ECLI:NL:TGZRAMS:2025:272 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8611
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:272 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-11-2025 |
| Datum publicatie: | 18-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8611 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster is tijdens een consult door een coassistent is gezien. Volgens klaagster was de coassistent niet bevoegd of bekwaam en heeft de huisarts de coassistent onvoldoende begeleid door haar zelfstandig het consult te laten uitvoeren. Het college oordeelt dat de anamnese die is afgenomen en het advies dat is gegeven vallen onder de medische handelingen die de coassistent onder supervisie van de huisarts mocht uitvoeren. Van enige onzorgvuldigheid of van onvoldoende professionaliteit van de huisarts als supervisor bij het spreekuur is niet gebleken. |
A2025/8611
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 18 november 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
tegen
C,
huisarts, werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Op 7 mei 2025 heeft klaagster een afspraak met de huisarts. Zij stelt dat
zij de afspraak
heeft gemaakt om haar hoge bloeddruk en de medicijnen die zij daarvoor slikt te
bespreken. Bij de
afspraak ziet zij een coassistent en niet de huisarts. De coassistent zou met haar
gesproken hebben
over de bloeddruk en het gebruik van de medicijnen. Naar de mening van klaagster
was de coassistent
niet voor haar taken bevoegd of bekwaam en heeft de huisarts de coassistent onvoldoende
begeleid
door haar zelfstandig het consult te laten uitvoeren. De huisarts had het consult
zelf moeten doen.
De huisarts heeft volgens klaagster niet professioneel en onzorgvuldig gehandeld
en onvoldoende en
passief regie gevoerd over haar medicatiegebruik. Klaagster vindt dat de huisarts
niet de zorg
heeft verleend die zij mocht verwachten. Ook heeft zij haar onheus en niet professioneel
bejegend.
Zij vermoedt dat dit verband houdt met een zakelijk geschil tussen haar echtgenoot
en de huisarts.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 11 juni 2025;
- het aanvullende klaagschrift met bijlage;
- het verweerschrift.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster, geboren in 1975, was patiënte bij de huisartsenpraktijk die de
huisarts met een
medepraktijkhouder drijft (tegen de medepraktijkhouder is ook een klacht ingediend
onder zaaknummer
A2025-8612). Daar het Nederlands niet haar moedertaal is, wordt klaagster bij consulten
regelmatig
vergezeld door haar dochter.
3.2 De huisarts is ermee bekend dat klaagster wisselende bloeddrukwaarden heeft.
Met name de
onderdruk geeft reden tot zorg. Sinds mei 2022 gebruikt klaagster daarom het medicijn
irbesartan,
waarmee de bloeddruk beter onder controle is.
3.3 In april en mei 2025 is een coassistent werkzaam voor de huisartsenpraktijk.
3.4 Van 30 april tot 1 mei 2025 vindt een 24-uursbloeddrukmeting plaats. Het medisch
dossier
vermeldt hierover en over een daaropvolgend advies (alle citaten voor zover van
belang en
letterlijk weergegeven):
‘01-05-25 P RR medicatie zo houden. 24 uurs waarde netjes.
P Advies wel om pil te stoppen!
01-05-25 S Komt langs voor 24 uursmeter afsluiten.
S Verteld daarbij dat zij nog steeds de S anticonceptie pil gebruikt en vaak
S hoofdpijn klachten heeft. Afspraak su gemaakt voor S gesprek over anticonceptie
en overgang.
S Dochter komt mee. E anticonceptie
01-05-25 P Van: bp24
01-05-25 O 24 uur bloeddrukmeting (Protocol) :
30-04-25 S Bloeddrukmeter aangesloten, mevr. geeft aan vaak S last te hebben van
bonkende
hoofdpijn. Ze denkt
S dat het het komt nadat zij med heeft ingenomen. P 24 uurs meting afwachten morgen
beleid ha.’
3.5 Op 7 mei 2025 bezoekt klaagster met haar dochter het spreekuur van de huisartsenpraktijk.
Zij
wordt gezien door de genoemde coassistent in plaats van de huisarts.
3.6 In het medisch dossier staat over het spreekuur van 7 mei 2025:
’07-05-25 S Coass (…) osv (…)
S Wil stoppen met de pil. Is bang om zwanger te S worden. Wil andere anticonceptie.
heeft tijdens
S stopweek heel weinig bloedverlies. Patiente heeft S minder last van hoofdpijn.
