ECLI:NL:TGZRAMS:2025:260 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8516
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:260 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8516 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De huisarts draagt als praktijkhouder geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor andere in de praktijk werkzame BIG-geregistreerde huisartsen, die bij de behandeling van klaagster betrokken zijn geweest. Klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 30 oktober 2025 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de huisarts.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 15 mei 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- de reactie van klaagster, binnengekomen op 22 juli 2025.
2. De overwegingen
2.1 De huisarts is praktijkhouder bij D. Klaagster heeft in februari 2025 meerdere
keren contact opgenomen met de huisartsenpraktijk in verband met ernstige rugpijn
en spierkrampen.
2.2 Klaagster verwijt de huisarts dat hij zou hebben nagelaten haar symptomen adequaat te onderzoeken, ondanks herhaalde verzoeken. Volgens klaagster zijn er geen bloedonderzoeken of beeldvormend onderzoek gedaan en heeft evenmin verwijzing naar een specialist plaatsgevonden. Er zou fysiotherapie zijn gestart zonder eerst onderliggende oorzaken uit te sluiten. Klaagster stelt dat zij noodgedwongen medische hulp heeft moeten zoeken in E, waar zij gediagnosticeerd werd met meerdere compressiefracturen in haar wervelkolom, ernstige osteoporose en tekenen van spondylose. Klaagster brengt verder naar voren dat de huisarts haar niet persoonlijk behandeld heeft maar dat hij wel verantwoordelijk is als praktijkhouder van de praktijk waar de vermeende medische fouten hebben plaatsgevonden.
2.3 De huisarts brengt naar voren dat hij klaagster slechts eenmaal heeft ontmoet tijdens een kennismakingsgesprek in 2019. Daarna heeft hij haar in maart 2025 uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van een klacht die zij had ingediend bij de huisartsenpraktijk. De huisarts heeft klaagster verder niet gezien of behandeld. De huisarts stelt dat het in het tuchtrecht gaat om persoonlijke verwijtbaarheid en dat hem geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt nu hij klaagster niet heeft behandeld.
2.4 De voorzitter oordeelt als volgt. Uit het huisartsendossier blijkt dat klaagster in februari 2025 meerdere keren contact heeft gehad en op consult is geweest bij huisartsen die werkzaam zijn/waren in de praktijk van de huisarts (verweerder). Uit het huisartsendossier wordt echter ook duidelijk dat de huisarts klaagster in deze periode nooit zelf heeft gezien voor de klachten waarmee zij kwam. De voorzitter volgt de huisarts in zijn opvatting dat de huisarts geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt voor consulten of behandelingen door andere huisartsen. Dat de huisarts praktijkhouder is, maakt dat niet anders. Een praktijkhouder heeft geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor andere in de praktijk werkzame BIG-geregistreerde huisartsen (vgl. ECLI:NL:TGZCTG:2016:49). De voorzitter is van oordeel dat de klacht daarom kennelijk ongegrond is.
3. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 30 oktober 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.