ECLI:NL:TGZRAMS:2025:264 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8416

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:264
Datum uitspraak: 07-11-2025
Datum publicatie: 07-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8416
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen een bedrijfsarts, berisping. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij onprofessioneel heeft gehandeld in het kader van een preventief consult en vervolgens bij de verzuimbegeleiding. Meer specifiek wordt de bedrijfsarts verweten dat adequate medische opvolging ontbrak, dat sprake is van onzorgvuldige en onvolledige verslaglegging en dat hij het verzoek om een second opinion heeft geweigerd zonder inhoudelijke motivering. De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren. Het college acht het handelen van de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar. Hij heeft de medische beperkingen van klaagster niet, althans onvoldoende, herkend en heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarnaast heeft de bedrijfsarts in strijd gehandeld met belangrijke richtlijnen van de NVAB en heeft hij de aanvraag van een second opinion niet gefaciliteerd waar dat wel geboden was. Met betrekking tot de op te leggen maatregel is het college van oordeel dat de bedrijfsarts tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting geen, althans beperkt, blijk gegeven van reflectie op zijn handelen, met name rondom de second opinion. Dit heeft gevolgen gehad voor (het traject van) klaagster, die uiteindelijk zelf een second opinion heeft moeten regelen. Deels gegronde klacht, berisping.

A2025/8416
Beslissing van 7 november 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 7 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C, vriendin van klaagster,

tegen

D,
bedrijfsarts,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij onprofessioneel heeft gehandeld in het kader van een preventief consult en vervolgens bij de verzuimbegeleiding. Meer specifiek wordt de bedrijfsarts verweten dat adequate medische opvolging ontbrak, dat sprake is van onzorgvuldige en onvolledige verslaglegging en dat hij het verzoek om een second opinion heeft geweigerd zonder inhoudelijke motivering.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en de klacht (deels) gegrond is. Het college legt de bedrijfsarts hiervoor een berisping op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 april 2025;
- het verweerschrift;
- de brief van (de gemachtigde van) de bedrijfsarts van 9 september 2025, binnengekomen op 10 september 2025, met als bijlagen een kopie van de aantekeningen van de overleggen en e-mailcorrespondentie van de bedrijfsarts en de werkgever van klaagster.


2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 26 september 2025. De partijen zijn verschenen en werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. De feiten
3.1 Op 6 juni 2024 heeft de bedrijfsarts klaagster op haar verzoek gezien in het kader van een preventief consult. In de medische kaart staat (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):


2 weken geleden geintimideerd door een mannelijke collega.
Mail gestuurd naar de manager.
De manager heeft niet inhoudelijk op het incident gereageerd.
Er hebben geen gesprekken plaats gevonden over het incident.
Mw heeft het gevoel niet gehoord te worden.
Begrijpelijk dat de situatoe belastend is voor mevrouw. Belangrijk de door mevrouw ervaren nar situatier te bespreken oplossingen te formuleren.
Advies:
Situatie met de manager bespreken.
Afspraak maken met de bedrijfsmaatschappelijk werkster.
Geen tk.
Mw is akkoord met het advies.

3.2 Vervolgens hebben de bedrijfsarts en klaagster elkaar op 27 juni 2024 gezien, nadat klaagster zich op 19 juni 2024 had ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft tijdens het consult geconcludeerd dat geen sprake is van medisch te duiden beperkingen en heeft klaagster opnieuw geadviseerd de knelpunten te bespreken en oplossingen te formuleren. Verder heeft de bedrijfsarts geadviseerd om bij het uitblijven van oplossingen gesprekken te starten onder leiding van een bemiddelaar. Als ook dit niet leidt tot overeenstemming, is mediation geïndiceerd, luidt verder het advies. In de medische kaart is vermeld:


