ECLI:NL:TGZRAMS:2025:266 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8289

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:266
Datum uitspraak: 14-11-2025
Datum publicatie: 14-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8289
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een internist-oncoloog. Klaagster is gediagnosticeerd met darmkanker. Zij verwijt de internist-oncoloog gebrekkige communicatie en het weigeren van verdere behandeling. Het college kan niet vaststellen dat de communicatie onvoldoende was. Voor wat betreft de behandeling heeft de internist-oncoloog inzichtelijk gemaakt dat de beslissing om niet te opereren gebaseerd was op de kwetsbare conditie van klaagster en omdat sprake was van een langzaam groeiende tumor. Bovendien was in goed overleg besproken dat geen (invasief) aanvullend onderzoek zou worden gedaan vanwege de risico’s bij de conditie van klaagster. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

A2025/8289
Beslissing van 14 november 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 14 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: C, wonende te B,

tegen

D,
internist,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de internist-oncoloog,
gemachtigde: mr. E.E. Schmitt-Hoogeterp, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster was sinds april 2024 patiënte van de internist-oncoloog. De internist-oncoloog werkt in het E. Tijdens een opname in augustus 2024 wordt klaagster gediagnosticeerd met darmkanker. Klaagster is ontevreden over de communicatie met en de handelwijze van de internist-oncoloog na deze diagnose.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 20 maart 2025;
- het klaagschrift met de machtiging, ontvangen op 22 april 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van klaagster binnengekomen op 16 juli 2025, met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 22 juli 2025;
- de brief van de gemachtigde van klaagster van 13 augustus 2025.


2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster is geboren in 1936 en afkomstig uit F. Zij spreekt geen Nederlands en is bij de start van de behandelrelatie bij de internist-oncoloog in een slechte fysieke conditie. De communicatie verloopt via de dochter van klaagster.

3.2 Op 15 april 2024 is het eerste contactmoment tussen de internist-oncoloog en klaagster en de dochter. Klaagster is door haar huisarts verwezen. In de verwijsbrief staat onder meer vermeld dat klaagster, samen met de dochter, met de huisarts heeft gesproken over zorgen over mogelijke darmkanker, haar anemie (ijzergebrek), de oorzaak daarvan en haar stoelgang. De huisarts heeft een scopie als een mogelijkheid genoemd, maar in overleg werd besloten geen nader onderzoek te doen in verband met de kwetsbaarheid van klaagster. In de verwijsbrief staat dat er geen wens is tot aanvullend onderzoek naar de oorzaak van de anemie.

3.3 Het door de huisarts uitgezette behandelbeleid wordt door de internist-oncoloog overgenomen en in het dossier vermeld. De internist-oncoloog constateert dat de ijzerwaarde niet bijzonder laag is waardoor het onzeker is of alle klachten van klaagster hierdoor verklaard kunnen worden.

3.4 In de maanden daarna krijgt klaagster een ijzerinfuus, wordt gezocht naar medicatie om de problemen met de stoelgang tegen te gaan maar klaagster blijft klachten houden. Besloten wordt een echo van de buik te laten maken. De internist-oncoloog denkt, behalve aan darmkanker, ook aan MDS (myelodysplastisch syndroom) als oorzaak van de klachten.

3.5 De echo toont geen afwijkingen. Klaagster blijft echter last houden van haar buik/ontlasting/obstipatie/diarree. De behandeling met verschillende medicatie geeft geen verbetering. In een telefonisch consult op 26 juli 2024 vertelt de dochter dat klaagster rectaal bloedverlies heeft waarvoor zij door de huisarts naar een chirurg is doorverwezen voor een scopie op 29 juli 2024.

3.6 Tijdens een telefonisch consult op 31 juli 2024 met de dochter blijkt dat aambeien zijn geconstateerd tijdens de scopie. Klaagster is daarvoor behandeld door de chirurg.

3.7 Klaagster blijft klachten houden bij de ontlasting. Er vindt een aantal telefonische consulten plaats met de dochter. Er komen andere klachten bij, zoals pijnklachten in het epigastrium (bovenbuik). Deze worden op 20 augustus 2024 op de SEH onderzocht met onder meer een ECG en een X-thorax. De SEH-arts besluit naar aanleiding van deze onderzoeken tot een poliklinische gastroscopie. Dit wordt gecommuniceerd met de huisarts.


3.8 Op 21 augustus 2024 besluit de internist-oncoloog, in overleg met de dochter die aangeeft dat het thuis niet meer gaat, dat klaagster wordt opgenomen voor een herbeoordeling. Klaagster en de dochter krijgen een tweepersoonskamer aangeboden maar vertrekken ’s avonds tegen het medisch advies in naar huis. De internist-oncoloog noteert dat klaagster te kwetsbaar is voor scopieën en dat een CT-scan wordt overwogen.

