ECLI:NL:TGZRAMS:2025:257 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8092

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:257
Datum uitspraak: 28-10-2025
Datum publicatie: 28-10-2025
Zaaknummer(s): A2025/8092
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een verpleegkundig specialist. De echtgenoot van klaagster (hierna: de patiënt) is in de periode van januari 2023 tot en met 25 augustus 2023 behandeld in het ziekenhuis waarin de verpleegkundig specialist werkzaam is. De verpleegkundig specialist heeft als lid van het behandelteam veelvuldig contact gehad met de patiënt (en klaagster) tijdens zijn behandeling vanwege blaaskanker. De patiënt is op 28 november 2023 in een ander ziekenhuis overleden. Klaagster verwijt de verpleegkundig specialist in twee klachtonderdelen dat zij niet de zorg heeft geleverd die van haar mocht worden verwacht. Zij verwijt de verpleegkundig specialist dat zij heeft nagelaten vervolgonderzoek en diagnostiek in te zetten en dat zij onjuiste informatie heeft vermeld in een verwijsbrief.Het college is alles overziend van oordeel dat de verpleegkundig specialist in haar handelen geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Zij heeft daar waar nodig op de juiste wijze gehandeld en steeds, daar waar nodig afstemming gezocht met één van de urologen. Voor nader onderzoeken/diagnostiek bestond gelet op het geheel van feiten en omstandigheden, zoals uitgebreid te lezen in het dossier, anders dan klaagster stelt, naar het oordeel van het college geen aanleiding.

A2025/8092
Beslissing van 28 oktober 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 28 oktober 2025 op de klacht van:


A,
wonende in B,

klaagster,

gemachtigde: C,

tegen


D,
verpleegkundig specialist AGZ,
werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundig specialist, gemachtigde: mr. P.J. klein Gunnewiek, 
werkzaam te Utrecht.


1. Waar gaat de zaak over?
1.1   De echtgenoot van klaagster (hierna: de patiënt) is in de periode van januari 2023 tot en met 
25 augustus 2023 behandeld in het ziekenhuis waarin de verpleegkundig specialist werkzaam is. De 
verpleegkundig specialist heeft als lid van het behandelteam veelvuldig contact gehad met de 
patiënt (en klaagster) tijdens zijn behandeling vanwege blaaskanker. Zij is in die periode enige 
tijd eerste aanspreekpunt geweest. De patiënt is op 28 november 2023 in een ander ziekenhuis 
overleden.

1.2   Klaagster verwijt de verpleegkundig specialist in twee klachtonderdelen dat zij niet de zorg 
heeft geleverd die van haar mocht worden verwacht. Zij verwijt de verpleegkundig specialist dat zij 
heeft nagelaten vervolgonderzoek en diagnostiek in te zetten en dat zij onjuiste informatie heeft 
vermeld in een verwijsbrief. De verpleegkundig specialist voert verweer.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de verpleegkundig specialist niet tuchtrechtelijk 
verwijtbaar heeft gehandeld en de klacht ongegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de 
procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 januari 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen;

-  een bijlage bij het verweerschrift, ontvangen op 14 mei 2025;
-  de brief van de gemachtigde van klaagster van 16 mei 2025, binnengekomen op 20 mei 2025, met 
bijlagen en een USB-stick met geluidsopnamen en een machtiging van klaagster;
-  het proces-verbaal van het op 26 mei 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
-  de brief van de gemachtigde van klaagster van 26 augustus 2025, binnengekomen op 27 augustus 
2025, met het aanvullende/herziene klaagschrift;
-  de brief van de gemachtigde van klaagster van 1 september 2025, binnengekomen op 2 september 
2025, met het verzoek om een proceskostenvergoeding;
-  de e-mail van de gemachtigde van de verpleegkundig specialist van 10 september 2025.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 september 2025. De partijen zijn 
verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun 
standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities voorgelezen en aan het 
college en de andere partij overhandigd.

2.3   De zaak is op de zitting gezamenlijk, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen twee 
urologen (A2025/8091 en A2025/8083) uit het behandelteam. Deze uitspraak betreft alleen de 
verpleegkundig specialist met bovengenoemd zaaknummer.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Bij de patiënt was in een ander ziekenhuis verdacht weefsel gezien in de blaas. Een uroloog 
(verweerder in zaak A2025/8091) heeft – op verzoek van de gemachtigde van klaagster (die naast haar 
gemachtigde ook haar dochter is) - de patiënt op 6 januari 2023 gezien op het cystoscopiespreekuur 
en heeft een cystoscopie verricht bij de patiënt. Tijdens de cystoscopie is afwijkend weefsel 
aangetroffen, verdacht voor een urotheelcelcarcinoom. Hierop is vervolgbeleid bepaald, te weten het 
inplannen voor een transurethrale resectie van de blaas (verder: TUR-blaas).