Het gaat niet goed. Slaapt slecht.
Wordt steeds bedreigd op het werk. Voelt zich niet veilig op werk. (…)
HA: Gesprek gehad.
Slaap medicatie gekregen.
Verwijziging is niet duidelijk naar wie.
O/
Goed verzorgd. Opgewekt. Affect is adequaat. Kan gesprek met alle details goed bespreken.
Het gaat minder goed. Mevrouw ervaart in werkomstandigheden knelpunten. Het is begrijpelijk dat de situatie belastend is voor mevrouw er is echter geen sprake van medisch te duiden beperkingen.
Ik adviseer de door mevrouw ervaren knelpunten te bespreken en oplossingen te formuleren. Als tijdens onderlinge gesprekken geen oplossingen kunnen worden geformuleerd adviseerd ik gesprekken te starten onder leiding van een bemiddelaar. Bij uitblijven van overeenstemming is mediation geindiceerd.
Tijdens gesprekken verkennen of en zo ja op welke manier de werkzaamheden kunnen worden hervat.
Een nieuwe afspraak wordt niet gemaakt.
TK voorgelezen. Mw is akkoord met het advies en de tk
.”

3.3 Klaagster was het niet eens met het oordeel van de bedrijfsarts dat geen sprake was van medisch te duiden beperkingen. Per e-mail van 9 juli 2024 heeft klaagster de bedrijfsarts verzocht om een second opinion, waarbij zij aangaf onder behandeling te staan voor haar klachten en medicatie te slikken. Daarnaast stelde klaagster niet in staat te zijn om het gesprek met de werkgever aan te gaan.

3.4 De bedrijfsarts heeft hier per e-mail van 11 juli 2024 op gereageerd en voorgesteld om dit verzoek tijdens een fysiek consult te bespreken. Op 1 augustus 2024 hebben klaagster en de bedrijfsarts elkaar gezien. In de medische kaart staat:


Mevrouw heeft een brief gekregen waarin aangegeven is dat het salaris gestopt wordt. Mevrouw heeft dit als een bedreiging ervaren.
Mevrouw krijgt beschuldigingen die onjuist zijn.
Uitleg: het is belangrijk de door mevrouw ervaren knelpunten te bespreken en oplossingen te formuleren.
Mevrouw i onder behandeling bij de HA.
Uitleg:
Het is begrijpelijk dat de situatie belastend is voor mevrouw. Er is geen sprake van medisch te duiden beperkingen.
Gesprekken met de werkgever voeren is belangrijk om de knelpunten op te lossen. Als het onderling niet lukt een bemiddelaar inschakelen of mediation starten.
Mevrouw heeft een second opnion aangevraagd maar dat heb ik geweigerd.
Uitleg: Een second opinion gaat de problemen mi niet oplossen.
Het advies na een second opinion kan ik naast mij neerleggen.
Als mevrouw het niet eens is met het advies adviseer ik een deskundigen oordeeel aan te vragen bij het UWV.
Mevrouw is van mening recht te hebben op een second opinion en dat ik het advies van de second opinion bedrijfsarts moet volgen.
Uitleg gegeven dat dit niet het geval is. Mevrouw geeft aan dat het gesprek dan verder geen zin heeft en stopt met het gesprek.


3.5 Per e-mail van 1 augustus 2024 heeft klaagster zich gemeld bij de arbodienst met klachten over de bedrijfsarts en heeft zij - onder meer - opnieuw verzocht om een second opinion.

3.6 De arbodienst heeft per e-mail van 28 augustus 2024 als volgt gereageerd:
Overigens is het beslist niet zo dat de uitspraak van de second opinion bedrijfsarts bindend is voor D. (…).
Dat is ook de reden, in combinatie met het feit dat uw salaris inmiddels stopgezet is door uw werkgever, dat D u een Deskundigen Oordeel heeft aanbevolen bij het UWV. De uitspraak daarvan is wel bindend, en zegt ook iets over het al dan niet terecht stopzetten van uw salaris.
Ik adviseer u dan ook ten stelligste deze weg te bewandelen. Maar mocht u toch een second opinion willen dan verlenen wij daar uiteraard onze volledige medewerking aan. In dat geval krijgt u een nieuwe uitnodiging voor het spreekuur bij D.

