ECLI:NL:TGZRAMS:2025:258 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8093
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:258 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-10-2025 |
| Datum publicatie: | 28-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8093 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een uroloog. Klaagster is de echtgenoot van de inmiddels overleden patiënt, die na een cystoprostatectomie op 28 november 2023 in het ziekenhuis waar de uroloog werkt, is overleden. Klaagster verwijt de uroloog, kort samengevat, dat zij haar informatie- en onderzoeksplicht heeft geschonden, preoperatief tekort is geschoten, een onzorgvuldig dossier heeft gevoerd en onterecht een verklaring van natuurlijk overlijden heeft afgegeven.Het college oordeelt als volgt.De uroloog heeft zorg gedragen voor de preoperatieve screening, meerdere gesprekken met de patiënt gevoerd en de casus herhaaldelijk besproken in het MDO. De beslissing om tot opereren over te gaan, is – zoals blijkt uit het medisch dossier – genomen op basis van alle feiten en omstandigheden, eigen waarneming, beoordeling en herhaald advies vanuit het MDO. Uit het medisch dossier volgt, naar het oordeel van het college, dat de preoperatieve beoordeling zorgvuldig en conform de geldende richtlijnen is verricht. Er zijn geen aanwijzingen dat het preoperatieve handelen onvoldoende is geweest. De klacht is in alle onderdelen ongegrond. |
A2025/8093
Beslissing van 28 oktober 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 28 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C,
tegen
D,
uroloog,
werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de uroloog,
gemachtigde: mr. A.C. de Die, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is de echtgenoot van wijlen J. E. (hierna: de patiënt), die na een
cystoprostatectomie op 28 november 2023 in het ziekenhuis waar de uroloog werkt,
is overleden.
Klaagster verwijt de uroloog, kort samengevat, dat zij haar informatie- en onderzoeksplicht
heeft
geschonden, preoperatief tekort is geschoten, een onzorgvuldig dossier heeft gevoerd
en onterecht
een verklaring van natuurlijk overlijden heeft afgegeven.
1.2 De uroloog betreurt het overlijden van de patiënt ten zeerste. Zij is evenwel
van mening dat
zij zorgvuldig heeft gehandeld en voert verweer.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de uroloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna
licht het college
de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 januari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van klaagster van 18 mei 2025, binnengekomen op 20
mei 2025, met
bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 26 mei 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de e-mail van de gemachtigde van klaagster van 28 augustus 2025, met een herziening/aanvulling
van de klacht met bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van klaagster van 1 september 2025, binnengekomen
op 2 september
2025, met het verzoek om een proceskostenvergoeding;
- de e-mail van de gemachtigde van de uroloog van 15 september 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 september 2025. De partijen
zijn
verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden
hebben hun
standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities voorgelezen
en aan het
college en de andere partij overhandigd.
2.3 Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat beide partijen
eerder graag
de klacht op een andere wijze hadden zien afgehandeld. De voorzitter van het college
heeft hierover
opgemerkt dat het partijen vrijstaat dit na de mondelinge behandeling desgewenst
nog te doen. Na
het sluiten van de behandeling op de openbare zitting is op 28 september 2025 een
e-mail met
bijlage ontvangen van de gemachtigde van klaagster waarin zij meldt dat de uroloog
en haar
gemachtigde geen contact meer met klaagster hebben opgenomen. De gemachtigde van
de uroloog heeft
per e-mail dit ter kennisgeving aangenomen en bezwaar gemaakt tegen het indienen
van de bijlage na
het sluiten van de behandeling op de openbare zitting. Het college zal de bijlage
niet in het
dossier voegen, nu voor het indienen van nadere stukken geen toestemming is verleend.
