ECLI:NL:TGZRAMS:2025:244 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7825

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:244
Datum uitspraak: 14-10-2025
Datum publicatie: 14-10-2025
Zaaknummer(s): A2024/7825
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft op verzoek van de werkgever van klaagster na het derde ziektejaar van klaagster een verklaring 26e week ontslagtoets afgegeven, waarin zij heeft geconcludeerd dat niet te verwachten is dat klaagster binnen een periode van 26 weken weer geschikt wordt voor de bedongen arbeid, al dan niet in aangepaste vorm. Volgens klaagster is sprake van een onjuiste verklaring die is opgesteld zonder dat de bedrijfsarts hier tevoren met klaagster over heeft gesproken of haar heeft onderzocht. Het college komt tot het oordeel dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en de klacht ongegrond is.

A2024/7825
Beslissing van 14 oktober 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 14 oktober 2025 op de klacht van:


A,
wonende te B,

klaagster,

tegen


C,
bedrijfsarts,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. drs. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.


1. De zaak in het kort
1.1 De bedrijfsarts heeft op verzoek van de werkgever van klaagster na het derde ziektejaar van
klaagster een verklaring 26e week ontslagtoets afgegeven, waarin zij heeft geconcludeerd dat niet
te verwachten is dat klaagster binnen een periode van 26 weken weer geschikt wordt voor de bedongen
arbeid, al dan niet in aangepaste vorm. Volgens klaagster is sprake van een onjuiste verklaring die
is opgesteld zonder dat de bedrijfsarts hier tevoren met klaagster over heeft gesproken of haar
heeft onderzocht.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld en de klacht ongegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is
verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 11 november 2024;
- het verweerschrift;
- de brief van de gemachtigde van de bedrijfsarts met als bijlage het medisch dossier, ontvangen
op 3 januari 2025;
- het e-mailbericht van klaagster van 5 februari 2025 met bijlagen ten behoeve van het mondelinge
vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van 12 februari 2025.

2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 2 september 2025. De partijen zijn
verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht.


3. Wat is er gebeurd?
3.1 De bedrijfsarts is sinds 1 mei 2024 als zodanig in dienst van D.

3.2 Klaagster, geboren in 1984, was in dienst bij de E, die gebruik maakt van D als arbodienst.

3.3 In oktober 2021 heeft klaagster zich ziekgemeld. Zij heeft sindsdien niet meer gewerkt. In
oktober 2023 is klaagster door het UWV voor 73% afgekeurd.

3.4 Op 13 mei 2024 is klaagster bij een collega van de bedrijfsarts op spreekuur geweest.
Daarover staat in het dossier (citaten voor zover relevant en letterlijk weergegeven):
‘(…) werkt niet sinds ziekmelding, zit in het derde ziektejaar
medisch / loopt vast in het hoofd, moeite om basics op orde te houden. Geen soc netwerk. Lijkt er
volledig alleen voor te staan en alleen contact met psycholoog
T/ staat nog op wachtlijst Z (zou in mei starten, geen behandelplan), voorl nog bij (oude)
psycholoog elke week. (…)
werk/ geen contact, staat ook niet bij werk stil, vindt dat er weinig is gedaan aan re- integratie
maar bij doorvraag weet zij ook niet wat er dan gedaan kan worden als zij de fundamentele zaken
thuis niet kan doen. (…)
uwv/ 73% afgekeurd
C/ depressie. PTSS, wacht op Z, bij alleenstaand moeder zonder netwerk (…) Ik zie geen re- integr
mogelijkheden, eerst dagstructuur
B/ afwachten
hc 2 mnd POB (ther? Dagverhaal?)’

3.5 Op 27 augustus 2024 is klaagster bij de bedrijfsarts op spreekuur geweest. Dat was de eerste
keer dat de bedrijfsarts klaagster zag. In het dossier staat:
‘(…) A/ MW geeft aan niet te weten waar de oproep voor is. Er is geen vraagstelling binnen gekomen
vanuit de werkgever.
MW is voor UWV afgekeurd voor ruim 73%.
Ze vertelt angstig te zijn wat er nu gebeurt met de 27% die zij nog arbeidsgeschikt zou moeten
zijn.
Besproken dat ik begrijp dat zij daar angstig voor is. Er is nu niets aan re-integratie mogelijk en
dit lijkt voorlopig ook niet aan de orde. Daar is zij het mee eens. In de regel wordt dan ontslag
aangevraagd of een VSO aangeboden. In oktober is de 3 jaar voorbij die er voor medewerkers van de
gemeente geldt.
MW maakt een angstige, timide en jonge indruk. gesprek mede om deze reden kort gehouden.
geen vervolg afgesproken, vervolg indien nodig.

Navraag gedaan en er wordt 26 weeks prognose gevraagd, om deze reden nu geen terugkoppeling. wordt
een 26 weeks prognose.’

3.6 Op 13 september 2024 heeft de bedrijfsarts van de werkgever vernomen dat zij een 26 weeks
prognose zou moeten afgeven. De bedrijfsarts heeft het klantteam van D verzocht dit administratief
in orde te maken.