3.7 Vervolgens heeft zich een advocaat gesteld voor de belangenbehartiging van klaagster en is er tussen de arbodienst en de advocaat gecorrespondeerd over met name het verzoek om een second opinion. In de e-mail van de arbodienst van 30 augustus 2024 wordt vermeld:


Het is de verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts in kwestie om een second opinion wel of niet te weigeren.
Zoals u weet kan D dit namelijk weigeren, mits er zwaarwegende argumenten zijn. (…)
Mocht u toch vasthouden aan de eis voor een second opinion dan koppel ik u graag aan D opdat uw client rechtstreeks van hem de motivatie voor de weigering kan ontvangen
.”


Daarnaast heeft de arbodienst op diezelfde dag de klacht van klaagster over de bedrijfsarts als ongegrond beoordeeld.

3.8 Uiteindelijk heeft klaagster zelf de second opinion doorgezet en zij is op 6 september 2024 gezien door een second opinion arts. Deze bedrijfsarts heeft geconcludeerd:


“Er is sprake van ziekte vanwege langdurig bestaande ziekmakende werksituatie met gedragingen van werkgever c.q. leidinggevende vanwege van het structureel niet invullen van de zorgplicht. Er is sprake van niet naleven van de wet- en regelgeving tijdens ziekte en het voortdurend dreigen van werkgever c.q. leidinggevende kan geduid worden als intimidatie en pestgedrag.
Advies:
1. Psychologische diagnostiek en interventie gericht op herstel.
2. Na passend herstel en kort voor het moment van aanvang van de re-integratie is mediation geadviseerd om de oorzakelijk werk gebonden factoren naar een passende werksituatie te brengen. (Betrokkene is daarvoor nu nog niet toe in staat). Naar uitkomst van de mediation kan een passende invulling worden gegeven aan de re-integratie.


3.9 Op 17 april 2025 is onderhavige tuchtklacht door het college ontvangen.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Ter zitting is door klaagster bevestigd dat zij de bedrijfsarts, kort gezegd, verwijt:
a) Het ontbreken van adequate medische opvolging;
b) Onzorgvuldige en onvolledige verslaglegging en schending geheimhouding;
c) Het weigeren van een verzoek tot second opinion zonder inhoudelijke motivering.

4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Klachtonderdeel a) ontbreken adequate medische opvolging

5.2 Klaagster stelt dat de bedrijfsarts heeft nagelaten haar fysieke en psychische gezondheidsklachten serieus te nemen en medisch te beoordelen, ondanks de werkgerelateerde problematiek. Volgens klaagster is geen sprake geweest van een medische beoordeling, gerichte interventies of begeleiding ondanks herhaaldelijk contact met de bedrijfsarts. In plaats daarvan werd klaagster verwezen naar een bedrijfsmaatschappeijk werker.

5.3 De bedrijfsarts stelt dat hij op 27 juni 2024 conform de STECR-richtlijn (het college begrijpt: de STECR Werkwijzer arbeidsconflicten gepubliceerd op 12 april 2022) klaagster heeft geadviseerd de ervaren knelpunten te bespreken en oplossingen te formuleren. Daarnaast is klaagster ook akkoord gegaan met het advies, de terugkoppeling en met het niet plannen van een nieuwe afspraak.

5.4 Het college stelt vast dat hoewel de bedrijfsarts blijkens zijn eigen dossier op de hoogte was van de spanningsklachten van klaagster en de werkgerelateerde problematiek, hij die spanningsklachten niet conform de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) “Conflicten in de werksituatie” (hierna: de Richtlijn) heeft beoordeeld. Uit het dossier blijkt voorts dat al sinds 2022 sprake was van een ingewikkelde werksituatie voor klaagster. Hoewel de bedrijfsarts hierover heeft doorgevraagd, kan uit zijn verslaglegging niet worden opgemaakt dat hij voldoende aandacht heeft gehad voor de lichamelijke en psychische klachten die bij klaagster speelden. Verder is onvoldoende gebleken dat de bedrijfsarts in de gaten heeft gehouden of partijen tot een oplossing waren gekomen, hetgeen de Richtlijn wel van een bedrijfsarts verlangt. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

