ECLI:NL:TGZRAMS:2025:268 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7768
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:268 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-11-2025 |
| Datum publicatie: | 14-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7768 |
| Onderwerp: | Onjuiste declaratie |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht van een zorgverzekeraar tegen een verpleegkundige. De verpleegkundige is (indirect) bestuurder en aandeelhouder van een zorgaanbieder die zowel wijkverpleging als geestelijke gezondheidszorg levert. De zorgverzekeraar concludeert op basis van fraudeonderzoeken dat er opzettelijk en op grote schaal onjuiste declaraties zijn ingediend. Het college overweegt dat uit het onderzoek meerdere onregelmatigheden en ernstige gebreken naar voren komen waarvoor de verpleegkundige geen passende verklaringen heeft gegeven. Het college stelt daarnaast vast dat de verpleegkundige onvoldoende heeft meegewerkt aan de fraudeonderzoeken. Doorhaling inschrijving in BIG-register en directe schorsing. Publicatie. |
A2024/7768
Beslissing van 14 november 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 14 november 2025 op de klacht van:
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Arnhem,
klaagster,
gemachtigde: mr. C.E. van Staveren, werkzaam in Arnhem,
tegen
A,
verpleegkundige,
destijds werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigden: mr. K. Dhaliwal en mr. L. Huard, beiden werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De verpleegkundige is (indirect) bestuurder en (indirect) aandeelhouder van
de besloten vennootschap C, een niet-gecontracteerde zorgaanbieder die zowel wijkverpleging
als geestelijke gezondheidszorg levert. Door verzekerden van VGZ (klaagster) zijn
declaraties ingediend bij klaagster met betrekking tot door C verleende zorg. Op enig
moment is klaagster een fraudeonderzoek gestart naar de declaraties van C. De conclusie
van klaagster is dat er opzettelijk en op grote schaal onjuiste declaraties zijn ingediend
met betrekking tot zowel de wijkverpleging als de geestelijke gezondheidszorg verleend
door C. Naar aanleiding hiervan heeft klaagster de tuchtklacht ingediend.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt de verpleegkundige de maatregel van doorhaling op. Hierna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 oktober 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen
- de brief van de gemachtigde van klaagster, binnengekomen op 23 mei 2025, met de
bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van klaagster, binnengekomen op 19 september 2025,
met de bijlage;
- de brief van de gemachtigde van verweerster, binnengekomen op 22 september 2025,
met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 2 oktober 2025. Klaagster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door X, Y, Z, allen medewerker bij klaagster. De verpleegkundige is eveneens verschenen en werd bijgestaan door haar gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden van beide partijen hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 C is een niet-gecontracteerde zorgaanbieder. De onderneming is op 28 juni 2020
opgericht. De bestuurder en enig aandeelhouder is I. De bestuurder en enig aandeelhouder
van I is de verpleegkundige. De verpleegkundige is daarmee indirect bestuurder en
indirect aandeelhouder van C. C was destijds zowel in de wijkverpleging als in de
GGZ-zorg actief als zorgaanbieder. Er waren meerdere medewerkers werkzaam bij C.
3.2 Klaagster is na een melding van een verzekerde, dat haar handtekening was vervalst op een zorgplan, en een aantal eigen constateringen op grond van artikel 7.10 van de Regeling Zorgverzekering een fraudeonderzoek gestart. Bij brief van 3 maart 2023 is C door klaagster op de hoogte gesteld van het onderzoek.
3.3 Op 12 april 2023 is de verpleegkundige in aanwezigheid van haar toenmalige gemachtigde door medewerkers van klaagster gehoord.
3.4 Bij brief van 30 mei 2023 heeft klaagster ten behoeve van het onderzoek informatie opgevraagd bij C. Er werd om de volgende stukken gevraagd: de jaarrekeningen van 2020, 2021, en 2022, met betrekking tot 14 specifiek genoemde verzekerden de urenspecificaties, kopieën van de (zorg)diploma’s van de door C ingezette zorgverleners voor de zorg aan deze verzekerden, een overzicht van de door C ontvangen betalingen ten aanzien van alle verzekerden waarvoor klaagster declaraties van C had vergoed.
3.5 Op 6 juni 2023 is de verpleegkundige opnieuw in aanwezigheid van haar toenmalige gemachtigde door medewerkers van klaagster gehoord.
