ECLI:NL:TGZRAMS:2025:263 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8272

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:263
Datum uitspraak: 07-11-2025
Datum publicatie: 07-11-2025
Zaaknummer(s): A2025/8272
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een bedrijfsarts, waarschuwing.Klager heeft na ziekmelding twee gesprekken gehad met de bedrijfsarts. Deze constateerde tijdens het eerste contact dat sprake was van een arbeidsconflict en raadde klager aan om met zijn werkgever in gesprek te gaan. De klacht van klager richt zich op het oordeel van de bedrijfsarts, de wijze van totstandkoming daarvan, de gevolgen en het handelen van de bedrijfsarts in het vervolgtraject. De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college is van oordeel dat twee klachtonderdelen die zien op een belangrijk aspect van de taak van de bedrijfsarts, namelijk het na gedegen onderzoek en anamnese komen tot een oordeel over de medische situatie, gegrond zijn. Voor het overige is de klacht ongegrond Klacht gedeeltelijk gegrond, waarschuwing.

A2025/8272
Beslissing van 7 november 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 7 november 2025 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,

tegen

C,
bedrijfsarts,
destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft na ziekmelding twee gesprekken gehad met de bedrijfsarts. Deze constateerde tijdens het eerste contact dat sprake was van een arbeidsconflict en raadde klager aan om met zijn werkgever in gesprek te gaan. De klacht van klager richt zich op het oordeel van de bedrijfsarts, de wijze van totstandkoming daarvan, de gevolgen en het handelen van de bedrijfsarts in het vervolgtraject.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt als maatregel een waarschuwing aan de bedrijfsarts op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van de bedrijfsarts van 3 juni 2025, binnengekomen op
4 juni 2025, met bijlagen;
- aanvullende bijlagen bij het klaagschrift, binnengekomen op 15 september 2025.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt. 2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 26 september 2025. De partijen zijn verschenen. De bedrijfsarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde, klager door zijn vader. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 12 december 2024 heeft de werkgever van klager aan hem laten weten dat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voortijdig zou worden beëindigd, hetgeen op 13 december 2024 schriftelijk werd bevestigd. Op 16 december 2024 meldde klager zich ziek, waarna hij op 19 december 2024 een gesprek had met een arbo-verpleegkundige van E. Over dit gesprek is onder meer het volgende genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):


Wn geeft aan dat er een arbeidsconflict is geweest waarbij de wn zijn grenzen heeft uitgesproken en wat de wg niet zo fijn vond, waarna de sfeer op werk slecht werd. Wn geeft aan momenteel een niet goede relatie te ervaren met de wg. (…) Wn is bij primaire behandelaar geweest voor advies en geeft aan nog niet helemaal goed te weten wat hij nu moet/kan doen met de situatie. Wn ervaart vooral energetische belemmeringen.”

3.2 In het kader van verzuimbegeleiding sprak klager op 23 december 2024 via videoverbinding met de bedrijfsarts (verbonden aan E). De bedrijfarts noteerde hierover het volgende:


Anamnese: geeft aan vreselijk gespannen te zijn, slecht te slapen en vol hoofd te hebben. Bij huisarts geweest en die gaf aan dat hij burn out / overspannen was en schreef rust voor. Oorzaak: plotselinge ontslagaanzegging door werkgever, weet helemaal niets van slecht functioneren of gesprekken die zouden hebben plaatsgevonden. Ontkent ook dat er gesprekken hebben plaatsgevonden. Werknemer geïnformeerd over datgene werkgever mij mee heeft gedeeld over functioneren, geeft aan dat ze geen bewijs hiervan zouden hebben. O/ adequaat reagerend, beetje gejaagd en lichte spanning. Is nu 1 week thuis en doet alsof het gister is gebeurd. Aangegeven dat ik de klachten die hij aangeeft beschouw als veroorzaakt door de situatie en het als een conflict beschouw. Advies is om er met werkgever uit zien te komen. Ik heb geen oordeel gegeven over wie gelijk zou hebben, wel de discrepantie besproken tussen de informatie van werkgever en zijn onwetendheid van het verbetertraject. Twijfelt of hij in staat is tot zo’n gesprek, aangegeven dat hij dan iemand kan meenemen.
B/ 2 weken de tijd om een gesprek te regelen en tot een oplossing te komen.

