ECLI:NL:TGZRAMS:2025:237 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7907
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:237 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-10-2025 |
| Datum publicatie: | 10-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7907 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster verwijt de huisarts met name dat de huisarts haar fysieke klachten onterecht afdeed als psychische klachten, dat zij ten onrechte een ‘no-show’-boete heeft gekregen en dat haar toegang tot huisartsenzorg is ontzegd. Het college vindt dat telkens adequaat is gereageerd op de hulpvraag van klaagster en dat de klachten niet zijn afgedaan als psychisch. Het opleggen en de hoogte van de ‘no-show-boete was niet onredelijk. Niet gebleken is dat klaagster is uitgesloten van medische zorg. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond. |
A2024/7907
Beslissing van 10 oktober 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 10 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de huisarts
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is op verschillende momenten bij de huisarts geweest. Zij is ontevreden
over de zorg die de huisarts heeft geleverd. Zij vindt met name dat de huisarts haar
fysieke klachten onterecht afdeed als psychische klachten. Ook vindt zij dat zij ten
onrechte een ‘no-show’-boete heeft gekregen en dat haar toegang tot de zorg van de
huisarts is ontzegd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 4 december 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 18 juli 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 De huisarts is praktijkhouder van D, samen met huisarts E (hierna: de collega-huisarts),
tegen wie door klaagster ook een tuchtklacht is ingediend met kenmerk A2024/7908.
Klaagster, geboren in 1992, was van oktober 2021 tot en met april 2024 patiënt bij
de huisartsenpraktijk. Zij werd door beide huisartsen regelmatig gezien.
3.2 Op 20 oktober 2021 stond de eerste afspraak van klaagster bij de huisarts gepland.
Het ging om een kennismaking. Klaagster is toen niet op de afspraak verschenen.
In de middag is zij echter alsnog naar de praktijk gekomen en heeft de afspraak plaatsgevonden.
Zij meldde tijdens de afspraak dat zij last had van aanhoudende pijn in de rechteronderbuik.
De huisarts heeft lichamelijk onderzoek verricht en kon niet direct een oorzaak voor
de klachten vinden. Hij heeft toen bloedonderzoek en een onderzoek van de ontlasting
aangevraagd.
3.3 Op 25 oktober 2021 belde de huisarts klaagster en liet hij weten dat de uitslag
van
het bloedonderzoek goed was. Klaagster had echter geen ontlasting ingeleverd voor
onderzoek dus daar had hij geen uitslag van. De huisarts adviseerde haar dat alsnog
te doen.
3.4 Op 14 januari 2022 kwam klaagster bij de collega-huisarts vanwege
hoofdpijnklachten. De collega-huisarts vermoedde dat sprake was van migraine. Zij
heeft toen metoprolol 50mg en sumatriptan – zo nodig – voorgeschreven. Er werd afgesproken
na 2 weken te evalueren. Ook werd klaagster gewezen op Thuisarts.nl en werd haar geadviseerd
om een hoofdpijndagboek bij te houden.
3.5 Op 24 maart 2022 kwam klaagster samen met haar moeder op consult. Zij was
ontevreden over de behandeling van de internist-endocrinoloog waar zij onder behandeling
was. Zij vond dat er te weinig onderzoek werd gedaan naar haar ernstige vermoeidheidsklachten.
Zij was in het ziekenhuis intern verwezen naar de longarts en cardioloog. Zij sprak
met de huisarts af daar afspraken mee te maken voor nader onderzoek.
3.6 Op 13 april 2022 belde klaagster naar de huisartsenpraktijk in verband met koorts
en
griepklachten. Klaagster wilde graag een bloedonderzoek. De huisarts raadde klaagster
aan een Covid-test te doen en gaf haar een zogeheten vangnetadvies.
3.7 Op 1 juni 2022 werd de collega-huisarts gebeld door een arts van een FACT-team
waar klaagster onder behandeling was vanwege haar PTSS. Hij wilde overleggen over
het inzetten van somatisch onderzoek bij klaagster. Klaagster had aangegeven bij hem
een genetisch onderzoek te willen. De collega-huisarts heeft toen bevestigd dat klaagster
onder behandeling was geweest bij de internist en dat zij een ontslagbrief had gekregen.
De collega-huisarts heeft aangegeven dat klaagster bij de huisarts kon komen met een
duidelijke vraag als er een vervolg nodig zou zijn.
3.8 Op 16 juni 2022 kwam klaagster op consult bij de huisarts vanwege langdurige, invaliderende hoofdpijn aan de linkerkant. Klaagster vertelde aan de huisarts dat er geen verband was met psychische klachten (zoals PTSS) en dat ook de arts van het FACT-team pleitte voor uitsluiting van een somatische oorzaak. De huisarts heeft haar doorverwezen naar de neuroloog en (opnieuw) naar een internist-endocrinoloog vanwege een verdenking op hereditair angio-oedeem dan wel een allergie. De huisarts stelde ook voor een groot overleg te laten plaatsvinden tussen de huisarts, de arts van het FACT-team en klaagster.
3.9 Op 9 december 2022 zag de collega-huisarts klaagster in verband met buikpijnklachten. Zij heeft toen bloedonderzoek en een onderzoek van de ontlasting ingezet.