3.2   De TUR-blaas is op 6 februari 2023 bij de patiënt uitgevoerd en aansluitend heeft de patiënt 
eenmalig een mitomycinespoeling gekregen. Hierbij heeft hij kenbaar gemaakt dat hij een snijdende 
pijn in de onderbuik ervoer. Een dag later is de patiënt naar huis ontslagen.

3.3   Op 10 februari 2023 is een CT-IVP (CT-scan van de urinewegen) uitgevoerd. Hieruit bleek dat 
er geen tumoren in de hogere urinewegen zaten. Als toevalsbevinding werd een blaasperforatie 
gezien. De CT-IVP toonde een perforatie van het blaasdak met een reactie buiten de buikholte. Er 
was geen lekkage van contrast naar de vrije buikholte zichtbaar. Door een zaalarts en één van de 
urologen is het verdere beleid bepaald. De verblijfskatheter bleef gehandhaafd en er werd een 
controlemoment ingepland met een cystogram (röntgenfoto van de blaas) twee weken later, om te 
beoordelen of het blaasdefect was genezen. De patiënt werd op de hoogte gesteld van de 
blaasperforatie. Het cystogram vond vervolgens plaats op 23 februari 2023. Er was geen lekkage zichtbaar en de verblijfskatheter kon worden verwijderd.

3.4   De patiënt is op 3 maart 2023 op het spreekuur geweest bij één van de urologen voor de 
uitslag van de TUR-blaas. Er was sprake van een blaastumor met (TNM)classificatie pTaG2 (HG), een 
niet-spierinvasief urotheelcelcarcinoom van de blaas. Ook was sprake van een succesvolle 
katheterontwenning na cystogram. In het medisch dossier staat dat er geen indicatie was voor een 
nieuwe TUR-blaas gezien de uitgebreide eerdere TUR-blaas. Het behandeladvies luidde: 
mitomycinespoelingen en een cystoscopie na drie maanden.

3.5   Gedurende de hele behandelperiode heeft de patiënt veelvuldig contact gehad met de 
verpleegkundig specialist. De patiënt had last van urinewegklachten, kreeg een antibioticum 
voorgeschreven nadat een urineweginfectie werd geconstateerd, en daarna een blaasspierontspanner. 
De eerste geplande mitomycinespoeling op 29 maart 2023 is geannuleerd vanwege de (pijn)klachten die 
de patiënt aangaf. Op 5 april 2023 is gestart met de eerste van de volgende mitomycinespoelingen, 
omdat de klachten van de patiënt waren afgenomen. In de weken daarna volgden nog vier spoelingen. 
Na de vierde spoeling had de patiënt pijn in de plasbuis. In verband hiermee is de vijfde (en 
tevens laatste) spoeling uitgesteld, en de patiënt kreeg eerst een blaasontspanner en – na een 
urinekweek – opnieuw een antibioticum.

3.6   In de tussentijd is bij de patiënt tijdens bevolkingsonderzoek een afwijking in de longen 
gevonden, waarvoor hij op de afdeling longgeneeskunde is gezien. Hiervoor is later een PET CT-scan 
gemaakt.

3.7   Een van de urologen heeft op 17 mei 2023 een cystoscopie bij de patiënt uitgevoerd. Op basis 
daarvan ontstond een verdenking van een recidief urotheelcelcarcinoom van de blaas. Het beleid was 
opnieuw een TUR-blaas te verrichten. Ook constateerde de uroloog een wandverdikking, waarvoor hij 
een MRI-scan van de blaas aanvroeg om de lokale status van de blaas beter te kunnen beoordelen. 
Bovendien moest er een nieuwe urinekweek worden afgenomen.

3.8   Vanaf 1 juni 2023 is de verpleegkundig specialist aangewezen als vaste contactpersoon, nadat 
de patiënt en klaagster hadden gemeld dat zij regie misten en vonden dat er te veel zorgverleners 
betrokken waren.

3.9   In de periode van 1 juni tot en met augustus 2023 had de patiënt onder meer last van 
pijnklachten bij het urineren, een nierfunctiestoornis en urineweginfecties. Een MRI- onderzoek 
vond, op verzoek van de patiënt, elders plaats. De patiënt had veel last had van mictieklachten 
(frequente aandrang) en totale urine-incontinentie. Inmiddels waren er bij aanvullend onderzoek ook 
afwijkingen (primaire tumor of metastasen) in de longen gezien 
en in een lymfeklier. De geplande TUR-blaas werd geannuleerd, omdat eerst de oorzaak van de 
longafwijkingen moest worden uitgezocht.