3. De feiten
3.1 De patiënt had blaaskanker en werd eerst behandeld in een ander ziekenhuis
(17 juni 2022 - 29
december 2022). Na verwijzing naar weer een ander ziekenhuis is op 6 februari 2023
een trans
urethrale resectie van de blaas (hierna: TUR-blaas: verwijdering van tumorweefsel
uit de blaas via
de plasbuis) uitgevoerd, waarna een complicatie is opgetreden, te weten een perforatie
van de
blaas. De histologische beoordeling d.d. 6 februari 2023 luidt: (citaten voor zover
van belang en
letterlijk weergegeven)…” transurethrale resectie van de blaas toont een hooggradig
(graad 2)
papillair urotheelcarcinoom zonder overtuigend bewijs voor invasieve groei. Musculus
detrusor is
aanwezig. Het overige blaasslijmvlies vertoont kenmerken van chronisch actieve folliculaire
cystitis”…
3.2 In mei 2023 onderging de patiënt in het andere ziekenhuis een cystoscopie ter
controle,
waarbij een verdenking op een recidief van blaaskanker werd vastgesteld. Een vervolgbehandeling
middels een TUR-blaas werd uitgesteld vanwege de aanwezigheid van een longafwijking
die werd
ontdekt tijdens een bevolkingsonderzoek. Er waren tevens verdachte lymfeklieren
para-iliacaal (in
het bekkengebied). De patiënt had een hydronefrose aan de rechterzijde en ernstige
mictiestoornissen, waarvoor een nefrostomiekatheter rechts werd geplaatst. Daarnaast
was er sprake
van aanzienlijke incontinentieklachten.
3.3 In juli 2023 heeft de patiënt zich voor een second opinion tot het ziekenhuis
waarin de uroloog werkt gewend (na verwijzing vanuit UMCU), omdat hij zich niet voldoende
gehoord voelde
en twijfels had over het behandelbeleid in het andere ziekenhuis. Op 13 juli 2023
vond er
telefonisch overleg plaats met de patiënt om zijn situatie te bespreken.
Aangezien op dat moment niet vaststond of de afwijkingen in de long en lymfeklieren
duidden op
metastasen van blaaskanker, werd besloten eerst de resultaten van het longonderzoek
af te wachten.
Deze uitslag was bepalend voor de verdere behandelopties bij blaaskanker.
3.4 Op 16 augustus 2023 beoordeelde het behandelteam van het ziekenhuis waar de
uroloog werkt het
beeldvormend onderzoek van het eerdere ziekenhuis om zich een eigen indruk te vormen
van de
medische toestand van de patiënt. Het medisch dossier vermeldt dit als volgt:
“…FDG-PET CT d.d. 4 juli 2023: geen essentiële toevoegingen behalve dat blaas niet
goed
beoordeelbaar is vanwege aanwezigheid van intense urine-activiteit.
CT abdomen en MRI kleine bekken d.d. 10 februari en 10 juni 2023: melding van “wandstandige
afwijking van de blaas met exofytische groei bij patiënt bekend met recidief blaascarcinoom.
Prominente lymfeklieren rechts para-iliacaal. Revisie gaf aanleiding tot aanvullingen
en
wijzigingen van het eerdere verslag. Revisie MRI onderbuik urologie d.d. 10 februari
en 10 juni
2023….”
3.5 Op 24 augustus 2023 kwamen patiënt en klaagster voor een eerste consult met
een
verpleegkundig specialist en de uroloog in het ziekenhuis. In het medisch dossier
is onder andere
vastgelegd dat er in …”mei 2023 een verdenking bestond op een recidief van een blaascarcinoom. Op
de MRI werd een wandstandige afwijking van de blaas vastgesteld, gecategoriseerd
als cT3N2 met
afwijkende lymfeklieren para-iliacaal. De voorlopige diagnose luidde: cT3N2 urotheelcarcinoom
van
de blaas (na eerdere pathologie: pTaHG) en een longcarcinoom..”
3.6 De bevindingen en overwegingen werden besproken in het multidisciplinair overleg
(MDO) van 24
augustus 2023. Er werd besloten om twee aanvullende beeldvormende onderzoeken uit
te voeren. Een
MRI van de blaas en een FDG PET/CT om aanvullende informatie te verkrijgen over
de blaas en
mogelijke metastasen.
3.7 Het vervolgonderzoek vond plaats op 30 en 31 augustus 2023.
3.8 Op 7 september 2023 vond opnieuw beeldvormend onderzoek inclusief weefselonderzoek plaats.
3.9 In het MDO van 7 september 2023 werden naast de uitkomsten van de CT-scan en
de MRI ook de
bevindingen van de FDG-PET scan van 30 augustus 2023 besproken en als volgt genoteerd
in het
medisch dossier:
…“Blaas suboptimaal te beoordelen door veel activiteit in de blaas.
Op de MRI beschreven prominente lymfeklieren rechts para-iliacaal van 0,8 cm tonen
zowel op vroege
als late scans geringe activiteit, kan nog reactief zijn.