Klachtonderdeel b) onzorgvuldige en onvolledige verslaglegging en schending geheimhouding
5.5 Klaagster heeft uiteengezet dat de consultverslagen van 6 juni, 27 juni en 1 augustus 2024 geen correcte of volledige weergave zijn van de door haar geuite klachten en omstandigheden. Er zijn belangrijke signalen, zoals de psychosociale belasting en de stressfactoren, niet opgenomen in de verslaglegging. Verder heeft de bedrijfsarts na het preventieve consult van 6 juni 2024 contact opgenomen met de werkgever van klaagster. Dit heeft geleid tot meer spanning in de werkrelatie en is volgens klaagster in strijd met het medisch beroepsgeheim.

5.6 De bedrijfsarts stelt dat alle aspecten die klaagster met hem heeft besproken en heeft aangegeven, (bij herhaling) zijn weergegeven in de verslagen.

5.7 Het college stelt voorop dat een bedrijfsarts moet zorgen voor een deugdelijke vastlegging van alle overleggen die plaatsvinden omtrent verzuimbegeleiding. Dit betekent dat uit het dossier moet blijken met wie er overleg is gevoerd en wat daar is besproken. Het moet tevens duidelijk zijn welke keuzes en opties ter bespreking voorlagen. Dat is in dit geval onvoldoende gebeurd, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld hoe de bedrijfsarts zich een oordeel heeft gevormd over de werkgerelateerde problematiek, het al lange tijd lopende conflict, de ernst daarvan en een eventueel daarbij passende oplossing. Ook de onderbouwing van het oordeel van de bedrijfsarts dat geen sprake was van medische beperkingen bij klaagster ontbreekt. Hoewel niet vereist is dat de bedrijfsarts gedetailleerd ingaat op alle werkgerelateerde problemen, had het in deze specifieke situatie voor de hand gelegen om de casus te beoordelen conform een andere richtlijn van de NVAB, namelijk de Richtlijn “Psychische problemen”. Door de wijze van verslaglegging is onvoldoende duidelijk welke keuzes en opties er voorlagen om te bespreken. In zoverre is dit klachtonderdeel dan ook gegrond.

5.8 Volgens klaagster heeft de bedrijfsarts voorts naar aanleiding van het preventief
consult dat op initiatief van klaagster zelf plaatsvond, zonder haar toestemming of medeweten contact met de werkgever gehad, waardoor hij heeft gehandeld in strijd met het medische beroepsgeheim. Zij komt tot deze conclusie omdat zij op enig moment door haar leidinggevende hierop is aangesproken. De bedrijfsarts heeft weersproken dat hij na het preventief consult daarover contact heeft gehad met de werkgeefster van klaagster. Niet uit te sluiten is dat werkgeefster op andere wijze kennis had van het bezoek van klaagster aan de bedrijfsarts, bijvoorbeeld omdat dat bezoek plaatsvond in het gebouw van werkgeefster. In het dossier van de bedrijfsarts is niets opgenomen over enig contact met werkgeefster naar aanleiding van het preventief consult. Bij deze stand van zaken, waarbij de bedrijfsarts ontkent dat hij contact heeft gehad met werkgeefster en het standpunt van klaagster berust op een veronderstelling, kan het college niet vast stellen dat de bedrijfsarts het medisch beroepsgeheim heeft geschonden. In zoverre is de klacht dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel c) weigeren second opinion
5.9 Klaagster stelt dat het recht op een second opinion door de bedrijfsarts is genegeerd en dat de weigering van het verzoek om een second opinion enkel is gebaseerd op een subjectieve inschatting, zonder medisch inhoudelijke onderbouwing.