Tijdens stopweek
gaat S de bloeddruk wat omhoog. Is elke ochtend
S misselijk, denkt dat het aan het cholesterol ligt. S Zegt dat ze de pil om de
zo veel dagen
gebruikt. S Dochter geeft aan het einde aan het een fijn
S contact te hebben gevonden en vraagt of ik langer S blijf. Aangegeven dat coassistenten
na 6
weken
S coschap weer verder gaan.
O RR 128/80
P Stoppen met de pil. Als deze inadequaat gebruikt P wordt heeft het ook geen effect.
Dit
uitgelegd.
P Gaat nu 3 maanden stop, menstruatie afwachten of P het nog aanwezig is. Condooms
gebruiken. Bij
P bloedverlies na 3 maanden weer contact.’
3.7 Op 9 mei 2025 uit klaagster per mail haar onvrede over het consult van 7 mei
2025. Zij
schrijft onder meer:
‘Op 7 mei jl. had ik met u (…) een afspraak (…), waar ik tot mijn verbazing werd geholpen
door een
stagiair, zo begreep ik althans. Deze stagiair stelde mij vragen over mijn medicijngebruik
en mijn
hoge bloeddruk, waarna zij – kennelijk met u – ging overleggen. Vervolgens kwam
deze stagiair terug
en vertelde mij dat ik nog 3 maanden lang mijn medicijnen moest gebruiken en dan
nog maar een keer
terug moest komen.
U weet van mijn evenwichtsstoornis.
Ik heb het als heel onprettig ervaren dat een stagiair mij dit allemaal moest vertellen
en niet u
als huisarts.
Volgens mij is het belangrijk om zorgvuldig te beoordelen of er sprake is van een
bijwerking van de
medicatie, een interactie, of een andere onderliggende oorzaak. Naar ik begrijp
kunnen
evenwichtsstoornissen namelijk een bijwerking zijn van bepaalde bloeddrukverlagende
middelen, maar
kunnen ook op andere medische problemen wijzen.
Deze zaken zijn niet met mij besproken en daar is ook niet door u naar gevraagd.
Volgens mij moet
bij medicijngebruik voor hoge bloeddruk in combinatie met een evenwichtsstoornis
volgens mij het
consult altijd door een huisarts gedaan worden. Dat is hier niet gebeurd. (…).’
3.8 Op 12 mei 2025 vermeldt het medisch dossier:
12-05-25 S Als mevr terug belt graag een afspraak aanbieden S bij de huisarts. Heeft
een afspraak
met de co ass S gehad, heeft dit als onprettig ervaren. Zie brief S f11’
3.9 Op 15 mei 2025 bericht klaagster de huisartsenpraktijk dat het haar beter lijkt
dat de
huisarts schriftelijk reageert op de klacht, omdat zij het daarvoor ernstig genoeg
vindt. Op 16 mei
2025 verzoekt de medepraktijkhouder van de huisarts haar assistente nogmaals contact
op te nemen
met klaagster voor een persoonlijk gesprek. Dit komt niet tot stand.
3.10 Vanwege haar zorgen over pijn op de borst ziet de huisartsenpost klaagster op
1 juni 2025.
Deze pijn houdt volgens klaagster al twee uur aan. In de aantekeningen van de dienstdoende
arts
staat:
‘(…) bekend met hoge rr. daarvoor 150 mg irbesartan in ochtend. (…) rr 178/114mmhg
(…),’ Klaagster
krijgt het advies 75 mg extra irbesartan in te nemen als zij weer thuis is, naast
1000 mg
paracetamol. De arts noteert ook dat klaagster de volgende dag haar huisarts belt
om te laten weten
hoe het met haar gaat.
3.11 De medepraktijkhouder van de huisarts noteert in het medisch dossier:
’02-06-25 S mw belt vandaag naar ons om te laten weten hoe het S gaat. Graag in
telefonisch
agenda zetten (op welk S nummer kunnen we mw zelf bereiken, mag ook op su S komen
voor controle)’
3.12 Ook op 2 juni 2025 koppelt klaagster via het patiëntenportaal terug hoe het
met haar gaat.
Daarbij verzoekt zij ook inzage in haar medisch dossier. In het medisch dossier
staat:
‘06-06-25
S Ik ben op zondag 1 juni naar de huisartsenpost in
S D geweest graag zou ik per mail het consult S gesprek willen ontvangen als dit
mogelijk is.