3.7 Op 14 september 2024 heeft klaagster aan werkgever laten weten dat zij volledig hersteld was.
Op 16 september 2024 heeft zij zich op kantoor van werkgever gemeld om haar werk te hervatten.
Werkgever heeft laten weten dat de herstelmelding niet werd geaccepteerd en dat zij eerst een
advies van de bedrijfsarts en eventueel een deskundigen- advies van het UWV wilde. Verder heeft
werkgever aangegeven dat zij een ontslagaanvraag had ingediend bij het UWV en dat zij bij brief van
20 augustus 2024 klaagster over het voorgenomen ontslag had geïnformeerd.

3.8 Op 2 oktober 2024 heeft de bedrijfsarts de “Verklaring 26e week ontslagtoets” afgegeven.
Daarin staat dat klaagster op 2 oktober 2024 een spreekuurafspraak met de bedrijfsarts had. Daarin
staat verder dat:
- het niet te verwachten is dat medewerker weer geschikt wordt voor de bedongen arbeid (al dan niet
in aangepaste vorm) op een termijn van zes maanden;
- de arbeidsbelastbaarheid in vergelijking met het actueel oordeel en met de WIA- beoordeling
stabiel is gebleven, mogelijk zelfs iets verslechterd;
- de werknemer akkoord gaat met de inhoud van de verklaring.

3.9 Op 3 oktober 2024 heeft klaagster telefonisch aan het klantteam van D doorgegeven dat de
bedrijfsarts zich schuldig maakt aan valsheid in geschrifte en dat dit aan de bedrijfsarts moest
worden doorgegeven. Klaagster is verzocht om dit op de mail te zetten.

3.10 Per e-mail van 5 november 2024 heeft klaagster aan D laten weten dat zij op 2 oktober 2024
niet op het spreekuur van de bedrijfsarts was geweest en ook geen akkoord had gegeven voor de
inhoud van het verslag. Verder heeft ze aangegeven dat ze had geprobeerd telefonisch contact te
leggen met de bedrijfsarts maar dat deze haar niet te woord had gestaan of teruggebeld. Haar
verzoek tot rectificatie was ook niet ingewilligd.

3.11 Op 2 januari 2025 heeft klaagster aangifte tegen de bedrijfsarts gedaan wegens fraude.

3.12 Klaagster is inmiddels door de gemeente B ontslagen.


4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Volgens klaagster heeft de bedrijfsarts onzorgvuldig gehandeld, omdat zij een onjuiste
verklaring over klaagster heeft opgesteld zonder hier van tevoren over te spreken en zonder
klaagster te onderzoeken.
Meer specifiek verwijt klaagster de bedrijfsarts dat zij:
a) Klaagster niet heeft gezien, gesproken en niet heeft geïnformeerd over de verklaring voordat zij
deze heeft afgegeven;

b) Valsheid in geschrifte heeft gepleegd omdat klaagster niet op het spreekuur is geweest en niet
akkoord is met de inhoud van de verklaring;
c) Na afgifte van de verklaring klaagster niet te woord heeft willen staan;
d) Het verzoek van klaagster tot rectificatie niet heeft ingewilligd.

4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Hoe oordeelt het college?
5.2 Het college oordeelt dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdelen a, b en d
5.3 De klachtonderdelen a, b en d zullen gelet op de onderlinge samenhang gezamenlijk worden
besproken.

5.4 Vast staat dat klaagster op 27 augustus 2024 bij de bedrijfsarts op het spreekuur is geweest.
Ten onrechte is in de 26-weken verklaring vermeld dat het spreekuur op 2 oktober 2024 had
plaatsgevonden. De bedrijfsarts heeft toegelicht dat zij de verklaring op die datum gereed heeft
gemaakt, dat die datum dan door het systeem automatisch wordt aangemaakt en dat zij dit niet heeft
gezien en daarom ook niet handmatig heeft gecorrigeerd. De bedrijfsarts heeft klaagster dus wel
gezien (op het spreekuur) voordat zij de verklaring afgaf.

5.5 Dat er vervolgens ruim een maand is verstreken voordat de verklaring is afgegeven, is een
gevolg van administratieve processen bij de betrokken organisaties en daarvoor is de bedrijfsarts
niet verantwoordelijk. De bedrijfsarts heeft erkend dat het beter is dat zij in een geval als het
onderhavige nog contact opneemt met de werknemer in kwestie om te vernemen of er nog wijzigingen
zijn opgetreden. Dat zij dit heeft nagelaten, is echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar mede in
het licht van haar conclusie op 27 augustus 2024 dat in de medische situatie van klaagster die al
drie jaar duurde, nog geen enkele verbetering was opgetreden en de omstandigheid dat de
bedrijfsarts niet wist van de herstelmelding van klaagster.