3.3 Klager is na twee gesprekken met zijn werkgever op 6 januari 2025 weer gestart met werken. Vanwege het verzoek van klager om een second opinion, spraken de bedrijfsarts en klager elkaar weer op 13 januari 2025. Klager en de bedrijfarts troffen elkaar in persoon, de vader van klager was via videoverbinding aanwezig.

3.4 Op 13 februari 2025 heeft de second opinion plaatsgevonden bij een andere bedrijfsarts. Daarna heeft de bedrijfsarts de behandeling van het dossier van klager neergelegd.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Volgens klager heeft de bedrijfsarts onjuist/onprofessioneel gehandeld, omdat hij:
a) voor het eerste gesprek met klager gesproken heeft met twee vertegenwoordigers van de werkgever;
b) in het eerste contact niet gestart is met een anamnese;
c) geen contact heeft opgenomen met de huisarts van klager;
d) zich niet gericht heeft op de klachten van klager;
e) zich heeft opgesteld als kantonrechter;
f) rechtstreeks heeft ingegrepen in de arbeidsverhouding van klager met zijn werkgever;
g) de vervelende situatie waarin klager zich bevond heeft verlengd, door te weigeren om te reageren op de second opinion.

4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) contact met werkgever voor eerste gesprek

5.2 Klager stelt dat de bedrijfarts onprofessioneel heeft gehandeld, door voor hun eerste gesprek al te spreken met twee vertegenwoordigers van de werkgever. De bedrijfsarts heeft ter zitting uitgelegd met maar één vertegenwoordiger van de werkgever te hebben gesproken en daarnaast de informatie te hebben bestudeerd van de casemanager die klager eerder sprak.

5.3 Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond. Contact tussen de bedrijfsarts en de werkgever voorafgaand aan het eerste consult met een werknemer is toegestaan en kan worden gezien als een zorgvuldige voorbereiding. Het is wel nodig dat daarover uitleg wordt gegeven aan de werknemer, en dat heeft de bedrijfsarts blijkens het dossier ook gedaan.

Klachtonderdeel b) geen anamnese, c) geen contact met de huisarts en d) niet richten op klachten werknemer
5.4 Het college ziet vanwege hun samenhang aanleiding de klachtonderdelen b), c) en d) gezamenlijk te behandelen. Klager stelt dat het eerste contact via videoverbinding met de bedrijfsarts maar vijf minuten duurde. Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij niet is gestart met het afnemen van een anamnese en zich niet heeft gericht op de klachten van klager. Ook acht klager het onjuist dat de bedrijfsarts geen contact heeft opgenomen met de huisarts van klager.

5.5 De bedrijfsarts voert aan dat het contact ongeveer tien minuten of een kwartier duurde, dat hij wel een anamnese heeft afgenomen en dat hij met klager heeft besproken dat hij de klachten beschouwde als veroorzaakt door de situatie met zijn werkgever. Verder wijst de bedrijfsarts erop dat hij niet is gehouden om te allen tijde informatie op te vragen bij de behandelend zorgverlener en dat klager hem niet heeft verzocht om contact op te nemen met zijn huisarts.

5.6 Hoewel uit het dossier blijkt dat de bedrijfsarts inderdaad een anamnese heeft afgenomen, is deze naar het oordeel van het college te summier. De informatie die de bedrijfsarts tot zijn beschikking had en de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) “Conflicten in de werksituatie” hadden voor de bedrijfsarts aanleiding moeten zijn de klachten zorgvuldiger uit te vragen. Daarnaast heeft de bedrijfsarts ten onrechte niet doorgevraagd op de discrepantie tussen hetgeen klager vertelde over het oordeel van zijn huisarts (“burn out / overspannen”, aldus het dossier van de bedrijfsarts) en zijn eigen bevindingen. De bedrijfsarts was echter niet verplicht om contact op te nemen met de huisarts. Daarom is klachtonderdeel c) ongegrond. De klachtonderdelen b) en d) zijn echter wel gegrond.

Klachtonderdeel e) opstellen als kantonrechter

5.7 De bedrijfsarts heeft zich volgens klager opgesteld als kantonrechter. Met name de uitspraak “waarom zou een werkgever een goed functionerende werknemer willen ontslaan?” geeft volgens klager blijk van een onjuiste opvatting van zijn rol als bedrijfsarts. Klager onderbouwt dit klachtonderdeel verder door erop te wijzen dat twee andere bedrijfsartsen later tot een ander oordeel kwamen dan de bedrijfarts.