3.6 Op 9 juni 2023 heeft klaagster C verzocht om een overzicht van de VGZ-verzekerden die afkomstig zouden zijn van het D (hierna: D) cliëntenbestand - D is een B.V. waarvan de heer E de voormalig bestuurder was. Zijn partner F is de huidige bestuurder. Eerder waren de heer E en de verpleegkundige samen bestuurder bij de inmiddels gefailleerde G.
3.7 Op 12 juli 2023 heeft C ten aanzien van vier verzekerden de planningen, facturen,
een deel van de bankafschriften en de zorgdiploma’s van de betrokken zorgverleners
aangeleverd. Ook is de jaarrekening van 2021 overgelegd.
3.8 Op 30 augustus 2023 heeft C de planningen en facturen ten aanzien van tien verzekerden aangeleverd.
3.9 Op 22 november 2023 is de verpleegkundige in aanwezigheid van haar toenmalige gemachtigde door medewerkers van klaagster gehoord.
3.10 Bij brief van 8 december 2023 heeft klaagster de voorlopige bevindingen van het onderzoek gedeeld met C. Bij brief van 18 januari 2024 heeft de toenmalige gemachtigde van C en de verpleegkundige daarop gereageerd.
3.11 Bij brief van 7 maart 2024 heeft klaagster C bericht dat C en de verpleegkundig als (indirect) bestuurder en indicatiesteller zich schuldig hebben gemaakt aan fraude met zorggelden en dat onder meer de volgende maatregelen worden opgelegd: verwerking van de bedrijfsgegevens van C en de persoonsgegevens van de verpleegkundige in het Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) tot 3 maart 2031 en tot die datum zullen geen declaraties van C meer vergoed worden.
3.12 Hierna kwam het definitieve onderzoeksrapport van klaagster met betrekking tot
de declaraties van C inzake wijkverpleging uit. Het onderzoek zag op de periode 24
februari 2020 tot en met 31 maart 2023. De belangrijkste bevindingen uit het onderzoeksrapport
houden – samengevat - in:
-Er is één beschikbare jaarrekening: die van 2021. De inhoud hiervan is op meerdere
punten onjuist.
-D en de hierbij betrokken personen F en E bekleden een rol bij C. Zij ontvangen
zelf eveneens wijkverpleging van C.
-De bevindingen voortkomend uit het onderzoek tonen aan dat de door of namens C
aangeleverde documenten, ter onderbouwing van machtigingsaanvragen voor het verlenen
van wijkverpleging, in meerdere gevallen niet naar waarheid zijn opgemaakt.
-Uit het onderzoek blijkt dat de aard en omvang van de gedeclareerde (en vergoede)
zorg in meerdere gevallen niet overeenkomt met de feitelijk verleende zorg aan verzekerden.
-De door C aangeleverde planningen en/of rapportages zijn in meerdere gevallen niet
naar waarheid opgemaakt.
-Van zeven personen, die volgens de door C aangeleverde planningen zorg hebben verleend,
blijkt op basis van de aangeleverde diploma’s niet dat zij hiertoe bevoegd waren volgens
de verzekeringsvoorwaarden van VGZ.
3.13 Op 10 januari 2024 heeft klaagster C en daarmee de verpleegkundige (als haar bestuurder) geïnformeerd dat er tevens een fraudeonderzoek werd gestart met betrekking tot de declaraties van C inzake de geestelijke gezondheidszorg. De aanleiding hiervoor was een signaal vanuit Zorgverzekeraars Nederland.
3.14 Dit fraudeonderzoek werd op enig moment uitgebreid naar de rol van de heer
H, BIG-geregistreerd psychotherapeut en GZ-psycholoog, en volgens de declaraties met
betrekking tot door C geleverde GGZ-zorg in vrijwel alle gevallen de (regie)behandelaar.
3.15 Op 14 maart 2024 heeft de verpleegkundige schriftelijk een verklaring afgelegd.
3.16 Op 27 maart 2024 heeft klaagster C per e-mail gevraagd om binnen twee weken de volgende informatie aan te leveren ten aanzien van alle genoemde behandelaren op de bij klaagster ingediende declaraties: een kopie van de facturen van deze behandelaren voor hun inzet bij C, de betaalbewijzen waaruit blijkt dat C deze facturen heeft voldaan aan de betreffende behandelaren en een kopie van de overeenkomsten tussen C en de betreffende behandelaren. Op 11 april 2024 is een herinnering gestuurd door klaagster. Klaagster heeft de gevraagde documenten niet ontvangen.
