ECLI:NL:TGZRAMS:2025:270 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8395

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:270
Datum uitspraak: 18-11-2025
Datum publicatie: 18-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8395
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klaagster is in de periode van 2022 tot maart 2024 door meerdere zorgverleners van de praktijk van de huisarts gezien in het kader van diverse mentale en fysieke gezondheidsklachten. Klaagster verwijt de huisarts onder meer dat er tijdens consulten niet aan haar gezondheid gerelateerde vragen zijn gesteld en dat haar medische hulp bij haar fysieke klachten is geweigerd. Het college komt tot het oordeel dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.

A2025/8395

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 18 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B, klaagster,

tegen

C,
huisarts, werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S.C. Wesselingh, werkzaam te Amsterdam

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster is in de periode van 2022 tot maart 2024 door meerdere zorgverleners van de 
praktijk van de huisarts gezien in het kader van diverse mentale en fysieke gezondheidsklachten. 
Klaagster verwijt de huisarts onder meer dat er tijdens consulten niet aan haar gezondheid 
gerelateerde vragen zijn gesteld, dat haar medische hulp bij haar fysieke klachten is geweigerd en 
dat de huisarts haar dossier niet op tijd heeft doorgestuurd toen klaagster zich had uitgeschreven 
bij de praktijk.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. 
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat 
duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe 
de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 april 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, waaronder het medische dossier van klaagster;
-  de e-mail van (de gemachtigde van) de huisarts van 1 juli 2025, met als bijlage een brief van 26 
juni 2025 van een collega van de huisarts met daarin opgenomen de journaalregels uit het dossier;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 4 september 2025.

Omdat klaagster door een administratieve omissie niet op de hoogte was van het mondelinge 
vooronderzoek, heeft zij de gelegenheid gekregen schriftelijk op het proces-verbaal te reageren. 
Dat heeft zij gedaan per e-mail van 29 september 2025, die zich ook bij de stukken bevindt.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1  Klaagster was tot 20 maart 2024 patiënte van de praktijk waarvan de huisarts praktijkhouder 
is.

3.2   Klaagster heeft op 4 augustus 2022 contact opgenomen met de praktijk met de hulpvraag haar 
emoties beter onder controle te hebben. In het dossier is genoteerd dat zij erg emotioneel was, 
omdat zij gestalkt werd en haar zus ernstig ziek was. Op 5 augustus 2022 is zij teruggebeld door 
een collega van de huisarts en is er een fysieke afspraak ingepland voor 8 augustus 2022.

3.3   Op 8 augustus 2022 is klaagster gezien door een AIOS huisartsgeneeskunde (arts in opleiding 
tot huisarts). Hij heeft klaagster doorverwezen naar de praktijkondersteuner huisarts voor 
psychische klachten (POH-GGZ) van de praktijk.

3.4   Op 26 augustus 2022 heeft een andere huisarts uit de praktijk gebeld met klaagster en 
daarover het volgende in het medisch dossier genoteerd: “Ziet het niet zitten. Bang zichzelf iets 
aan te doen. Doelt op alcohol icm veel pillen. Maar heeft geen pillen en ook niet de connecties om 
daar aan te komen.”

3.5   Op 2 september 2022 heeft klaagster een afspraak gehad met de POH-GGZ. De POH- GGZ noteerde 
daarover het volgende in het medisch dossier: “Sinds maandag geen werk meer. Wel weer gaan 
kickboxen. Staat officieel in D ingeschreven dus buurtteams waarsch geen optie. Zou wel weer CGT 
willen. Vermoeden persoonlijkheidspr besproken. PTe zou wel verwezen willen worden.”

3.6  Op 9 september 2022 is in het dossier genoteerd: “Vb naar GGZ E gemaakt en pte geinformeerd.”

3.7  In de verwijsbrief van 9 september 2022 staat vermeld:
“Vermoeden DSM 5 stoornis(sen) Persoonlijkheidsstoornis”. De verwijsbrief vermeldt als verzender de 
POH-GGZ, uit naam van de huisarts.

