gaat.

3.11  De huisarts noteert in het medisch dossier:
’02-06-25   S mw belt vandaag naar ons om te laten weten hoe het S gaat. Graag in telefonisch 
agenda zetten Op welk S nummer kunnen we mw zelf bereiken, mag ook op su S komen voor controle)’

3.12  Ook op 2 juni 2025 koppelt klaagster via het patiëntenportaal terug hoe het met haar gaat. 
Daarbij verzoekt zij ook inzage in haar medisch dossier. In het medisch dossier staat:

‘06-06-25   
S Ik ben op zondag 1 juni naar de huisartsenpost in
S D geweest graag zou ik per mail het consult S gesprek willen ontvangen als dit mogelijk is.
S Ook had ik een verzoek ingediend voor het inzien
S van mijn medisch dossier op de mijngezondheids.net S app deze is nog niet goedgekeurd. Zou u hier 
ook S naar willen kijken alstublieft? (…) P overleg HA: dossier vrijgegeven.’

3.13  Vanaf begin 2024 tot januari 2025 heeft de huisarts met haar medepraktijkhouder 
praktijkruimte gehuurd van de echtgenoot van klaagster. Daarover is een juridisch geschil ontstaan 
tussen hen en de echtgenoot.

4.   De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klaagster verwijt de huisarts:
-   onzorgvuldig en onprofessioneel medisch handelen; 

-   onvoldoende regie voeren op haar medicatiegebruik;
-   passief zijn in het evalueren en monitoren van haar medicatie;
-    niet verlenen van zorg die redelijkerwijs mag worden verwacht, het niet naleven van haar 
informatie- en zorgplicht en
-   onheuse en onprofessionele bejegening aangezien sprake is van ernstig onprofessioneel gedrag.

4.2  De huisarts voert verweer en verzoekt het college de klacht ongegrond te verklaren.

5.   De overwegingen van het college
5.1   De vraag die voorligt is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht 
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de 
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat BIG-geregistreerde zorgverleners 
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2   Van eigen handelen van de huisarts met betrekking tot de begeleiding van de coassistent ten 
tijde van het consult van 7 mei 2025 is niet gebleken. De supervisie lag bij dat consult in handen 
van de medepraktijkhouder. Die droeg daarom op dat moment de volledige verantwoordelijkheid voor 
het handelen van de coassistent. Het feit dat de huisarts ook praktijkhouder is, maakt niet dat zij 
medeverantwoordelijk is voor handelen of nalaten van haar (al dan niet medepraktijkhoudende) 
collega-huisartsen. Alleen al daarom kan de huisarts in dit opzicht geen tuchtrechtelijk verwijt 
worden gemaakt.

5.3   Klaagster heeft verder naar voren gebracht dat bij haar bezoek aan de huisartsenpost op 1 
juni 2025 de dienstdoende arts zou hebben gezegd dat de huisarts de irbesartan in een te lage 
dosering – 75 mg ’s ochtends – had voorgeschreven. Dit strookt echter niet met de aantekeningen van 
de betreffende arts (zie hiervoor onder 3.10). Daaruit blijkt dat klaagster reeds 150 mg irbesartan 
per dag gebruikte. Gelet op de eerdergenoemde 24-uursbloeddrukmeting en de op 7 mei 2025 gemeten 
bloeddruk was dit een passende dosering; de gezondheidsrisico’s van hoge bloeddruk werden daarmee 
afdoende verminderd. Ook de door de huisartsenpost voorgestelde verhoging van irbesartan met 75 mg 
vormt geen aanwijzing dat de huisarts onvoldoende regie zou voeren op het medicatiegebruik van 
klaagster of dat de huisarts haar medicatie passief zou evalueren of monitoren. Uit het 
waarneembericht van de huisartsenpost komt naar voren dat deze verhoging eenmalig werd 
voorgeschreven en samenhing met de zorgen van klaagster en de op dat moment gemeten bloeddruk van 
178/114. Van een levensbedreigende situatie, zoals klaagster stelt, is geen sprake geweest, evenmin 
als van een opname van klaagster in het ziekenhuis.

5.4   Het verwijt aan de huisarts dat zij onvoldoende nazorg heeft gegeven gaat ook niet op. De 
huisarts heeft adequaat gereageerd op het waarneembericht door haar assistente op 2 juni 2025 te 
instrueren een fysiek of telefonisch consult in te plannen met klaagster als zij zich conform het advies van de huisartsenpost zou melden. Klaagster heeft wel via het patiëntenportaal laten weten dat zij bij de huisartsenpost was geweest, maar daarbij heeft zij niet vermeld hoe het op dat moment met haar gaat. Ook nam zij niet zelf telefonisch contact op naar aanleiding van het advies van de huisartsenpost. Zoals de huisarts heeft aangevoerd is het niet 
gebruikelijk voor huisartsen om patiënten standaard na te bellen na een bezoek aan de 
huisartsenpost, en zeker niet als is geadviseerd dat de patiënt zelf contact opneemt. De huisarts 
treft dan ook geen verwijt wegens onvoldoende opvolging van het waarneembericht.

5.5   Op 2 juni 2023 verzoekt klaagster de praktijk om inzage in haar dossier. De huisarts geeft 
het dossier vier dagen later vrij. Dat blijkt uit het medisch dossier. Op 6 juni 2025 staat daarin: 
‘P overleg HA dossier vrijgegeven.’ Dat is naar het oordeel van het college tijdig.

5.6   Dat de huisarts haar onheus of onprofessioneel zou hebben bejegend, heeft klaagster niet 
verder onderbouwd dan met de voorgaande klachtonderdelen. Op basis daarvan kan het college niet 
vaststellen dat sprake is geweest van onheuse of onprofessionele bejegening.

5.7   Uit het voorgaande volgt dat de huisarts zorgvuldig en professioneel heeft gehandeld bij het 
verlenen van zorg aan klaagster. Dat betekent dat er ook geen aanwijzingen zijn dat het zakelijke 
conflict dat de huisarts had met de echtgenoot van klaagster enige rol heeft gespeeld bij haar 
behandeling.

Slotsom
5.8  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6.  De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 18 november 2025 door N.B. Verkleij, voorzitter,
C.H. van Dijk, lid-jurist, V.M. Schijf, J.C. van der Molen en I. Weenink,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.