3.10  In de periode waarin de patiënt door het behandelteam van dit ziekenhuis is behandeld heeft 
de verpleegkundig specialist op 23 momenten tijdens een telefonisch consult, dan wel een consult, 
dan wel een e-consult contact gehad met de patiënt en/of klaagster.

3.11  Op verzoek van de patiënt is de zorg en behandeling op 25 augustus 2023 volledig overgedragen 
aan een ander (gespecialiseerd oncologisch) ziekenhuis.

3.12  In november 2023 zijn in dat opvolgend ziekenhuis de blaas en de prostaatklier van de patiënt 
verwijderd. Uit het pathologisch-anatomische onderzoek bleek dat er geen kanker in de blaas meer is 
aangetroffen (TNM-classificatie pT0N0). De patiënt is na die operatie ontslagen en weer 
heropgenomen in dit opvolgend ziekenhuis. De patiënt is op 28 november 2023 levenloos aangetroffen 
in bed en overleden.

3.13  Na het overlijden van de patiënt zijn er gesprekken tussen de behandelaars/het ziekenhuis en 
de familie van de patiënt (waaronder klaagster en haar gemachtigde) gevoerd. Ook was onder meer 
sprake van een klachtenprocedure, verzoeken tot opvragen van het medisch dossier door familie van 
de patiënt, verzoeken tot een calamiteitenonderzoek, en een civiele aansprakelijkstelling.

4. De klacht en de reactie van de verpleegkundig specialist
4.1  Klaagster verwijt (zoals tijdens de zitting besproken en na herziening van haar klacht) de 
verpleegkundig specialist dat zij:
a) de inzet van vervolgonderzoek en diagnostiek heeft nagelaten; en
b) onjuiste informatie heeft vermeld in de verwijsbrief.

4.2  De verpleegkundig specialist heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1  Het college hecht eraan allereerst te overwegen dat het heel verdrietig is dat de echtgenoot 
van klaagster is komen te overlijden.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2   De vraag is of de verpleegkundig specialist de zorg heeft verleend die van haar verwacht 
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundig 
specialist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) nalaten vervolgonderzoek en diagnostiek
5.3   Klaagster verwijt de verpleegkundig specialist dat zij heeft nagelaten vervolgonderzoek en 
diagnostiek in te zetten, terwijl het gecompliceerde verloop bij de patiënt en het geheel aan 
klachten daartoe wel aanleiding gaven. Door klaagster is daarbij - onder andere - aangevoerd dat de 
verpleegkundig specialist een extra multidisciplinair overleg had moeten organiseren.

5.4   Het college stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de verpleegkundig specialist naar 
aanleiding van haar contacten met de patiënt steeds, als dit noodzakelijk was, overleg heeft gehad 
met één van de urologen over te nemen acties. Ze heeft ook zelfstandig advies gegeven over het 
nemen van antibiotica en de inname van vocht. De eerste mitomycinespoeling (van de geplande vijf) 
is geannuleerd vanwege de klachten van de patiënt. Zij heeft (na afstemming van het vervolgbeleid 
met één van de urologen) het contact met de patiënt onderhouden om te bezien of de volgende 
mitomycinespoeling wel doorgang kon vinden, of dat een cystoscopie moest worden vervroegd. Ook in 
de periode daarna, tijdens de spoelingen heeft de verpleegkundig specialist contact met de patiënt 
onderhouden en de spoeling van 3 mei 2023 is geannuleerd in verband met de aangegeven klachten. 
Daarnaast is antibiotica en een blaasontspanner voorgeschreven.

5.5   Tijdens een afspraak op de polikliniek heeft de verpleegkundig specialist gesproken met de 
patiënt en klaagster over de impact van de geconstateerde afwijkingen in de longen uit het 
bevolkingsonderzoek, de diagnose blaaskanker, de behandeling en de bijwerkingen. Ook heeft zij, op 
vraag van de patiënt (omdat een geplande MRI hem niet uitkwam qua datum) contact gezocht met andere 
ziekenhuizen om te proberen een MRI aldaar te laten verrichten, hetgeen niet mogelijk bleek. Het is 
de patiënt overigens zelf via de huisarts wel gelukt om een MRI te laten maken bij F.

5.6   Toen de patiënt op 30 mei 2023 heeft aangegeven dat hij regie mist, heeft (na overleg met één 
van de urologen) de verpleegkundig specialist telefonisch op 1 juni 2023 laten weten dat zij vanaf 
dat moment de vaste contactpersoon is van het behandelteam en dat de patiënt bij vragen of klachten 
altijd met haar contact op kan nemen.