3.8   Op 22 juni 2023 is klaagster verwezen naar de KNO-arts in verband met bloedverlies na het 
eten van een broodje en klachten en pijn aan haar keel. Het dossier van de huisarts vermeldt bij 27 juli 2023 dat er geen verklaring is op KNO-gebied en dat klaagster wordt verwezen naar de MDL-arts. In een brief van 24 augustus 2023 bericht de MDL-arts de huisarts: “1. Bloed in speeksel tgv bloeding aryepiglottische plooi? 2. Buikklachten linksonder en regio epigastro, dd zuurgerelateerd dd PDS (opm. college: prikkelbaredarmsyndroom) Beleid Ad 1: retour KNO dd 
2:Omeprazol 40mg 1d1 4 weken 
EVHO abdomen: Duspatal zo nodig”.

3.9   Op 11 september 2023 kwam klaagster voor verschillende klachten bij een andere AIOS 
huisartsgeneeskunde. Zij voerde neurologisch onderzoek uit bij klaagster, waarbij geen 
bijzonderheden werden gevonden en liet bloedonderzoek doen. De uitslagen daarvan zijn op 18 
september 2023 met klaagster besproken. Er waren geen afwijkingen ten aanzien van de op 11 
september 2023 besproken klachten. Klaagster had op dat moment minder klachten. Zij kreeg het 
advies bij terugkomende klachten eventueel een dagboek bij te houden en dit op een spreekuur te 
bespreken. Klaagster maakte nog melding van rode puntjes op haar tong de afgelopen tijd, maar op 
dat moment had zij die klachten niet. De AIOS adviseerde bij het terugkomen daarvan een foto te 
maken en op te sturen of langs te komen.

3.10  Bij brief van 21 september 2023 heeft de KNO-arts de huisarts schriftelijk bericht dat er 
voor de klachten geen verklaring is op KNO-gebied.

3.11  Op 19 februari 2024 kwam klaagster op consult bij een physician assistant (hierna: PA) van de 
praktijk (tegen wie ook een klacht is ingediend onder nummer A2024-8397) met een lijst met 
klachten, waaronder koorts, bloed spugen, pijn aan haar pols en arm, disconnectie met haar lichaam, 
gewichtsverlies en nachtelijk zweten. Zij voelde zich niet serieus genomen door de KNO- en 
MDL-arts. Het dossier vermeldt:
“S   (…) drugs- roken- alcohol eruit- geen uitvalsverschijnselen. is het een TIA? omdat haar 
biologische vader dat heeft gehad. hv Tia? lab?
O   niet ziek, alert, spreekt snel. geen uitvals verschijnselen. brace re pols. st: 99% P 80reg T 
37
P    geruststelling geen verdenking TIA. aanv stollinglab akkoord. overleg MDL, geen vervolg gehad? 
overleg eva GGZ; psy hulp? uit beeld/ therapie gestart? overleg: verwezen naar GGZ, pt gaf aan daar 
naartoe te gaan. advies F; navragen bij patiënt hoe traject verloopt.”

3.12  Op 21 en 22 september 2024 vermeldt het dossier “tc gg” (telefonisch contact, geen gehoor). 
De PA doet op 22 september 2024 telefonisch navraag bij de MDL-arts, omdat er geen brief met 
uitslagen van de MDL-arts in het dossier zit. Zij stuurt klaagster een bericht dat zij haar helaas 
niet te pakken krijgt en dat de bloeduitslagen goed zijn. Zij verzoekt klaagster de praktijk te 
bellen voor verder beleid.

3.13  Naar aanleiding van een aanvraag van klaagster om een e-consult wordt zij op 28 februari 2024 
gezien door een collega van de huisarts (tegen wie ook een klacht is
ingediend onder nummer A2024-8396). Klaagster weet blijkens het dossier niet waarom ze bij hem is, omdat ze bij de PA loopt. De collega-huisarts schrijft als plan (P) in het dossier: “tc 
MV morgen na 12u”. “MV”
is de PA. De PA belt klaagster op 28 februari 2024, waarbij klaagster er 
melding van maakt dat zij haar handen na het wakker worden drie uur niet kon bewegen. De PA biedt 
klaagster een consult aan voor de armklachten. Klaagster zal daarover nadenken. Zij vraagt geen 
consult aan.