3.17 Bij brief van 18 juni 2024 heeft klaagster de voorlopige bevindingen van het fraudeonderzoek met betrekking tot de GGZ-declaraties met C gedeeld.
3.18 Bij brief van 15 juli 2024 heeft de toenmalige gemachtigde van C en de verpleegkundige gereageerd op de voorlopige bevindingen.
3.19 Bij brief van 7 augustus 2024 heeft klaagster C bericht dat C en de verpleegkundige (als haar indirect bestuurder) zich wat betreft GGZ-declaraties schuldig hebben gemaakt aan fraude met zorggelden en dat onder meer de volgende maatregelen worden opgelegd: verwerking van de bedrijfsgegevens van C en de persoonsgegevens van de verpleegkundige in het EVR tot 10 januari 2032 en verlenging van de termijn waarin geen declaraties van C door klaagster worden vergoed tot 10 januari 2032.
3.20 Hierna verscheen de definitieve onderzoeksrapportage met betrekking tot de declaraties
in de GGZ-zorg van C. Het onderzoek zag op de periode augustus 2022 tot en met 8 maart
2024. De bevindingen luiden – samengevat - als volgt:
-Er is zorg gefactureerd en gedeclareerd die niet (in die mate) is verleend en er
is zorg gefactureerd die niet voor een vergoeding in aanmerking komt.
-De administratie van C is over meerdere jaren niet volledig, onjuist en niet actueel.
-Er is sprake van een overtreding van de NZa beleidsregels 2022 en 2023 aangezien
niet is voldaan aan de voorwaarden die gelden voor het declareren van een multidisciplinaire
setting.
-Er is niet op correcte wijze invulling gegeven aan het regiebehandelaarschap.
-Er zijn declaraties ingediend en uitbetaald zonder dat door C is voldaan aan het
vereiste een geldig kwaliteitsstatuut te hebben en openbaar te maken.
-Eveneens is niet voldaan aan de vereisten die worden gesteld ten aanzien van het
regiebehandelaarschap zoals beschreven in het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ en het
kwaliteitsstatuut van C zelf.
-Er is mogelijk sprake van de inzet van onbevoegd personeel.
-Door het niet aanleveren van de gevraagde informatie is C in gebreke gebleven ten
aanzien van de wettelijke verplichting om medewerking te verlenen aan het onderzoek
op basis van artikel 7.4 van de
Regeling Zorgverzekering.
3.21 Op 25 maart 2025 is C in staat van faillissement verklaard.
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij:
a) in de periode februari 2020 tot en met maart 2024 opzettelijk onjuiste declaraties
heeft opgesteld ten behoeve van de wijkverpleging en de geestelijke gezondheidszorg,
terwijl die zorg in werkelijkheid niet (volledig) aan de verzekerden van klaagster
is geleverd. De verpleegkundige heeft derhalve onjuist gehandeld door op grote schaal
zorgkosten bij klaagster te (laten) declareren waarvoor onjuiste declaraties zijn
opgesteld, zij niet geschikte over de vereiste indicatiestellingen, niet beschikte
over de voor de vastlegging en controle van haar werkzaamheden vereiste administratie,
bewust en stelselmatig op basis van onjuiste en te hoog gestelde indicaties heeft
gedeclareerd en bewust en stelselmatig zorg heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding
onder de Zorgverzekeringswet in aanmerking kwam;
b) niet heeft meegewerkt aan (fraude)onderzoeken van klaagster.
4.2 De verpleegkundige heeft, zo begrijpt het college, verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de verpleegkundige het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De verpleegkundige meent dat klaagster de bevoegdheid tot het indienen van een
tuchtklacht niet kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 65 lid 1 onder c van de
Wet BIG, nu zij geen contract heeft met klaagster en ook niet als zorgverlener bij
klaagster staat ingeschreven.
5.2 Verder brengt de verpleegkundige naar voren dat de verweten gedragingen zien op haar hoedanigheid van (indirect) bestuurder en aandeelhouder van C en niet op haar hoedanigheid van verpleegkundige. Dit zou betekenen dat klaagster niet ontvangen kan worden in de klacht.