5.6 Ook staat vast dat klaagster de verklaring niet heeft gezien voordat deze naar haar werkgever
werd verzonden. Dat hoeft ook niet omdat het hier gaat om een verklaring van de bedrijfsarts met
haar eigen conclusies waarvoor instemming van de werknemer niet nodig is. In de verklaring is
opgenomen dat klaagster akkoord is met de inhoud daarvan. Volgens klaagster is die mededeling
onjuist omdat zij het niet eens is en was met de verklaring: zij heeft zich immers op 14 september
2024 voor volledig hersteld gemeld. Zij stelt verder dat de bedrijfsarts ook niet met haar over
(het afgeven van) de verklaring heeft gesproken.
Het gesprek duurde kort en klaagster heeft daarin aangegeven dat zij weer wilde re- integreren, wat
zij in een eerder gesprek met een andere bedrijfsarts ook al had aangegeven. Volgens de
bedrijfsarts is de wens van klaagster om weer aan het werk te gaan, juist niet besproken: partijen
waren het erover eens dat re-integratie vanwege de medische situatie van klaagster geen optie was.
De bedrijfsarts heeft verder aangevoerd dat is besproken dat het derde ziektejaar bijna voorbij was
en dat de werkgever dan vermoedelijk ofwel ontslag zou aanvragen ofwel een
vaststellingsovereenkomst zou aanbieden.

5.7 De lezingen van klaagster en de bedrijfsarts over wat er tijdens het spreekuur op 27 augustus
2024 is besproken, staan diametraal tegen over elkaar. Het college kan daarom alleen afgaan op
hetgeen is opgenomen in de aantekeningen die de bedrijfsarts van het gesprek heeft gemaakt. Daarin
staat dat re-integratie niet mogelijk is en voorlopig ook niet aan de orde lijkt en dat klaagster
het daarmee eens is. Die conclusie sluit aan op het verdere dossier van klaagster waaruit volgt dat
sprake is van depressie en PTSS, dat klaagster op de wachtlijst van het Z staat (en op 27 augustus
2024 nog steeds stond), dat het dagelijks leven van klaagster niet op orde is en dat haar situatie
in drie jaar niet is verbeterd. In de aantekeningen staat ook dat na het derde ziektejaar in de
regel ontslag wordt aangevraagd of een vaststellingsovereenkomst wordt aangeboden. De wens van
klaagster om weer aan het werk te gaan staat niet in de aantekeningen en daaruit blijkt evenmin dat
die wens in een eerder gesprek aan de orde is geweest.

5.8 Dat de 26 weken-verklaring expliciet is besproken, kan uit de aantekeningen niet worden
opgemaakt. De passage waarin wordt verwezen naar die verklaring is immers pas toegevoegd nadat de
bedrijfsarts navraag had gedaan en, zoals zij zelf heeft aangevoerd, begreep zij pas op 13
september 2024 dat die prognose moest worden opgemaakt. Zoals hiervoor al is overwogen, is de 26
weken-verklaring een door de bedrijfsarts op te maken verklaring waarin haar eigen conclusies zijn
weergegeven en waarvoor de instemming van de werknemer niet nodig is. Dat de bedrijfsarts op basis
van hetgeen blijkens haar aantekeningen op het spreekuur van 27 augustus 2024 besproken is, heeft
aangenomen dat klaagster het met die conclusies eens was, is begrijpelijk, mede omdat de
bedrijfsarts niet wist dat klaagster zich inmiddels volledig hersteld had gemeld. Een
tuchtrechtelijk verwijt kan de bedrijfsarts hiervan niet worden gemaakt.

5.9 Gelet op het voorgaande is evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de bedrijfsarts de
verklaring niet heeft willen rectificeren: daarin staan haar eigen conclusies en er was voor de
bedrijfsarts geen reden om die te wijzigen. Rectificatie zou alleen aan de orde zijn voor wat
betreft de onjuiste vermelding van de datum waarop het spreekuur had plaatsgevonden. Daartoe was en
is de bedrijfsarts bereid, maar dat is niet waar het klaagster om lijkt te gaan.

5.10 De klachtonderdelen a, b en d zijn ongegrond.

Klachtonderdeel c
5.11 De klacht dat de bedrijfsarts klaagster niet heeft teruggebeld en haar niet te woord heeft
gestaan, kan niet slagen. Uit het dossier van klaagster bij D volgt niet dat klaagster, toen zij op
3 oktober 2024 belde, heeft verzocht om teruggebeld te worden. Klaagster is verzocht haar reactie
per e-mail in te sturen, wat zij op 5 november 2024 deed. De bedrijfsarts heeft toegelicht dat zij
naar aanleiding van die e-mail zelf contact met klaagster wilde opnemen, maar nog voor dat zij dit
had gedaan, de onderhavige klacht was ingediend. Dat de bedrijfsarts er toen voor heeft gekozen om
geen contact meer op te nemen maar klaagster via haar verweerschrift nader te informeren, is niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel c is ook ongegrond.

Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.


6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 14 oktober 2025 door J.J. Dijk, voorzitter, W.M. Creemers, lid-
jurist, J. Dogger, R.P. van Straaten en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.C. Brand, secretaris.