5.8 De bedrijfsarts betwist dat hij heeft opgetreden als kantonrechter en dat hij zich over de verhouding tussen klager en zijn werkgever heeft uitgesproken op de manier zoals klager stelt. Hij heeft alleen de discrepantie tussen de mededelingen van de werkgever en die van klager besproken.

5.9 Vaststaat dat klager en de bedrijfsarts een andere herinnering hebben aan wat de bedrijfsarts op 23 december 2024 heeft gezegd over de verhouding van klager met zijn werkgever en welke toon hij daarbij heeft gebruikt. Nu alleen klager en de bedrijfsarts aan het gesprek hebben deelgenomen, is niet vast te stellen hoe het gesprek precies is verlopen. Dat brengt mee dat op dit punt niet kan worden vastgesteld of de bedrijfsarts klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van de bedrijfsarts, maar op het uitgangspunt dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van de bedrijfsarts evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.

5.10 Voor zover het college wel kan vaststellen dat de bedrijfsarts iets heeft gezegd over de discrepantie tussen het verhaal van de werkgever en dat van klager, past dit binnen het uitdiepen van de casus door de bedrijfsarts. Dit acht het college niet verwijtbaar. Dat andere bedrijfsartsen later tot een ander oordeel kwamen, leidt niet tot een andere conclusie. Gelet op hetgeen in 5.9 en 5.10 is overwogen, is klachtonderdeel e) ongegrond.

Klachtonderdeel f) rechtstreeks ingrijpen op arbeidsverhoudingen
5.11 Volgens klager voelde zijn werkgever zich gesterkt door de bevindingen van de bedrijfsarts. De werkgever is na dit oordeel doorgegaan met het op de spits drijven van de situatie, terwijl de werkelijke reden van ontslagaanzegging was gelegen in de financiële situatie van de werkgever, aldus klager. De bedrijfsarts betwist dat hij rechtstreeks heeft ingegrepen in de arbeidsverhoudingen.

5.12 Klachtonderdeel f) is ongegrond, omdat het de bedrijfarts niet is aan te rekenen met met welke beweegredenen de werkgever klager zijn ontslag heeft aangezegd. Voor zover klager met dit klachtonderdeel heeft willen klagen over de totstandkoming van de bevindingen van de bedrijfsarts, verwijst het college naar de bespreking van de klachtonderdelen b) en d).

Klachtonderdeel g) weigeren te reageren op de second opinion
5.13 Klager stelt dat de bedrijfsarts door zijn weigering om te reageren op de second opinion, de vervelende situatie waarin klager verkeerde heeft verlengd, waardoor klager verder werd vernederd.


5.14 De bedrijfsarts heeft aangevoerd dat hij klager op 13 januari 2025 heeft opgeroepen om de vraagstelling voor de second opinion in overleg te formuleren en de procedure toe te lichten. Klager was fysiek aanwezig, zijn vader via videoverbinding en de stemming van de afspraak werd volgens de bedrijfsarts vervelend. Klager heeft hem bedreigd met het indienen van een tuchtklacht en het verhalen van geleden schade, aldus de bedrijfsarts. Deze dreigementen, in combinatie met zijn naderende pensioen, zijn voor de bedrijfsarts reden geweest om de behandeling van het dossier van klager neer te leggen.

5.15 Het college constateert dat de interactie met klager en zijn vader op 13 januari 2025 dusdanige indruk op de bedrijfsarts heeft gemaakt, dat het college het verstandig acht dat hij daarna niet meer bij de zaak betrokken is geweest. Ook overigens is niet gebleken dat de bedrijfsarts een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de manier waarop hij zijn werkzaamheden in het dossier van klager heeft beëindigd. Dus ook klachtonderdeel f) is ongegrond.

Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen b) en d) gegrond zijn en de andere klachtonderdelen ongegrond.

Maatregel
5.17 Omdat enerzijds het gegronde deel van de klacht ziet op een belangrijk aspect van de taak van een bedrijfsarts (het na een gedegen onderzoek en anamnese komen tot een oordeel over de medische situatie) en anderzijds de klacht gedeeltelijk ongegrond is en de bedrijfsarts nog niet eerder met het tuchtrecht in aanraking is gekomen, acht het college het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel b) en d) gegrond;
- legt de bedrijfsarts de maatregel op van waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs-en Verzekeringsgeneeskunde.


Deze beslissing is gegeven door J.J. Dijk, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, P.E. Rodenburg, J. Dogger en P. Eken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.