5.7   In juni 2023 heeft de verpleegkundig specialist na overleg met het medisch team adviezen 
gegeven over het laten verrichten van een urinekweek en nadien de uitslag daarvan doorgegeven aan 
de patiënt. In consulten nadien heeft zij op verschillende momenten de patiënt en/of klaagster 
ingelicht over de waarden van de nierfunctie, een nieuwe urinekweek en een herhaalrecept voor 
pijnstilling verstrekt.

5.8   De patiënt en klaagster hebben op 10 juli 2023 een verwijzing naar een ander oncologisch 
gespecialiseerd ziekenhuis verzocht, in verband met een second opinion. De verpleegkundig 
specialist heeft nog diezelfde dag een verwijsbrief opgesteld.

5.9   Het college is alles overziend van oordeel dat de verpleegkundig specialist in haar handelen 
geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Zij heeft daar waar nodig op de juiste wijze 
gehandeld en steeds, daar waar nodig afstemming gezocht met één van de urologen. Voor nader 
onderzoeken/diagnostiek bestond gelet op het geheel van feiten en omstandigheden, zoals uitgebreid 
te lezen in het dossier, anders dan klaagster stelt, naar het oordeel van het college geen 
aanleiding. Dit klachtenonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b) onjuiste informatie in verwijsbrief
5.10  Klaagster verwijt de verpleegkundig specialist dat zij onjuiste informatie heeft vermeld in 
de verwijsbrief van 10 juli 2023. Volgens klaagster heeft de verpleegkundig specialist nagelaten te 
melden dat er onzekerheid bestond over de verdenking van een recidief blaascarcinoom. Door de 
verdenking als diagnose te presenteren is het andere ziekenhuis op het verkeerde been gezet, 
hetgeen gevolgen heeft gehad op de insteek van de diagnostiek en de behandeling in het opvolgend 
ziekenhuis.

5.11  In de door de verpleegkundig specialist opgestelde verwijsbrief van 10 juli 2023 staat 
vermeld (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Beloop
[…] Tur-blaas verricht in het G en diagnose hooggradig niet-spierinvasief urotheelcelcarcinoom van 
de blaas gestart met mitomycine blaasspoelingen. Na 4 keer spoelingen gestaakt vanwege dysurie, 
frequency en recidiverende urineweginfecties. Bij cystoscopie verdenking recidief 
urotheelcarcinoom. […]
Aanvullend onderzoek
02-06-2023 MRI blaas (Extern)
Wabdstandige afwijking in de blaas met exofytische groei bij patient bekend met recidief blaas-CA. 
prominente lumfeklieren para-illiacaal.[…]

Conclusie:
74 jarige man met recidief urotheelcelcarcinoom. Op PET/CT pulmonale afwijkingen verdacht voor 
metastasen van bekend urotheelccelcarcinoom blaas dan wel longcarcinoom. […]”

5.12  Het college is van oordeel dat weliswaar in de conclusie vermeld staat dat sprake is van een 
recidief urotheelcelcarcinoom, maar dat uit het ‘beloop’ genoegzaam blijkt dat het om een 
verdenking hiertoe gaat. Daarnaast stelt het college vast dat de uitkomst van de MRI blaas van 2 
juni 2023 (die op verzoek van de patiënt in het F is verricht), letterlijk is gekopieerd uit het 
onderzoeksverslag en geen interpretatie van de verpleegkundig specialist is. De gevolgtrekking van 
klaagster dat als gevolg van deze verwijsbrief de behandeling in het opvolgend ziekenhuis de 
diagnose recidief blaascarcinoom zonder nader eigen onderzoek of diagnosestelling is overgenomen en 
de behandeling daar heeft bepaald, wordt door het college niet gevolgd. Uit het dossier is het 
college gebleken dat het opvolgend ziekenhuis op grond van een eigen interpretatie van alle 
beschikbare onderzoeken en het bekijken van al 
het aanwezige beeldmateriaal tot een eigen diagnose is gekomen. Het college acht dit 
klachtenonderdeel ook ongegrond.

Slotsom
5.13  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

Kostenveroordeling
5.14  Klaagster heeft verzocht de verpleegkundig specialist te veroordelen in de kosten die zij 
heeft gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht 
(gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Omdat de klacht 
ongegrond wordt verklaard, komt het college niet toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling van 
dit verzoek en wordt het verzoek afgewezen.


6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond;
-  wijst het verzoek om een kostenveroordeling af.


Deze beslissing is gegeven door mr. E.P. de Beij, voorzitter, W.M.E. Bil en E.M. Rozemeijer, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A.E. Veeren, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken op 28 oktober 2025.