3.9 Op 24 augustus 2024 wordt klaagster opnieuw op de SEH gezien waar de dienstdoende internist, op dat moment de hoofdbehandelaar van klaagster, besluit klaagster op te nemen voor een CT-scan van de buik.

3.10 De CT-scan laat een verdikking van de overgang van de endeldarm naar het sigmoïd zien. De dienstdoende internist bespreekt dit met klaagster en de dochter op 25 augustus 2024 en adviseert een scopie. De sigmoïdoscopie wordt op 30 augustus 2024 uitgevoerd door een MDL-arts. De internist-oncoloog (op dat moment geen hoofdbehandelaar meer) deelt de uitslag aan de dochter en klaagster mee: er is een tumor gezien die bijna zeker kwaadaardig is. Er zijn geen uitzaaiingen waargenomen. Op de vraag van klaagster of de tumor chirurgisch verwijderd kan worden, antwoordt de internist-oncoloog dat klaagster te kwetsbaar is voor een dergelijke risicovolle ingreep en dat er geen andere behandelmogelijkheden zijn. Wel kan er goede pijnbestrijding worden gegeven. Er is gesproken over de euthanasieprocedure.

3.11 Klaagster wordt ontslagen en zal palliatieve zorg thuis en pijnbestrijding van de huisarts krijgen.

3.12 Op 5 september 2024 toont de uitslag van het biopt dat sprake is van een laaggradige (langzaam groeiende) kanker.

3.13 Op 12 september 2024 belt de dochter om een afspraak te maken om de medische situatie van klaagster te bespreken. Omdat de internist-oncoloog tot 24 september 2024 met vakantie gaat, laat zij haar assistente doorgeven dat er een brief over de medische situatie naar de huisarts is verstuurd en het verdere beleid met de huisarts is besproken. De internist-oncoloog heeft haar assistente opdracht gegeven om een afspraak te maken voor na haar vakantie. Die afspraak is niet gemaakt.

3.14 De huisarts heeft klaagster verwezen naar een MDL-arts. De MDL-arts heeft de verwijzing on hold gezet en op 11 november 2024 de huisarts geadviseerd in overleg te gaan met de internist-oncoloog. De huisarts heeft op 11 november 2024 contact met de internist-oncoloog opgenomen. Besproken werd onder meer dat klaagster toch geopereerd wil worden. De internist-oncoloog herhaalt dat een operatie te risicovol is en een chirurg dat niet zal doen.

3.15 Op 2 december 2024 wordt de internist-oncoloog door een MDL-arts uit het G gebeld. Deze heeft een verzoek tot een second opinion van de huisarts ontvangen. De internist-oncoloog licht tijdens dat gesprek de medische situatie van klaagster en de keuze voor het palliatieve beleid toe.


3.16 Op 13 december 2024 wordt klaagster opgenomen met fors bloedverlies.

3.17 Op 9 januari 2025 doet de huisarts een onderzoek waaruit blijkt dat klaagster de Helicobacter pylori bacterie heeft. Uit onderzoek op 1 maart 2025 blijkt dat deze bacterie niet meer aanwezig is.

3.18 Vanaf 27 februari 2025 heeft de internist-oncoloog regelmatig contact met de huisarts via de email. De huisarts meldt dat klaagster en de dochter ontevreden zijn over de communicatie met de internist-oncoloog en de geweigerde second opinion.

4. De klacht en de reactie van de internist-oncoloog
4.1 Klaagster verwijt de internist-oncoloog:
a) Gebrekkige communicatie, waaronder het niet adequaat bespreken van de diagnose en prognose;
b) Het weigeren van verdere behandeling en het overdragen van de zorg aan de huisarts;
c) Het vermelden van een euthanasiewens in de brief aan de huisarts;
d) Het niet bereikbaar zijn en niet terugbellen na contactverzoeken;
e) Het niet bieden van een second-opinion.

4.2 De internist-oncoloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de internist-oncoloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist-oncoloog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de internist-oncoloog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2 Het college oordeelt dat de internist-oncoloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) gebrekkige communicatie
5.3 Klaagster stelt dat de internist-oncoloog, nadat zij was gediagnosticeerd met darmkanker, haar heeft gezegd dat ze zou komen te overlijden door de tumorgroei. Op de vraag van klaagster of ze haar konden opereren antwoordde de internist-oncoloog dat dat hetzelfde zou zijn als euthanasie. Klaagster ervaarde dat het meteen duidelijk was dat er geen tijd meer was voor haar. Klaagster kreeg geen uitleg en de internist-oncoloog was heel kortaf. Haar dossier werd direct naar de huisarts gestuurd.

