ECLI:NL:TGZRAMS:2025:254 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8640

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:254
Datum uitspraak: 28-10-2025
Datum publicatie: 28-10-2025
Zaaknummer(s): A2025/8640
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klager, een plastisch chirurg, kennelijk niet-ontvankelijk in een klacht tegen een collega plastisch chirurg. Geen rechtstreeks belanghebbende.

A2025/8640

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 28 oktober 2025 naar aanleiding van de klacht van:

A,
werkzaam te B,
klager,

tegen

C,
plastisch chirurg,
werkzaam te D,
verweerder.

1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 19 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de e-mail met bijlage van verweerder, ontvangen op 22 juli 2025.

2. De feiten en de klacht
2.1 Klager, zelf werkzaam als plastisch chirurg, heeft in 2014 bij een patiënte een neuscorrectie uitgevoerd. In 2023 is de patiënte via de huisarts doorverwezen naar de polikliniek plastisch chirurgie van een ziekenhuis. Vervolgens is de patiënte daarna doorverwezen naar de kliniek van verweerder. Verweerder heeft bij de patiënte in 2024 ook een neuscorrectie uitgevoerd.

2.2 Klager verwijt verweerder dat hij tegenover deze patiënte zonder enige inhoudelijke of feitelijke onderbouwing heeft gezegd dat hij “nog nooit zulk slecht werk had gezien” met betrekking tot de neuscorrectie door klager. Tevens zou hij de patiënte actief hebben aangespoord om een klacht tegen klager in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. Die klacht is inmiddels ongegrond verklaard.

2.3 Klager stelt dat deze handelwijze niet alleen oncollegiaal en beschadigend is, maar dat het ook zijn individuele beroepsuitoefening heeft belemmerd. Door ongenuanceerde en subjectieve oordelen uit te spreken over zijn patiënte, zonder enige professionele onderbouwing of intern overleg, heeft verweerder het vertrouwen in de zorgverlening van klager ondermijnd, zijn reputatie beschadigd en de behandelrelatie met de patiënte doorkruist. Tevens is de patiënte op onnodige hoge kosten gejaagd door nogmaals een neuscorrectie te ondergaan.

2.4 Verweerder ontkent dat hij een waardeoordeel heeft gegeven over het werk van klager en wijst erop dat er in het medisch dossier van de patiënte ook niks over is vermeld. Ten slotte ontkent verweerder dat hij de patiënte actief heeft aangespoord tot het indienen van een klacht. De patiënte is waarschijnlijk op haar klachtrecht gewezen door het ziekenhuis of een consulent van de praktijk.

3. De overwegingen
3.1 De voorzitter moet beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen.

Eerste tuchtnorm
3.2 Ten eerste moet worden beoordeeld of er sprake is van een behandelrelatie en daarmee van toepasselijkheid van de zogenoemde eerste tuchtnorm. De eerste tuchtnorm staat omschreven in artikel 47 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen van de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Het is duidelijk dat de klacht gaat niet over een behandelrelatie tussen klager en verweerder.

Tweede tuchtnorm
3.3 De zogenoemde tweede tuchtnorm, neergelegd in artikel 47 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet BIG, houdt in dat een BIG-geregistreerde zorgverlener ook aan tuchtrecht is onderworpen ter zake van ander handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Een klacht daarover kan – volgens artikel 65 lid 1 aanhef en onder a van de Wet BIG – worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende.

3.4 In dat kader moet beoordeeld worden of er aan de zijde van klager sprake is van
een rechtstreeks belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de aard en strekking van de Wet BIG die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken. In onder andere de uitspraak ECLI:NL:TGZCTG:2015:140 heeft het Centraal Tuchtcollege (CTG) een oordeel gegeven over de vraag onder welke omstandigheden een collega-zorgverlener kan worden aangemerkt als klachtgerechtigd in de zin van artikel 65 van de Wet BIG. Daarbij is bepaald dat onder omstandigheden ook collega’s van beroepsbeoefenaren als rechtstreeks belanghebbenden kunnen worden beschouwd. In zo’n geval moet de klagende collega als medisch beroepsbeoefenaar een concreet belang hebben dat verband houdt met de individuele gezondheidszorg.

3.5 Aan de wetgeschiedenis en de jurisprudentie is te ontlenen dat een klacht tegen een
collega ontvankelijk kan zijn als die collega zich oncollegiaal heeft gedragen, bijvoorbeeld door zich in het openbaar laatdunkend uit te laten over de klager waardoor het vertrouwen dat patiënten in hem hebben kan zijn geschaad. De beantwoording van deze vraag naar de ontvankelijkheid vergt in die zin inhoudelijk onderzoek van het dossier dat moet worden vastgesteld of er aanleiding is voor het oordeel dat de beweerde uitlatingen al dan niet zijn gedaan.

3.6 De voorzitter is van oordeel dat dit in dit geval niet kan worden vastgesteld. Uit de processtukken heeft de voorzitter niet kunnen afleiden wat verweerder over de in 2014 door klager uitgevoerde neuscorrectie heeft gezegd. In het medisch dossier van de patiënte is hier niks over vermeld. In de bij het dossier gevoegde uitspraak van de geschillencommissie staat dat de patiënte aan de geschillencommissie heeft verklaard dat de geconsulteerde plastisch chirurgen geschrokken zouden zijn van in welke staat de neus in 2023 verkeerde. Verweerder heeft de patiënte echter pas in 2024 gezien, nadat de patiënte in 2023 door de plastisch chirurgen in het ziekenhuis was gezien en naar de kliniek van verweerder was doorverwezen. Andere aanknopingspunten voor de juistheid van klagers stellingen heeft de voorzitter niet gevonden. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen dat verweerder in het openbaar onnodig diskwalificerende of oncollegiale bewoordingen heeft gebruikt bij zijn uitlatingen over klager

3.7 Dat betekent dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn klacht en dat de klacht
dus niet inhoudelijk kan worden behandeld.

4. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.


Deze beslissing is gegeven op 28 oktober 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.