5.10 De bedrijfsarts stelt dat hij tijdens het gesprek op 1 augustus 2024 het verzoek om een second opinion niet heeft geweigerd, maar uitleg heeft gegeven waarom dit geen oplossing voor de situatie kon bieden. Daarbij heeft de bedrijfsarts onder andere uitgelegd dat een second opinion niet geïndiceerd is als het salaris door de werkgever geschorst is. Een deskundigenoordeel bij het UWV is dan noodzakelijk. Ook heeft de bedrijfsarts aangegeven dat hij niet gebonden is aan het advies op basis van een second opinion. Vervolgens heeft klaagster het gesprek van 1 augustus 2024 beëindigd.

5.11 Volgens de richtlijnen van de NVAB, waaronder de Richtlijn “10-Stappenplan Second Opinion dient een bedrijfsarts mee te werken aan een verzoek om een second opinion, tenzij er zwaarwegende argumenten zijn om dat niet te doen. Het is de taak van een bedrijfsarts om een second opinion te faciliteren en daarna gemotiveerd te onderbouwen waarom hij het advies van de second opinion wel of (gedeeltelijk) niet overneemt. Het is daarbij niet aan een bedrijfsarts om vooruit te lopen op een eventuele uitkomst van de second opinion. Van een bedrijfsarts wordt verwacht dat hij een neutrale houding aanneemt als een patiënt vraagt om een second opinion en zonder voorbehoud zijn medewerking hieraan verleent.

5.12 In dit geval was klaagster het niet eens met het inhoudelijk oordeel van de bedrijfsarts over haar medische situatie. In zo’n geval ligt een second opinion in de rede. Dat sprake was van zwaarwegende argumenten om de second opinion te weigeren, zoals omschreven in artikel 2.14d, derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is het college niet gebleken en door de bedrijfsarts ook niet (voldoende) gesteld. Het betoog van de bedrijfsarts dat bij een loonstop beter een deskundigenoordeel van het UWV kan worden gevraagd, is niet een dergelijk een zwaarwegend argument. Het verweer van de bedrijfsarts dat hij de second opinion (formeel) niet heeft geweigerd, kan ook niet slagen, alleen al omdat uit zijn dossier het tegendeel blijkt. Daarbij komt dat daar waar de bedrijfsarts de aanvraag van een second opinion had moeten faciliteren, hij klaagster juist heeft ontmoedigd door te hameren op een deskundigenonderzoek door het UWV en door bij herhaling aan te geven dat hij niet gehouden was de second opinion op te volgen. Een en ander blijkt ook uit de correspondentie die is overlegd aan het college. Inzake de second opinion heeft de bedrijfsarts dus niet voldaan aan hetgeen van hem mocht worden verwacht. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a, b (deels) en c gegrond zijn.

Maatregel
5.14 Uit het voorgaande blijkt dat de bedrijfsarts niet de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. Hij heeft de medische beperkingen van klaagster niet, althans onvoldoende, herkend en heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarnaast heeft hij in strijd gehandeld met belangrijke richtlijnen van de NVAB en heeft hij de aanvraag van een second opinion niet gefaciliteerd waar dat wel geboden was.

5.15 Het college acht het handelen van de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar. De vraag is welke gevolgen daaraan moet worden verbonden. Het college twijfelt er niet aan dat de bedrijfsarts van goede wil is geweest en ziet ook dat hij betrokkenheid heeft getoond bij klaagster. Daar tegenover heeft de bedrijfsarts tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting geen, althans beperkt, blijk gegeven van reflectie op zijn handelen, met name rondom de second opinion. Dit heeft gevolgen gehad voor (het traject van) klaagster, die uiteindelijk zelf een second opinion heeft moeten regelen. Gelet op het voorgaande en de aard en de ernst van de tuchtrechtelijke verwijten kan niet worden volstaan met een waarschuwing. Het college acht een berisping dan ook op zijn plaats.

Publicatie

5.16 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere bedrijfsartsen mogelijk van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel a, b (deels) en c gegrond;
- legt de bedrijfsarts de maatregel op van berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs-en Verzekeringsgeneeskunde.


Deze beslissing is gegeven door J.J. Dijk, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, P.E. Rodenburg, J. Dogger en P. Eken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.