3.14  Klaagster heeft op 20 maart 2024 gevraagd om haar uit te schrijven bij de praktijk. Op 27 
maart 2024 is het dossier van klaagster verzonden aan de nieuwe huisarts van klaagster.

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klaagster verwijt de huisarts dat hij:
a) en zijn leerling tijdens de consulten vragen hebben gesteld die niet gerelateerd waren aan de 
gezondheidsklachten van klaagster;
b) klaagster zonder voor haar bekende reden heeft doorgestuurd naar GGZ E, dat de verwijsbrief en 
de informatie die daarin staat niet met klaagster is gedeeld en dat de informatie die in de 
verwijsbrief staat niet juist is;
c) haar medische hulp bij haar fysieke klachten heeft geweigerd;
d) niet tijdig haar medische dossier naar haar nieuwe huisarts heeft verstuurd en dat klaagster 
daardoor geen afspraken kon maken bij haar nieuwe huisarts.

4.2  De huisarts heeft het college verzocht de klacht in al haar onderdelen ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder 
geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun 
eigen handelen.

5.2  Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal 
hierna de klachtonderdelen bespreken.

Klachtonderdeel a) het stellen van niet ter zake doende vragen
5.3   Klaagster verwijt de huisarts dat hij en een leerling van hem tijdens de consulten vragen 
hebben gesteld over haar gezondheid die niet van belang waren. In haar klaagschrift benoemt zij het 
consult van 11 september 2023. Zo werd er aan haar gevraagd of zij medicijnen gebruikte en of zij 
alcohol dronk.

5.4   De huisarts heeft verweer gevoerd en benadrukt dat hij klaagster nooit heeft ontmoet. 
Klaagster is op 11 september 2023 gezien door een AIOS. De huisarts stelt zich op het standpunt dat 
hij niet persoonlijk verantwoordelijk is voor het handelen van de AIOS, omdat dit een arts is met 
een eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid.

5.5   Het college stelt voorop dat het aan de hand van het dossier niet kan vaststellen wie een 
consult met klaagster heeft gevoerd. Er is echter geen aanleiding om te twijfelen aan het verweer 
van de huisarts dat hij klaagster nooit heeft gezien, omdat dit wordt bevestigd door klaagster, 
waar zij schrijft dat zij bij ‘leerlingen’ van de huisarts is geweest. Klaagster noemt de huisarts 
ook “zij”, terwijl hij een man is. Dat wijst erop dat zij daadwerkelijk nooit persoonlijk contact 
met de huisarts heeft gehad.

5.6   Uit het dossier blijkt dat klaagster niet in het consult van 11 september 2023, maar wel op 
19 februari 2024 is gevraagd naar het gebruik van alcohol en drugs. Het college overweegt dat dit 
gebruikelijke en relevante vragen zijn, die huisartsen moeten stellen aan patiënten wanneer zij in 
kaart proberen te brengen wat er ten grondslag kan liggen aan fysieke en psychische klachten. 
Bovendien is niet gebleken dat de huisarts betrokken is geweest bij de zorg aan klaagster tijdens 
dit consult of daarna. Klaagster is gezien door de PA, die zelfstandig consulten mag voeren, 
diagnoses stellen en behandelingen inzetten. De PA heeft als BIG-geregistreerde zorgverlener een 
eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid.

5.7   Voor zover klaagster ook bedoeld heeft te klagen over de dossieraantekeningen van het 
telefonische consult van 26 augustus 2022, waarin is gesproken over alcohol en pillen, overweegt 
het college dat deze notities niet door de huisarts zijn gemaakt, maar door een andere huisarts. De 
huisarts is daarvoor niet verantwoordelijk. Overigens heeft de betreffende collega-huisarts ook 
genoteerd dat klaagster niet over pillen beschikte.