5.3 Het college overweegt als volgt. De zogeheten eerste tuchtnorm – die kort gezegd
betrekking heeft op de behandelrelatie tussen een zorgverlener en een patiënt – is
hier niet van toepassing. De tweede tuchtnorm, neergelegd in artikel 47 lid 1, aanhef
en onder b, van de Wet BIG, houdt in dat een BIG-geregistreerde zorgverlener ook aan
tuchtrecht is onderworpen ter zake van ander handelen of nalaten in strijd met wat
een behoorlijk
beroepsbeoefenaar betaamt. Bij de totstandkoming van de Wet BIG is als voorbeeld
van schending van de tweede tuchtnorm (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1985/86,
19522, 7, p. 97) gewezen op fraude tegenover de zorgverzekeraar en is de zorgverzekeraar
als klachtgerechtigde genoemd. Daarbij is overwogen dat de financiële afwikkeling
tussen zorgverzekeraar en zorgverlener onderdeel is van de individuele gezondheidszorg.
Bij de totstandkoming van de Wet BIG is dan ook een zorgverzekeraar als klachtgerechtigde
aangemerkt. Dat de verpleegkundige als zorgaanbieder geen contract had met klaagster
maakt dat niet anders. Ook niet-gecontracteerde zorgaanbieders hebben verplichtingen
jegens de zorgverzekeraar door wie zij, dan wel indirect via de patiënt, betaald worden.
Klaagster is als zorgverzekeraar daarom ontvankelijk in haar klacht.
5.4 Wat betreft het betoog van de verpleegkundige dat het verweten handelen niet ziet op haar hoedanigheid van BIG-geregistreerd verpleegkundige oordeelt het college als volgt. De aan de verpleegkundige verweten gedragingen hebben betrekking op door C gepleegde zorgfraude. De verpleegkundige was als enig (indirect) bestuurder en aandeelhouder van C verantwoordelijk voor de door C ingediende declaraties. De aan haar in dit kader verweten gedragingen kunnen het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig schaden. Daar komt bij dat de verpleegkundige als BIG-geregistreerde verpleegkundige binnen C de persoon was die de indicaties met name of mede (de verpleegkundige heeft hierover wisselend verklaard) stelde. Zij heeft zich aldus begeven op het terrein waarop zij de deskundigheid bezat die hoorde bij haar inschrijving als verpleegkundige in het BIG-register.
5.5 Uit het voorgaande volgt dat klaagster kan worden ontvangen in haar klachten. Het college zal de klacht daarom verder inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.6 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) opzettelijk onjuiste declaraties ingediend bij klaagster
5.7 Klaagster stelt op basis van de uitkomsten van de fraudeonderzoeken dat de
verpleegkundige in haar hoedanigheid van (indirect) bestuurder en aandeelhouder
van C fraude heeft gepleegd in de wijkverpleging en geestelijke gezondheidszorg. Klaagster
stelt een totale vordering van € 647.510,51 euro te hebben op C. De onderzoeken zullen
hieronder afzonderlijk besproken worden.
Wijkverpleging
5.8 Klaagster heeft een uitgebreid onderzoek gedaan naar het declaratiegedrag van
C, waarbij meerdere verzekerden zijn geïnterviewd en de beschikbare documentatie,
zoals indicatiebesluiten, zorgplannen en medische verklaringen, is onderzocht.
5.9 De verpleegkundige erkent dat er fouten zijn gemaakt maar ontkent dat er fraude
is
gepleegd. Zij stelt dat het gaat om aanloopproblemen, die zijn hersteld toen zij
daarop gewezen werd. Verder voelt zij zich ook slachtoffer want er is misbruik gemaakt
van haar onderneming, onder andere door D (de heer E en mevrouw F) die zich ten koste
van C zou hebben verrijkt. De heer E en mevrouw F zouden de excasso-nummers van patiënten
van C via hun DigiD hebben veranderd naar hun eigen rekeningnummer.
5.10 Het college oordeelt als volgt. Uit het onderzoek komen meerdere onregelmatigheden en ernstige gebreken naar voren. Zo zijn er medische verklaringen ten behoeve van machtigingsaanvragen aangeleverd welke niet door de daarop vermelde behandelaren blijken te zijn opgemaakt. Er zijn zorgplannen opgemaakt die niet in overeenstemming zijn met de medische diagnoses. Ook zijn er handtekeningen op zorgplannen geplaatst waarvan meerdere verzekerden aangeven die nooit te hebben gezien of getekend. Daarnaast hebben meerdere verzekerden verklaard dat de omvang van de aan hen verleende zorg niet overeenkomt met de gedeclareerde zorg. Diverse getekende verklaringen van zorgaanvragers blijken bij navraag niet van deze zorgaanvragers afkomstig. Verder blijken zeven personeelsleden op basis van de aangeleverde diploma’s niet bevoegd volgens de verzekeringsvoorwaarden van klaagster.
5.11 Het gaat in bovenstaande om ernstige, structurele gebreken waarvoor de verpleegkundige geen passende verklaringen heeft gegeven. Van een ondernemend en indicerend verpleegkundige mag worden verwacht dat deze gebreken niet voorkomen, zeker niet in de omvang als hier aan de orde. Het college volgt de verpleegkundige niet in haar standpunt dat zij slachtoffer zou zijn van de heer E en mevrouw F. Het op juiste wijze indienen van declaraties voor verpleegkundige zorg behoort bij uitstek tot de taak van de verpleegkundige als (indirect) bestuurder van C. De verpleegkundige was bovendien degene die binnen C de indicaties (mede) stelde. Zij had als (indirect) bestuurder/verpleegkundige de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de declaraties van C. Het was aan de verpleegkundige haar onderneming zo in te richten dat de kwaliteit van het declaratieproces voldoende was gewaarborgd. De verantwoordelijkheid daarvoor kan de verpleegkundige niet afschuiven op anderen.
5.12 Het college acht dit onderdeel van de klacht gegrond.
GGZ
5.13 Ook uit het onderzoek naar de declaraties in de geestelijke gezondheidszorg
komen meerdere onregelmatigheden naar voren. Zo was er geen regiebehandelaar betrokken
bij de GGZ-behandelingen terwijl dit wel verplicht is. Op de facturen stonden regiebehandelaren
vermeld die bij navraag niet gewerkt hebben voor C. Verder blijkt dat dezelfde behandelaar
regelmatig op dezelfde dag en op hetzelfde tijdstip individuele consulten zou hebben
verleend aan verschillende verzekerden. Bij bijna alle gedeclareerde behandelingen
zou er sprake zijn van een multidisciplinaire setting terwijl bij geen enkele declaratie
is voldaan aan de voorwaarden voor het declareren van een multidisciplinaire setting,
omdat er bijvoorbeeld geen psychiater of klinisch psycholoog is verbonden aan C. Alle
door klaagster gesproken verzekerden (in totaal 43) verklaren (ook) door iemand anders
te zijn behandeld dan de behandelaar die staat vermeld op de declaratie. Van de feitelijk
behandelaren is onduidelijk over welke diploma’s zij beschikken en of zij dus wel
bevoegd zijn. Ook is er bijvoorbeeld 2500 euro vergoed voor tolkwerkzaamheden terwijl
de betreffende tolk heeft verklaard nooit werkzaamheden te hebben uitgevoerd voor
C.
5.14 De verpleegkundige heeft ook hier geen passende verklaring gegeven voor deze
bevindingen, behalve dat het gaat om aanloopproblemen en administratieve fouten.
De verpleegkundige geeft aan de fouten hersteld te hebben, maar het college stelt
vast dat dit lang niet altijd het geval is. Het college gaat dan ook uit van de juistheid
van de bevindingen van klaagster en acht dit onderdeel van de klacht gegrond.
Klachtonderdeel b) niet meewerken aan de onderzoeken
5.15 Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij in gebreke is gebleven wat betreft
de wettelijke verplichting om medewerking te verlenen aan het door klaagster uitgevoerde
onderzoek door het niet volledig aanleveren van de gevraagde informatie.
5.16 De verpleegkundige brengt naar voren dat het niet klopt dat zij (C) niet heeft meegewerkt aan de onderzoeken van klaagster. Zij is drie keer naar klaagster afgereisd om uitleg te geven. Zij heeft de gevraagde stukken aangeleverd en steeds tekst en uitleg gegeven.
5.17 Het college overweegt als volgt. Op de zorgaanbieder rust de verplichting mee te werken aan het onderzoek van een zorgverzekeraar. Deze verplichting volgt uit artikel 7.4 van de Regeling Zorgverzekering en artikel 88 van de Zorgverzekeringswet. Het college stelt op basis van hetgeen is weergegeven bij de feiten in 3.4, 3.6, 3.7, 3.8 en 3.16 vast dat de verpleegkundige (als (indirect) bestuurder van C) onvoldoende heeft meegewerkt aan de fraudeonderzoeken. Met betrekking tot de wijkverpleging heeft zij wel enkele documenten aangeleverd maar niet alle informatie waar klaagster (herhaaldelijk) om heeft verzocht. Dat zij uitleg heeft gegeven in gesprekken met klaagster is onvoldoende en ook overigens geldt dat in die gesprekken de gevraagde informatie niet door de verpleegkundige kon worden verstrekt. Met betrekking tot het onderzoek naar de GGZ-declaraties heeft de verpleegkundige (als (indirect) bestuurder van C) niets aangeleverd. Zij was hiertoe als (indirect) bestuurder van C wel gehouden. De verpleegkundige heeft diverse reële mogelijkheden gehad mee te werken aan de onderzoeken maar heeft dit onvoldoende gedaan. Het klachtonderdeel is daarmee gegrond. Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht gegrond
zijn.
Maatregel
5.19 Alles overwegende, vindt het college doorhaling van de inschrijving van de
verpleegkundige in het BIG-register noodzakelijk. De verpleegkundige heeft als (indirect)
bestuurder van C (en tevens indicerend verpleegkundige) met het stelselmatig gedurende
een lange periode en op grote schaal indienen van onjuiste declaraties gehandeld in
strijd met het algemeen belang van de individuele gezondheidszorg. Door haar handelen
heeft zij schade aan de beroepsgroep toegebracht door kernwaarden van het beroep,
waaronder betrouwbaarheid, zorgvuldigheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid
met voeten te treden. De patiënt moet erop kunnen vertrouwen dat de kosten voor zorgverlening
juist worden gedeclareerd en dat hem of haar de juiste zorg wordt verleend door bevoegde
en bekwame zorgverleners. Bovendien heeft de zorgverzekeraar als gevolg van de onjuiste
indicaties en het structureel bovenmatig indienen van declaraties bedragen vergoed
die niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit is een verspilling van schaarse
zorggelden. Daar komt bij dat C, onder verantwoordelijkheid van de verpleegkundige,
terwijl het onderzoek van klaagster naar de declaraties van C met betrekking tot de
zorg in de wijkverpleging al liep, waarvan de verpleegkundige op de hoogte was, onjuiste
declaraties met betrekking tot GGZ-zorg bij klaagster is gaan indienen. Met betrekking
tot deze declaraties zijn uit het onderzoek van klaagster opnieuw ernstige malversaties
naar voren gekomen. De verpleegkundige heeft ten aanzien van de in die declaraties
geconstateerde onjuistheden geen enkele informatie of opheldering aan klaagster kunnen
verstrekken, terwijl dit als verpleegkundige tevens enig (indirect) bestuurder van
C wel van haar had mogen worden verwacht.
5.20 Nu ter zitting is gebleken dat de verpleegkundige tot op heden nog actief is
als
ondernemer in de zorg, geen enkel inzicht heeft getoond in de ernst, omvang en onjuistheid
van haar handelen, geen verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen en zichzelf
slechts als slachtoffer ziet, is het college van oordeel dat ook toepassing dient
te worden gegeven aan artikel 48 lid 9 Wet BIG en zal het na te melden voorlopige
voorziening treffen, nu het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg
dit vordert.
Publicatie
5.21 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- beveelt de doorhaling van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register,
dan wel ontzegt de verpleegkundige, voor het geval zij op het moment van onherroepelijk
worden van deze beslissing niet is ingeschreven in het register, het recht om weer
in dit register te worden ingeschreven;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening de bevoegdheid van de verpleegkundige
om de aan de inschrijving in het BIG-register verbonden bevoegdheden uit te oefenen
totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden
dan wel in beroep is vernietigd;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Nursing,
V&VN en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door W.A.H. Melissen, voorzitter, M.P. Sombroek-van Doorm,
lid-jurist, I.M. Bonte, W.J. van der Meer en J.H. Hunink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door E.A. Weiland, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.