5.4 De internist-oncoloog betwist dit en zegt wel adequaat te hebben gecommuniceerd. Zij begrijpt dat de diagnose darmkanker en de boodschap dat er niets meer aan te doen is zwaar is voor klaagster en de dochter. Zij heeft de bevindingen van de scopie benoemd en toegelicht waarom er geen operatie mogelijk was. Toen klaagster later aangaf toch geopereerd te willen worden, zodat ze er alles aan gedaan zou hebben, heeft de internist-oncoloog nogmaals uitgelegd waarom een ingreep niet tot de mogelijkheden behoort. Ook heeft ze de pijnbestrijding toegelicht. Over de prognose heeft ze gezegd dat het niet de verwachting is dat klaagster op korte termijn aan de tumorgroei zou komen te overlijden. Een periode van twee jaar is genoemd. Nadat de uitslag van het biopt via de huisarts bekend werd, is haar prognose bijgesteld en heeft ze bij de huisarts benadrukt dat klaagster niet terminaal is. Vanwege de taalbarrière heeft zij zich extra ingespannen om de communicatie met klaagster zo duidelijk mogelijk te laten verlopen. Zij heeft geen invloed gehad op de bewoordingen die de dochter gebruikte bij het overbrengen van de uitslag maar zij meende te zien dat zij het wel heeft begrepen.

5.5 Het college constateert dat partijen een verschillende herinnering aan de communicatie omtrent het diagnosegesprek hebben overgehouden. Niet kan worden vastgesteld wat er precies is gezegd, hoe lang het gesprek is geweest en hoe de sfeer van het gesprek was. Om die reden kan dit klachtonderdeel niet slagen. Dat klaagster de Nederlandse taal niet spreekt draagt niet bij aan een heldere communicatie, maar haar dochter is bij alle consulten aanwezig geweest en heeft voor haar moeder kunnen vertalen. Toen klaagster later aangaf, ondanks haar eerdere wens en de beslissing om niet onderzocht en behandeld te worden, toch een operatie te willen, heeft de internist-oncoloog nogmaals toegelicht dat en waarom dit niet mogelijk is. Het verwijt dat de internist-oncoloog onduidelijk is geweest over de prognose slaagt ook niet. De eerste, voorzichtige, prognose is na de uitslag van het biopt enigszins herzien maar dat betekent niet dat de internist-oncoloog hiermee verwijtbaar onduidelijk is geweest.

Klachtonderdeel b) het weigeren van verdere behandeling
5.6 Klaagster stelt dat er geen tijd meer voor haar was na de diagnose darmkanker en dat ze direct werd ontslagen. Ook is ze niet behandeld voor de hevige maagpijn.

5.7 De internist-oncoloog betwist dat klaagster is ontslagen omdat ze geen tijd voor haar had. De maagpijn bleek door onderzoek in januari 2025 veroorzaakt te zijn door een bacterie, maar dat speelde niet tijdens de opname in augustus 2024.

5.8 Het college is van oordeel dat de internist-oncoloog inzichtelijk heeft gemaakt dat het ontslag van klaagster na de diagnose niet is voortgekomen uit een gebrek aan tijd/interesse. De beslissing om klaagster niet te opereren is gebaseerd op haar zeer kwetsbare conditie en omdat sprake was van een laaggradige tumor. Bovendien was in goed overleg met klaagster en de huisarts een beleid besproken dat geen (invasief) aanvullend onderzoek zou worden gedaan naar de mogelijkheid van darmkanker vanwege de risico’s bij de conditie van klaagster. Omdat klaagster palliatief behandeld zou worden hoefde ze niet langer in het ziekenhuis te blijven. Dat ze niet is behandeld voor de maanden later geconstateerde infectie van haar maag kan haar niet worden verweten omdat niet is gebleken dat die infectie er ook al was in augustus 2024. Overigens blijkt uit het verloop van de behandeling en uit de frequentie van de consulten dat de internist-oncoloog tijd en aandacht voor klaagster had.

Klachtonderdeel c) het vermelden van een euthanasiewens in de brief aan de huisarts
5.9 Klaagster stelt dat de internist-oncoloog de woorden van klaagster dat zij vanwege de pijn en het ongemak liever wilde inslapen heeft verdraaid. Zij heeft er daarna ook niet met klaagster over willen praten.

5.10 De internist-oncoloog wijst erop dat zij in haar brief aan de huisarts van 26 augustus 2024 het volgende heeft opgenomen: “Patiënte geeft tijdens opname diverse malen aan, dat ze op deze manier liever wenst in te slapen gezien de pijn en het ongemak van haar buik. We hebben hierover met Dochter gesproken en uitleg gegeven over euthanasie en de procedures hieromtrent.” Ze heeft dit in de ontslagbrief vermeld om een goede en volledige informatieoverdracht te waarborgen. Ze betwist dat de huisarts hierover contact met haar heeft gezocht en heeft ook geen gemiste telefoonoproepen in het dossier kunnen terugvinden.