Klachtonderdeel b) de verwijsbrief naar GGZ E
5.8   Klaagster verwijt de huisarts dat zij niet is geïnformeerd over de reden van de 
doorverwijzing naar GGZ E, dat zij de verwijsbrief niet heeft gezien en dat er onjuistheden in 
staan vermeld. Zij zou worden doorverwezen voor hulp tegen haar stalker, aldus klaagster.

5.9   De huisarts heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat de brief weliswaar uit zijn naam is 
gestuurd, maar dat de verwijsbrief is opgemaakt door de POH-GGZ en dat deze is gecontroleerd door 
een andere huisarts in zijn praktijk. Hij heeft dus niets van doen gehad met deze doorverwijzing.

5.10  Het college overweegt dat uit het dossier niet blijkt wie de verwijzingsbrief van de POH-GGZ 
heeft gecontroleerd. Dat betekent dat het college niet kan vaststellen dat de huisarts niet 
verantwoordelijk is voor de inhoud daarvan. Over dit klachtonderdeel overweegt het college daarom 
het volgende.

5.11  Zoals hierboven onder de feiten is benoemd, geeft de verwijsbrief enkel aan dat er een 
vermoeden is van een persoonlijkheidsstoornis. Anders dan wat klaagster heeft gesteld, staat er 
niet meer informatie in de verwijsbrief. Klaagster lijkt te doelen op het verslag van het 
telefoongesprek van 26 augustus 2022, waarin wel meer informatie staat vermeld over haar klachten. 
Het college stelt vast dat in het medisch dossier staat beschreven dat klaagster op 2 september 
2022 openstond voor een doorverwijzing en dat deze doorverwijzing, met daarin opgenomen het 
vermoeden van een persoonlijkheidsstoornis, ook met haar is besproken. Dat zij de brief niet van 
tevoren heeft gezien is niet voldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt, nu klaagster op de hoogte 
was van de reden voor de doorverwijzing. Dat klaagster zou worden verwezen voor hulp tegen een 
stalker ligt niet voor de hand, omdat dergelijke hulp niet door de GGZ (of andere zorgverleners) 
kan worden verleend. Dat er andere onjuistheden in de brief staan vermeld, kan het college ook niet 
vaststellen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c) het weigeren van medische hulp
5.12  Dit klachtonderdeel ziet op het consult van 19 februari 2024. Klaagster verwijt de huisarts 
dat zij geen medische hulp heeft gekregen bij haar fysieke klachten van verlamming van haar 
bovenlichaam. De huisarts is niet betrokken geweest bij de zorg aan klaagster tijdens dit consult 
of daarna. Klaagster is gezien door de PA, die – zoals hiervoor onder 5.6 overwogen – een eigen 
tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid heeft. Omdat de huisarts niet betrokken was bij dit consult, 
is dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel d) het niet tijdig verzenden van het medische dossier
5.13  Dit klachtonderdeel ziet op het verwijt van klaagster dat de huisarts haar medische dossier 
niet op tijd zou hebben doorgestuurd.

5.14  Uit het dossier blijkt dat de huisarts één week na het verzoek van klaagster om uitschrijving 
het medisch dossier heeft verzonden aan haar nieuwe huisarts. Klaagster is daarna echter weer van 
huisarts gewisseld en heeft aan de (verwerende) huisarts op 29 april 2024 gevraagd om haar medisch 
dossier naar deze tweede nieuwe huisarts te sturen. Omdat de huisarts enkel nog een kopie had van 
haar medisch dossier, heeft hij deze kopie drie dagen na haar verzoek naar haar nieuwe huisarts 
verzonden. Het college oordeelt dat de huisarts tweemaal tijdig het medisch dossier van klaagster 
heeft verstrekt aan de opvolgende huisartsen. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Slotsom
5.15  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, C.H. van Dijk, lid-jurist,
V.M. Schijf, J.C. van der Molen en I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
V.K.M. Hanssen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.