S Ook had ik een verzoek ingediend voor het inzien
S van mijn medisch dossier op de mijngezondheids.net S app deze is nog niet goedgekeurd.
Zou u hier
ook S naar toe willen kijken alstublieft? (…) P overleg HA: dossier vrijgegeven.’
3.13 Vanaf begin 2024 tot januari 2025 heeft de huisarts met haar medepraktijkhouder
praktijkruimte van de echtgenoot van klaagster gehuurd. Daarover is een juridisch
geschil ontstaan
tussen hen en de echtgenoot.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts:
- onzorgvuldig en onprofessioneel medisch handelen;
- onvoldoende regie voeren op haar medicatiegebruik;
- passief zijn in het evalueren en monitoren van haar medicatie;
- niet verlenen van zorg die redelijkerwijs mag worden verwacht, het niet naleven
van haar
informatie- en zorgplicht en
- onheuse en onprofessionele bejegening aangezien sprake is van ernstig onprofessioneel gedrag.
4.2 De huisarts voert verweer en verzoekt het college de klacht ongegrond te verklaren.
5. De overwegingen van het college
5.1 De vraag die voorligt is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar
verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere
professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat BIG-geregistreerde
zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Uit het bij de feiten weergegeven medisch dossier blijkt dat klaagster op 7
mei 2025 is
gezien door een coassistent onder supervisie van de huisarts. Een coassistent is
een student in de
laatste fase van de studie Geneeskunde, die praktijkervaring opdoet als onderdeel
van de
masterfase. Onder supervisie van een huisarts mag een coassistent spreekuren draaien
en bepaalde
medische handelingen uitvoeren. Daaronder valt naar het oordeel van het college
de anamnese die de
coassistent bij het spreekuur van 7 mei 2025 heeft afgenomen en het advies dat zij
daarbij heeft
gegeven. De huisarts heeft erop gewezen dat de coassistent in het tweede deel van
haar stage bij de
huisartsenpraktijk zat en dagelijks enkele patiënten zag uit de agenda van de huisarts,
mits de
klacht van de patiënt zich daarvoor leende. Voorwaarde voor zo’n consult door een
coassistent is
dat de superviserende huisarts fysiek nabij en laagdrempelig bereikbaar is voor
overleg en
supervisie; in dit geval heeft de coassistent haar bevindingen en het advies ook
met de huisarts
besproken, aldus de huisarts. Volgens haar stelde de coassistent zich als zodanig
voor bij aanvang
van een consult en gaf zij de patiënt expliciet de gelegenheid om bezwaar te maken
tegen het
consult door haar, of om de aanwezigheid van de huisarts te verzoeken. Het college
overweegt dat in
het geval van klaagster zowel uit de klacht als uit het dossier blijkt dat de coassistent
aan
klaagster en haar dochter kenbaar heeft gemaakt dat zij coassistent was. Verder
wordt in de e-mail
van klaagster aan de huisarts van 9 mei 2025 (zie hiervoor onder 3.7) bevestigd
dat de coassistent
daadwerkelijk ruggespraak heeft gehouden met de huisarts, die als supervisor de
eindverantwoordelijkheid droeg.
5.3 Van enige onzorgvuldigheid of van onvoldoende professionaliteit van de huisarts
als
supervisor bij het spreekuur van 7 mei 2025 blijkt het college uit de stukken niet.
Zoals uit de
verslaglegging van 1 mei 2025 en 7 mei 2025 in het medisch dossier volgt, stonden
op het spreekuur
van 7 mei 2025 vragen van klaagster rondom de anticonceptie centraal en niet het
medicijngebruik en
de problemen vanwege een hoge bloeddruk in combinatie met evenwichtsstoornissen,
zoals klaagster
meent. Er was ook geen aanleiding om die problemen te bespreken, nu kort tevoren,
op 30 april en 1
mei 2025, een 24-uursbloeddrukmeting was uitgevoerd en het resultaat daarvan in
orde was, terwijl dit ook het geval was bij de uit het medisch dossier blijkende bloeddrukmeting
door de coassistent op 7 mei 2025 (128/80). De
coassistent heeft klaagster ook geen advies gegeven over de medicatie voor de bloeddruk.
De
huisarts heeft aangevoerd dat zij op basis van de aard en inhoud van het consult
geen aanleiding
heeft gezien om het consult van de coassistent over te nemen. Het college onderschrijft
dit oordeel
van de huisarts. De coassistent was bevoegd en bekwaam om het consult uit te voeren
op de wijze
waarop zij dat heeft gedaan. Zij heeft met de huisarts overlegd over haar bevindingen
en advies.
Van onvoldoende begeleiding van de coassistent is dan ook niet gebleken.
5.4 Dat klaagster onheus zou zijn bejegend tijdens het consult door de coassistent
of door de
huisarts zelf heeft zij niet onderbouwd. Voor wat betreft het consult van 7 mei
2025 is dit ook in
tegenspraak met wat in het medisch dossier is genoteerd: ‘Dochter geeft aan het einde aan het een
fijn contact te hebben gevonden en vraagt of ik langer blijf.’ Hieruit leidt het college ook af dat
klaagster en/of haar dochter er geen bezwaar tegen hebben gemaakt dat het consult
door de
coassistent werd gedaan.
5.5 Klaagster heeft verder naar voren gebracht dat bij haar bezoek aan de huisartsenpost
op 1
juni 2025 de dienstdoende arts zou hebben gezegd dat de huisarts de irbesartan in
een te lage
dosering – 75 mg ’s ochtends – had voorgeschreven. Dit strookt echter niet met de
aantekeningen van
de betreffende arts (zie hiervoor onder 3.10). Daaruit blijkt dat klaagster reeds
150 mg irbesartan
per dag gebruikte. Gelet op de eerdergenoemde 24-uursbloeddrukmeting en de op 7
mei 2025 gemeten
bloeddruk was dit een passende dosering; de gezondheidsrisico’s voor klaagster van
haar hoge
bloeddruk werden daarmee afdoende en op verantwoorde wijze verminderd. Ook de door
de
huisartsenpost voorgestelde verhoging van irbesartan met 75 mg vormt geen aanwijzing
dat de
huisarts onvoldoende regie zou voeren op het medicatiegebruik van klaagster of dat
de huisarts haar
medicatie passief zou evalueren of monitoren. Uit het waarneembericht van de huisartsenpost
komt
naar voren dat deze verhoging eenmalig werd voorgeschreven en samenhing met de zorgen
van klaagster
en de op dat moment gemeten bloeddruk van 178/114. Van een levensbedreigende situatie,
zoals
klaagster stelt, blijkt niet uit het waarneembericht, evenmin als van een opname
van klaagster in
het ziekenhuis.
5.6 Het verwijt aan de huisarts dat zij onvoldoende nazorg heeft gegeven na het
contact van
klaagster met de huisartsenpost gaat niet op, nu dit door haar medepraktijkhouder
is opgepakt en de
huisarts daar niet bij betrokken is geweest.
5.7 Voor zover de klacht van klaagster over de afgifte van het medisch dossier toen
zij van
huisarts wilde wisselen ziet op de huisarts – de huisarts heeft aangevoerd dat zij
in de periode
dat dit speelde met vakantie was –, dan kan ook die klacht niet slagen. Het dossier
is tijdig
vrijgegeven, te weten vier dagen nadat klaagster daarom verzocht. Dat volgt uit
het medisch
dossier. Bij de datum van 6 juni staat: ‘P overleg HA: dossier vrijgegeven.’
5.8 Klaagster is, ten slotte, ontevreden over de wijze waarop de huisarts haar klacht
over het
consult bij de coassistent heeft afgewikkeld. Naar het oordeel van het college heeft
de
medepraktijkhouder van de huisarts adequaat gehandeld door klaagster tot tweemaal
toe een
persoonlijk gesprek aan te bieden over de klacht. Er was dan ook geen aanleiding
voor de huisarts
om hierin verder nog actie te ondernemen. Een huisarts is niet verplicht schriftelijk
op een klacht
van een patiënt te reageren. Een persoonlijk gesprek verdient in zo’n situatie de
voorkeur.
5.9 Uit het voorgaande volgt dat het college niet anders kan concluderen dan dat
de huisarts
zorgvuldig en professioneel heeft gehandeld bij het verlenen van zorg aan klaagster.
Dat betekent
dat er ook geen aanwijzingen zijn dat het zakelijke conflict dat de huisarts had
met de echtgenoot
van klaagster enige rol heeft gespeeld bij haar behandeling.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 18 november 2025 door N.B. Verkleij, voorzitter,
C.H. van Dijk, lid-jurist, V.M. Schijf, J.C. van der Molen en I. Weenink,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.