5.11 Het college is van oordeel dat de bewoordingen van de internist-oncoloog beschrijvend zijn. Deze kunnen niet worden opgevat als een mededeling dat klaagster een (formeel) verzoek tot euthanasie heeft gedaan. Wel blijkt hieruit dat klaagster het zwaar had en dat is gesproken over levensbeëindiging. Dat de internist-oncoloog dit heeft vermeld in de ontslagbrief aan de huisarts getuigt van adequate zorg en van een goede informatieoverdracht. Dat zij hierover niet wilde praten met klaagster is niet gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d) niet bereikbaar zijn en niet terugbellen na contactverzoeken
5.12 Klaagster stelt dat zij op 5 september 2024 heeft gebeld en een terugbelverzoek heeft gedaan maar dat zij nooit is teruggebeld. Ook de poging van de huisarts tot telefonisch contact mislukte. De assistente vertelde haar dat het dossier gesloten was, dat alles in de brief naar de huisarts stond en dat ze daar niets aan toe wilde voegen.

5.13 De internist-oncoloog heeft aangevoerd dat zij via de assistente aan de dochter heeft meegedeeld dat zij op vakantie ging en daarna beschikbaar was voor een gesprek. Klaagster is voor de tussentijd gewezen op de brief aan de huisarts voor nadere uitleg. De internist-oncoloog wijst erop dat in het dossier staat dat de dochter niet op 5 september maar op 12 september 2024 contact heeft opgenomen. De assistente heeft vervolgens op 17 september
2024, op verzoek van de internist-oncoloog, een aantal keer gebeld om voor na de vakantie een afspraak te maken maar kreeg geen gehoor. Daarna heeft de internist-oncoloog pas half november een bericht over klaagster ontvangen. Zij heeft toen direct de huisarts van klaagster gebeld en met haar één en ander besproken. De huisarts zei hiermee verder te kunnen. Nadien heeft zij niets meer vernomen tot eind februari 2025. Toen kreeg zij een bericht van de huisarts over de toestand van klaagster en over de onvrede die bij klaagster en de dochter bestond over de communicatie. Het was een schok te moeten vernemen dat klaagster en de dochter nog steeds met vragen rondliepen. Over haar aanbod via de huisarts tot een gesprek te komen is kennelijk verwarring gerezen, zo is later gebleken, en daar heeft zij nooit een reactie op gekregen. De internist-oncoloog heeft de dochter na het indienen van de klacht nog gesproken.

5.14 Het college stelt voorop dat de internist-oncoloog na het ontslag van klaagster op 30 augustus 2024 niet meer de behandelaar van klaagster was. Het college is van oordeel dat de internist-oncoloog zich voldoende heeft ingespannen om in september 2024, na een verzoek van de dochter, tot een afspraak te komen. De assistent heeft een aantal keer gebeld maar er werd niet opgenomen. Dat de internist-oncoloog na haar vakantie geen poging meer heeft gedaan valt haar, ook gelet op het feit dat zij niet meer de behandelend arts van klaagster was, niet te verwijten. De dochter had op de gemiste telefoontjes kunnen reageren.

5.15 Uit het verdere verloop na september 2024 blijkt dat de internist-oncoloog, zodra zij een bericht ontving, daar direct op heeft gereageerd. Dat ook toen geen afspraak tot stand kwam is haar niet te verwijten. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel e) het niet bieden van een second-opinion
5.16 Klaagster verwijt de internist-oncoloog dat zij niet de mogelijkheid heeft geboden voor een second opinion. Haar huisarts heeft een second opinion gevraagd bij een MDL-arts die dit heeft geweigerd na contact met de internist-oncoloog.

5.17 De internist-oncoloog heeft aangevoerd dat haar nooit om een second opinion is gevraagd. De huisarts heeft een second opinion aangevraagd en de MDL-arts van het G heeft contact opgenomen met de internist-oncoloog. Zij kent de beweegredenen om de second opinion af te wijzen niet en zij heeft er geen invloed op gehad. Zij heeft in ieder geval nooit geadviseerd tegen een second opinion. Wel heeft zij op verzoek van de MDL-arts de medische situatie van klaagster toegelicht. De MDL-arts heeft na overleg met de huisarts geen aanleiding gezien voor een poliklinische triage. Er schijnt ook een second opinion bij een MDL-arts in het H te zijn aangevraagd maar daar is de internist-oncoloog in het geheel niet bij betrokken geweest.

5.18 Het college stelt vast dat het niet de beslissing van de internist-oncoloog is geweest om de verzoeken tot een second opinion, die aan twee MDL-artsen waren gericht, af te wijzen. Ook is niet gebleken dat zij die beslissingen heeft beïnvloed met haar informatie. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Slotsom

5.19 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 14 november 2025 door E.A. Messer, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, M.V. Huisman, H.R.H. de Geus en E.J. van Lieshout, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris.