ECLI:NL:TGZRAMS:2025:271 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8396

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:271
Datum uitspraak: 18-11-2025
Datum publicatie: 18-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8396
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klaagster is door de huisarts eenmalig gezien in de praktijk. Dit consult vond plaats één week nadat klaagster was onderzocht door een physician assistant.Zij verwijt de huisarts onder andere dat hij haar gezondheidsklachten niet serieus heeft genomen en haar niet lichamelijk heeft onderzocht. Het college kan niet vaststellen dat de huisarts klaagster niet serieus heeft genomen in haar klachten. Gelet op het feit dat klaagster zich veel zorgen maakte over haar gezondheid, zou het haar mogelijk geholpen hebben als de huisarts wel lichamelijk onderzoek had verricht, maar het college acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat hij dat in deze situatie, waarbij klaagster in zorg was bij de physician assistant en het vervelend vond haar verhaal opnieuw te vertellen, niet heeft gedaan. Klacht is kennelijk ongegrond.

A2025/8396

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 18 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B, klaagster,

tegen

C,
huisarts, werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S.C. Wesselingh, werkzaam te Amsterdam

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is door de huisarts eenmalig gezien in de praktijk. Dit consult vond plaats één
week nadat klaagster was onderzocht door een physician assistant (hierna: PA). Volgens klaagster
ervoer zij bij het consult door de huisarts ernstige gezondheidsklachten. Zij verwijt hem onder
andere dat hij haar gezondheidsklachten niet serieus heeft genomen en haar niet lichamelijk heeft
onderzocht.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 april 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- de aanvullende stukken van de zijde van verweerder;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 4 september 2025. Omdat
klaagster door een administratieve omissie niet op de hoogte was van het mondelinge vooronderzoek,
heeft zij de gelegenheid gekregen schriftelijk op het proces-verbaal te reageren. Dat heeft zij
gedaan per e-mail van 29 september 2025, die zich ook bij de
stukken bevindt.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 19 februari 2024 is klaagster bij een afspraak in de praktijk gezien door de PA. Naar
aanleiding van dit consult is onder andere bloedonderzoek gedaan en is klaagster (opnieuw)
doorverwezen naar de GGZ. Toen de uitslag van het bloedonderzoek op
21 februari 2024 bekend was, heeft de PA volgens het dossier geprobeerd om klaagster daarover
telefonisch te bereiken. Toen dat ook de volgende dag niet lukte, heeft zij klaagster een bericht
gestuurd. Klaagster was daar ontstemd over, omdat zij geen gemiste oproepen op haar telefoon had,
zo liet zij op 26 februari 2024 weten. Diezelfde dag vroeg zij een consult aan.

3.2 Op 27 februari 2025 heeft klaagster een consult bij de huisarts gehad en opnieuw haar
klachten toegelicht. De huisarts heeft daarover in het medisch dossier genoteerd: “S: Lab
besproken, weet niet waarom nu bij mij su. Moet steeds verhaal opnieuw vertellen. Loopt bij MV en
eerder D. P: tc MV morgen na 12u.”

3.3 Klaagster heeft op 20 maart 2024 gevraagd om haar uit te schrijven bij de praktijk.

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij:
a) haar gezondheidsklachten niet serieus heeft genomen;
b) tijdens het consult geen relevante vragen heeft gesteld;
c) haar onheus heeft bejegend en valse meldingen en beschuldigingen heeft geuit naar de huisarts
naar wie klaagster wilde overstappen;
d) het medisch dossier niet tijdig heeft doorgestuurd.

4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht in al haar onderdelen ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder
geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.

5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en
overweegt daartoe als volgt. Het college zal een deel van de klachtonderdelen gezamenlijk
behandelen.

Klachtonderdelen a) en b) gezondheidsklachten niet serieus genomen en niet van belang zijnde vragen
gesteld over haar gezondheid

5.3 Klaagster verwijt de huisarts dat hij haar gezondheidsklachten niet serieus heeft genomen. Zo
heeft hij tijdens het consult geen interesse getoond in klaagster en haar niet onderzocht. Er
werden volgens klaagster enkel vragen gesteld die niet aan haar gezondheidsklachten waren
gerelateerd.

5.4 De huisarts heeft in zijn verweerschrift en tijdens het mondelinge vooronderzoek toegelicht
dat klaagster één week voor het consult van 27 februari 2024 uitgebreid was onderzocht door de PA.
Het was voor de huisarts en voor klaagster niet duidelijk waarom zij nu bij hem een afspraak had,
te meer omdat klaagster aangaf dat zij vaak opnieuw haar verhaal moest vertellen en zij dit
vervelend vond. Omdat de PA had geprobeerd contact te krijgen met klaagster over de uitslag van
haar bloedonderzoek en er ook vervolgonderzoek was afgesproken, heeft de huisarts voorgesteld om
het onderzoek naar de klachten van klaagster bij de PA te laten, juist omdat hij het belangrijk
vond dat de klachten goed in kaart werden gebracht. Volgens de huisarts was klaagster daar niet op
tegen. In het dossier heeft de huisarts genoteerd dat de PA de volgende dag na 12:00 uur contact
zou opnemen met klaagster.