Een bolle klier links iliaca interna (0,9 cm) en klieren in de obturatorloge tonen
geringe
activiteit, verdacht voor lymfkliermetastase.
Elders intra-abdominaal geen duidelijk vergrote of metabool actieve lymfeklieren
- Ten opzichte van voorgaande PET/CT in essentie ongewijzigde sterk metabool actieve
nodus van 2,2
cm in de rechterbovenkwab en eveneens onveranderde tweede metabool actieve grillige
nodus met wat
omliggend matglas van 0,8 cm ventraal van de fissura major.
- Ten opzichte van voorgaande PET/CT ongewijzigde drietal additionele noduli van
0,9 cm, 0,9 cm en
0,7 cm in de rechterlong welke niet evident metabool actief zijn; ongewijzigd bijkomend
meerdere
matglas noduli beiderzijds.
- Ongewijzigde sterk metabool actieve klier van 1,2 cm rechts hilair. Overige bevindingen:
- Bilateraal verwijde ureters (met reactieve wandankleuring) en dilatatie van het
pyelocalyceaal
systeem beiderzijds, waarvoor rechts reeds status na nefrostomie plaatsing.
- Meerdere hypodensiteiten in de lever, grotere duidelijk te karakteriseren als
cysten (niet
metabool actief), kleinere sec te klein voor zekere karakterisatie (vermoedelijk
eveneens kleine
cysten).
- Cholecystolithiasis.
- Verder zowel op basis van PET als CT geen voor de vraagstelling relevante nevenbevindingen
of
nieuwe inzichten ten opzichte van eerdere beeldvorming. Conclusie:
- Blaas suboptimaal te beoordelen; matig verhoogd metabolisme in de atypische weke
delen
veranderingen rond het op eerdere MRI beschreven defect in het blaasdak. Recidief
maligniteit ter
plaatse niet uit te sluiten. Te toetsen aan bevindingen van nieuwe MRI welke nog
volgt.
- Verdenking lymfekliermetastase van blaascarcinoom links in de obturatorloge/para
iliaca interna.
- Bekende metabool actieve tumor laesie in de RBK (NB PA elders: NSCLC) met tweede
metabool actieve
(satelliet) laesie pre fissuraal in de RBK.
- Bekende metabool actieve lymfeklier rechts hilair.
- Ongewijzigd drietal solide noduli (rechts) en meerdere matglas noduli (beiderzijds),
welke niet
metabool actief zijn en niet goed nader te duiden zijn.
- Geen verdere nieuwe bevindingen ten opzichte van eerdere beeldvorming. Advies:
- PA longbiopt afwachten. PA-lymfklieren iliacaal links verkrijgen”….
3.10 Op 11 september 2023 vond een gesprek met de patiënt plaats over de te nemen
stappen en
behandeling.
3.11 Op 26 september 2023 werden biopten van de iliacale lymfklieren links genomen.
De uitslag van
het biopt was op 2 oktober 2023 bekend. In het medisch dossier staat vermeld:
…“ 1. NSCLC adenocarcinoom rechterbovenkwab
2. cT3Nx (pTaHG0 uc blaas
3. laaggradig B-cellymfoom Klier iliacaal..”
Het behandelvoorstel van de longarts was een lobectomie rechts te verrichten indien
de blaaskanker
in opzet ook curatief behandeld zou worden.
3.12 De uroloog stelde een cystoprostatectomie met lymfeklierverwijdering voor en
zou het verdere
beleid met betrekking tot het laaggradig B-cellymfoom bepalen op basis van de PA-bevindingen
in de
klieren. Dit voorstel werd besproken in het MDO van 2 oktober 2023. Er werd geconcludeerd
dat
longkanker, blaaskanker en het lymfoom als curatief te behandelen aandoeningen worden
beschouwd.
Het MDO stemde in met het behandelplan. Na afloop van het overleg nam de uroloog
telefonisch
contact op met de patiënt.
3.13 Op 5 oktober 2023 werd de patiënt opnieuw besproken tijdens het MDO. Dit leidde
niet tot
nieuwe inzichten of aanpassing van het behandelplan.
3.14 Het behandelplan was op 5 oktober 2023 conform afspraak telefonisch door de
uroloog met de
patiënt besproken. Het plan omvatte in eerste instantie een cystoprostatectomie
met aanleg van een
urinedeviatie volgens Bricker, gevolgd door een lobectomie (voor de longtumor) na
4 tot 6 weken en
een verwijzing naar de hematoloog (voor het lymfoom). Vanwege een snelgroeiende
longtumor was het
advies deze als eerste te behandelen. Dit is op 9 en 11 oktober 2023 met de patiënt
besproken. De
lobectomie vond plaats op 19 oktober 2023.
3.15 Op 30 oktober 2023 vond telefonisch contact plaats tussen de uroloog en de patiënt
over de
voortgang van de behandeling van de blaas. Tijdens dit gesprek werd besproken dat
op 10 november
2023 de cystoprostatectomie gepland stond. Voorafgaand aan deze operatie zou de
patiënt op 1
november 2023 groepsvoorlichting volgen. De patiënt heeft samen met zijn dochter
deelgenomen aan de
groepsvoorlichting over een cystoprostatectomie.
3.16 De operatie vond op 10 november 2023 plaats in een ander (derde) ziekenhuis
en werd
uitgevoerd door een collega van de uroloog. De patiënt bleef tot 18 november 2023
opgenomen in dit
andere ziekenhuis.
3.17 Op 20 november 2023 meldde de patiënt zich bij het ziekenhuis waarin de uroloog
werkt in
verband met postoperatieve klachten, waaronder pijn, koorts en misselijkheid. Nog
diezelfde dag
werd hij opgenomen aldaar. Duidelijk werd dat er postoperatieve complicaties waren.
3.18 Op 22 november 2023 werd beeldvormend onderzoek uitgevoerd, een CT van de
blaas en urinewegen. Tevoren waren reeds de nodige drains en katheters geplaatst
en was gestart met
antibiotica. Uit het uiteindelijke pathologieverslag van de cystoprostatectomie
blijkt dat er geen
aanwijzingen meer waren voor de aanwezigheid van blaaskanker.
3.19 In de dagen erna bleef het klinische beeld onveranderd en lieten de ontstekingswaarden
een
verbetering zien. De behandeling met antibiotica en drainage werd voortgezet.
3.20 In de vroege ochtend van 28 november 2023 werd de patiënt levenloos in bed aangetroffen.
Er
bevond zich bloed in het zakje van het urostoma. Reanimatiepogingen werden gestart,
maar hadden
geen effect.
3.21 De voorlopige obductiebevindingen van 29 november 2023 duidden op een defect
aan het coecum,
een perforatie van de arteria iliaca externa met bloeding in de peritoneale ruimte,
en een
dehiscentie ter hoogte van de ureter-ileum (Bricker lis) overgang gepaard gaande
met ontsteking.
3.22 Op 19 december 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de nabestaanden
van de patiënt,
het afdelingshoofd urologie van het andere (derde) ziekenhuis, de uroloog die de
operatie uitvoerde
van het andere ziekenhuis en de uroloog.
3.23 Klaagster heeft op 20 december 2023 een klacht ingediend, die later een aansprakelijkstelling
bleek te zijn. Deze aansprakelijkstelling werd doorgestuurd naar de
beroepsaansprakelijkheidsverzekering. De claim is op 4 juni 2024 afgewezen.
3.24 Op 27 december 2023 werd er melding gedaan van een mogelijke calamiteit aan de IGJ.
3.25 Op 2 januari 2024 had de uroloog contact opgenomen met klaagster waarin zij bespraken
dat een
onafhankelijk vooronderzoek is gestart en er een melding was gedaan bij de IGJ.
Daarnaast werd een
definitief gesprek over de obductie aangeboden, dat op 7 februari 2024 heeft plaatsgevonden.
3.26 Het calamiteitenonderzoek door de IGJ is op 26 maart 2024 afgerond.
4. De klacht en de reactie van de uroloog
4.1 Klaagster verwijt (zoals ter zitting besproken en na herziening van de klacht)
de uroloog:
a) een onzorgvuldige indicatiestelling en diagnostiek;
b) schending van de informatieplicht waaronder geen informed consent;
c) onvoldoende regiebehandelaarschap (preoperatief);
d) onzorgvuldige dossiervoering en schending van de onderzoeksplicht;
e) het onterecht afgeven van een verklaring van natuurlijk overlijden.
4.2 De uroloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college hecht eraan allereest te overwegen dat het heel verdrietig is dat
de echtgenoot
van klaagster is komen te overlijden.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de uroloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende uroloog. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor
hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) onzorgvuldige indicatiestelling en diagnostiek
5.3 Klaagster verwijt de uroloog dat zij gezien de complexe casus een verhoogde
onderzoeksplicht
had en tekort geschoten is in de zorgvuldigheid van de indicatie en de diagnostiek.
5.4 Uit het medisch dossier en de toelichting ter zitting blijkt naar het oordeel
van het college
echter dat alle beschikbare diagnostische informatie volledig is en op een navolgbare
wijze
betrokken en dat er een zeer zorgvuldige afweging is gemaakt in de overwegingen
en de
besluitvorming. De beslissingen omtrent het behandelplan werden gesteund door het
MDO waarin deze
casus driemaal is besproken.
5.5 Zowel de uroloog als het MDO waren van mening dat op grond van alle eerdere
bevindingen en
omstandigheden het om een recidief blaaskanker ging. Uit de diagnostische onderzoeken
bleken er
drie tumoren aanwezig en had patiënt een blaaswand die afwijkingen bevatte met ernstige
blaasfunctiestoornissen. Eerder werd urotheelcelkanker vastgesteld en was de aanvullende
behandeling niet volledig afgemaakt. Een recidief was de meest waarschijnlijke diagnose.
Ondanks
deze sterke klinische verdenking werd er achteraf geen recidief blaascarcinoom vastgesteld.
Dat er
achteraf geen recidief blaascarcinoom is vastgesteld maakt niet dat de indicatiestelling
en
diagnostiek onzorgvuldig is geweest. Uit het gehele dossier blijkt ook dat er eveneens
grote zorg
was over afwijkingen buiten de blaas. De vraag was dus niet enkel of de tumor in
de blaas zat maar
ook daarbuiten. De indicatiestelling is, naar het oordeel van het college, juist
geweest omdat het
natuurlijke verloop van de klachten en alle destijds bekende informatie pasten bij
die diagnose.
Naar het oordeel van het college hoefde de uroloog, alles overziend en op grond
van alle feiten en
omstandigheden geen extra onderzoek uit te voeren voorafgaand aan de geplande operatie.
Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) schending van de informatieplicht waaronder geen informed consent
5.6 Klaagster verwijt de uroloog dat zij patiënt beter had moeten infomeren omtrent
de
behandelopties en dat het informed consent ontbreekt.
5.7 Uit het medisch dossier blijkt dat er toestemming is gegeven door de patiënt.
Ook komt uit de
verslagen van onder meer de gesprekken op 5 en 9 oktober 2023 naar voren dat de
patiënt naar
behoren is geïnformeerd over de behandeling. Daarnaast heeft de patiënt, samen met
zijn dochter,
deelgenomen aan een groepsvoorlichting en is hij bij het spreekuur van de verpleegkundig
specialist
geweest, waar voldoende gelegenheid was om vragen te stellen. Patiënt is, naar het
oordeel van het
college, voldoende voorgelicht en heeft voldoende gelegenheid gehad voor het stellen
van vragen.
Dit maakt het klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel c) onvoldoende regiebehandelaarschap (preoperatief);
5.8 Klaagster meent dat de uroloog tekortgeschoten is in het regiebehandelaarschap.
Zij verwijt
haar dat zij de plicht tot samenhang, timing en escalatie niet juist heeft weten
te waarborgen.
5.9 Het verwijt kan ten aanzien van de uroloog alleen betrekking hebben op de preoperatieve
behandeling. De operatie is immers uitgevoerd door een andere uroloog, die verantwoordelijk
was
voor het postoperatieve traject en operatie vond ook plaats in een ander ziekenhuis.
De uroloog
heeft zorg gedragen voor de preoperatieve screening, meerdere gesprekken met de
patiënt gevoerd en
de casus herhaaldelijk besproken in het MDO. De beslissing om tot opereren over
te gaan, is – zoals
blijkt uit het medisch dossier – genomen op basis van alle feiten en omstandigheden,
eigen
waarneming, beoordeling en herhaald advies vanuit het MDO. Uit het medisch dossier
volgt, naar het
oordeel van het college, dat de preoperatieve beoordeling zorgvuldig en conform
de geldende
richtlijnen is verricht. Er zijn geen aanwijzingen dat het preoperatieve handelen
onvoldoende is
geweest. Dit klachtonderdeel wordt derhalve als ongegrond beschouwd.
Klachtonderdeel d) onzorgvuldige dossiervoering en schending van de onderzoeksplicht
5.10 Klaagster voert aan dat het medisch dossier niet aan de wettelijke vereisten
voldoet vanwege
vermeende onzorgvuldige dossiervoering. Daarnaast verwijt zij de uroloog dat zij
onvoldoende heeft
voldaan aan de onderzoeksverplichting met betrekking tot de toegezonden medische
informatie.
5.11 De dossiervorming voldoet, naar het oordeel van het tuchtcollege, aan de eisen
die gesteld
worden aan een medisch dossier. De norm is dat het dossier zodanig gestructureerd
en volledig is
dat elke andere arts dit zonder belemmeringen kan overnemen, zoals bijvoorbeeld
bij een overdracht.
Door zorgvuldige dossiervorming wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze diagnostiek,
overwegingen en uitkomsten van het multidisciplinair overleg het behandelplan en het
beloop van de behandeling hebben beïnvloed. Het medisch dossier voldoet hier in alle
opzichten.
5.12 De patiënt heeft zich voor een second opinion tot het ziekenhuis waarin de uroloog
werkt
gewend. Hiervoor zijn alle relevante documenten aangeleverd. Op 16 augustus 2023
heeft het
behandelteam het beeldvormend onderzoek uit het eerdere ziekenhuis beoordeeld om
zelfstandig de
medische situatie van de patiënt te evalueren. In dit kader zijn de beelden gereviseerd,
het plan
van aanpak en de diagnostiek heroverwogen en zijn de MRI- en PET- onderzoeken opnieuw
uitgevoerd.
Daarmee is voldaan aan alle vereisten die, naar het oordeel van het college aan
de
onderzoeksverplichting worden gesteld en is dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel e) het onterecht afgeven van een verklaring van natuurlijk overlijden
5.13 Klaagster stelt dat de uroloog ten onrechte een verklaring van natuurlijk
overlijden heeft
afgegeven. Volgens klaagster was er sprake van een onverwacht overlijden na een
operatie. Zij is
van mening dat de uroloog twijfels had moeten hebben en de gemeentelijke lijkschouwer
had moeten
inschakelen.
5.14 De uroloog baseerde zich op de informatie dat het overlijden het gevolg was
van een
postoperatieve complicatie, mogelijk mede beïnvloed door de bestaande aandoeningen
van de patiënt,
en gaf daarom na het overlijden een verklaring van natuurlijk overlijden af.
5.15 Volgens de KNMG "Handreiking (niet-) natuurlijke dood" (versie 1.0, januari
2016) dient de
behandelend arts een verklaring van natuurlijk overlijden af te geven wanneer hij
overtuigd is dat
er sprake is van een natuurlijke dood. Een natuurlijke dood wordt gedefinieerd als
ieder overlijden
dat het gevolg is van een spontane ziekte, inclusief complicaties die optreden na
een lege artis
uitgevoerde medische behandeling. Wanneer het overlijden direct het gevolg is van
een dergelijke
complicatie, geldt dit eveneens als natuurlijk overlijden. De uitleg van de uroloog
rondom het
afgeven van de verklaring en de uitleg van haar telefonisch overleg voorafgaand
aan het afgeven van
deze verklaring kan het college volgen en het college is dan ook van oordeel dat
zij de verklaring
van natuurlijk overlijden terecht heeft afgegeven en derhalve is ook dit klachtonderdeel
ongegrond.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
Publicatie
5.17 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
Kostenveroordeling
5.18 De gemachtigde van klaagster heeft verzocht de uroloog te veroordelen in de
kosten die zij
als gemachtigde heeft gemaakt in deze procedure (onder andere gederfde inkomsten
door werkzaamheden
in verband met deze klacht).
Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond
verklaart en
aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Nog daargelaten dat een proceskostenveroordeling
geldt
voor juridisch geschoolde beroepsmatige rechtshulpverleners, wijst het college,
nu de klacht
ongegrond is, het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond;
- wijst het verzoek om een kostenveroordeling af;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift
Medisch
Contact.
Deze beslissing is gegeven door mr. E.P. de Beij, voorzitter, L.W.M Creemers, lid-jurist,
C.M.F. Kruijtzer, W.F.R.M. Koch en I.J. de Jong, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
M.A.E. Veeren, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.