5.5 Uit het dossier en het mondelinge vooronderzoek is gebleken dat klaagster vóór februari 2024
was gezien door verschillende artsen in de huisartsenpraktijk en meerdere specialisten, waaronder
een KNO-arts en een MDL-arts. Op 19 februari 2024 is klaagster met grotendeels dezelfde klachten,
maar ook met pijn aan haar pols en arm en disconnectie met haar lichaam, gezien door de PA.
Klaagster maakte zich veel zorgen of zij misschien een TIA had gehad. De PA heeft klaagster op
grond van haar bevindingen – geen uitvalsverschijnselen geconstateerd – gerustgesteld en
bloedonderzoek ingezet. Uit het dossier volgt dat het contact tussen de PA en klaagster nog niet
was afgerond. Hoewel een PA geen huisarts is en er daarom van een huisarts extra oplettendheid
verwacht wordt, acht het college het in dit geval begrijpelijk dat de huisarts één week na het
consult bij de PA niet uitgebreid inhoudelijk op de klachten van klaagster is ingegaan en zelf een
lichamelijk onderzoek bij haar heeft verricht. Het college kan niet vaststellen dat de huisarts
klaagster niet serieus heeft genomen in haar klachten. Gelet op het feit dat klaagster zich veel
zorgen maakte over haar gezondheid, zou het haar mogelijk geholpen hebben als de huisarts wel
lichamelijk onderzoek had verricht, maar het college acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat
hij dat in deze situatie, waarbij klaagster in zorg was bij de PA en het vervelend vond haar
verhaal weer te moeten vertellen, niet heeft gedaan. Klaagster heeft overigens aangevoerd dat haar
bovenlichaam ten tijde van het consult bij de huisarts verlamd was, maar uit het klaagschrift en
het dossier blijkt dat zij daarvan voor het eerst op 28 februari 2024 melding heeft gemaakt bij de
praktijk, dus een dag na het consult bij de huisarts. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat er sprake was van een spoedeisende situatie, zoals klaagster in haar klaagschrift heeft geschreven.

5.6 Over de klacht van klaagster dat de arts vragen heeft gesteld die niet van belang waren,
overweegt het college dat klaagster niet heeft toegelicht welke vragen de huisarts precies heeft
gesteld. Daarom kan het college niet beoordelen of deze vragen wel of niet relevant waren.

5.7 Het college kan dus niet vaststellen dat de huisarts een tuchtrechtelijk verwijt kan worden
gemaakt. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klachtonderdelen c) en d) onheuse bejegening, valse beschuldigingen en doorsturen van het medisch
dossier

5.8 Klaagster verwijt de huisarts ook dat hij haar onheus heeft bejegend tijdens het consult van
27 februari 2024 en dat hij haar onmenselijk, onbeschoft en asociaal heeft behandeld. Na deze
ervaring wilde zij overstappen naar een andere huisarts. Klaagster stelt dat zij bij de nieuwe
huisartsenpraktijk niet is geaccepteerd, omdat deze nieuwe huisarts had gesproken met de
(verwerende) huisarts, die valse beschuldigingen over haar zou hebben geuit. Daarom wilde de nieuwe
huisarts haar niet meer accepteren. Vervolgens heeft de huisarts haar medische dossier niet tijdig
opgestuurd.

5.9 De huisarts heeft de stellingen van klaagster betwist. Hij herkent zich niet in het beeld dat
klaagster van hem schetst. Hij ontkent contact te hebben gehad met de nieuwe huisarts van
klaagster. Hij was ook niet op de hoogte van haar uitschrijving bij de praktijk en heeft geen rol
gespeeld bij de overdracht van het medisch dossier. Hij was daarvoor ook niet verantwoordelijk.

5.10 Het college oordeelt dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is. Klaagster heeft, nadat de
huisarts had ontkend dat hij contact heeft gehad met de nieuwe huisarts van klaagster, dit niet
verder onderbouwd. Daarom kan het college daar niet van uitgaan. Uit het medisch dossier blijkt
niet dat de huisarts betrokken is geweest bij de uitschrijving van klaagster bij de praktijk of bij
de overdracht van haar dossier, en ook niet dat hij daarvoor verantwoordelijk was. Evenmin ziet het
college op basis van het dossier aanleiding om te veronderstellen dat de huisarts klaagster onheus
of onbehoorlijk heeft bejegend. Het college kan bij deze tegenstrijdige lezing van de feiten zonder
nadere bevestiging van de lezing van klaagster niet in het nadeel van de huisarts uitgaan van wat
klaagster over de bejegening heeft gezegd.

Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond
zijn.

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, C.H. van Dijk, lid-jurist,
V.M. Schijf, J.C. van der Molen en I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
V.K.M. Hanssen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.