3.10 Op 14 december 2022 kwam klaagster bij de collega-huisarts omdat zij met haar schenen tegen een houten rand van een bank had gestoten. De collega-huisarts heeft de schenen onderzocht en concludeerde dat er een klein, droog korstje zat. Er was geen zwelling of blauwe plek. Zij dacht er sprake was van een kneuzing en geen breuk.
3.11 Op 15 december 2022 had de collega-huisarts een telefonisch consult met klaagster. Zij bespraken dat de internist had vastgesteld dat er sprake was van het Syndroom van Gilbert. Er was geen verder onderzoek of behandeling nodig.
3.12 Op 28 december 2022 had klaagster via het digitaal Portaal een afspraak ingepland maar zij is niet verschenen.
3.13 Op 6 januari 2023 had klaagster een telefonisch consult staan maar zij was niet bereikbaar.
3.14 Op 16 januari 2023 had klaagster een afspraak ingepland maar zij verscheen niet. Naar aanleiding hiervan ontving klaagster een factuur voor no-show van 27 euro. Ook werd het Portaal, afgesloten voor klaagster.
3.15 Op 19 november 2023 stuurde klaagster een e-mail naar de huisarts waarmee zij aangaf een nieuwe huisarts te willen. De volgende dag heeft de huisarts hierop per e-mail gereageerd. Hierna heeft klaagster zich ingeschreven bij een andere huisarts.
3.16 Op 23 januari 2024 heeft klaagster haar medisch dossier opgevraagd. Zij heeft dit op 30 januari 2024 ontvangen.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts:
1. het vernielen van klaagsters fysieke gezondheid door haar fysieke klachten niet
serieus te nemen en haar mentale welzijn te vernielen;
2. het niet verwijzen van klaagster naar de juiste poliklinieken en onderzoeken;
3. lasterlijke praat over haar persoonlijkheid en psychische toestand. Ondanks dat
het niet waar zou zijn, zou verweerder proberen klaagsters fysieke klachten af te
schrijven als psychische klachten; 4. schending van haar privacy. Verweerder zou zonder
toestemming contact hebben opgenomen met de psycholoog;
5. niet eerlijk en transparant te zijn geweest. Verweerder zou niet aan klaagster
hebben
teruggekoppeld wat hij met derden (psycholoog, specialist) zou hebben besproken;
6. het niet meewerken aan het achterhalen van de reden van haar vroegtijdige fysieke
invalidering en haar geen hulp te bieden;
7. het niet verwijzen van klaagster naar de juiste instanties die haar kunnen helpen
bij de praktische en sociaaleconomische problemen die waren ontstaan door haar vroegtijdige
fysieke invalidering;
8. pas na herhaald aandringen onderzoek uit te voeren naar haar geelzucht;
9. klaagster te hebben beboet voor het feit dat zij door de medisch verwaarloosde
invalidering haar afspraak heeft gemist. De reden voor beboeting was niet gegrond;
10. te profiteren van haar ziekte door geen hulp of zorg te verlenen, maar wel te
verdienen aan klaagsters patiëntenabonnement en boetes;
11. een te hoog boetebedrag te hebben opgelegd;
12. het niet afleggen van huisbezoeken;
13. klaagster uit te sluiten van alle medische zorg totdat zij de boete betaalde;
14. geen contact op te hebben genomen met klaagster na verzoeken van de Huisartsenpost.
Ook niet nadat de Huisartsenpost haar antibiotica voorschreef. Of enkele andere urgente
klachten, zoals ademhalingsklachten, ernstige slikproblemen en zelfs verslikken;
15. telefonisch niet bereikbaar te zijn. Klaagster zou hebben geprobeerd de praktijk
telefonisch te bereiken maar haar nummer werd opzettelijk niet beantwoord;
16. het onbereikbaar maken van het Portaal. Hierdoor kon klaagster geen gebruik
meer maken van de onlinediensten en contactmogelijkheden. Tevens zou haar medisch
dossier niet zijn verstrekt;
17. klaagster in een gijzelingsgreep te hebben gehouden. Hij heeft klaagster verbannen
van medische zorg en werkte haar inschrijving bij andere huisartsen tegen.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
5.2 Gezien de samenhang van sommige klachtonderdelen, zullen deze gezamenlijk worden
besproken.
Klachtonderdelen 1, 2, 3, 6 en 7
5.3 Deze klachtonderdelen zien er samengevat op dat de huisarts klaagsters fysieke
klachten niet serieus heeft genomen, dan wel ten onrechte heeft afgedaan als psychische
klachten. Klaagster zou niet zijn verwezen naar de juiste zorgverleners en instanties.
5.4 Het college stelt vast dat de huisarts klaagster verschillende keren heeft gezien voor verschillende klachten. Toen klaagster zich meldde met buikklachten, is vervolgonderzoek ingezet. Bij de hoofdpijnklachten kreeg klaagster een verwijzing naar de neuroloog en de internist-endocrinoloog. Het college vindt dat hiermee telkens adequaat is gereageerd op de hulpvraag van klaagster en dat de klachten niet zijn afgedaan als psychisch. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdelen 4 en 5
5.5 Klaagster stelt dat de huisarts haar privacy heeft geschonden door contact op
te nemen met haar psycholoog en met andere specialisten. De huisarts ontkent dit.
5.6 Het college ziet in het dossier niet terug dat de huisarts contact heeft opgenomen met de psycholoog van klaagster of andere zorgverleners. Hij heeft klaagster wel verwezen naar medisch specialisten, maar dit is in overleg met klaagster gegaan. Deze klachtonderdelen zijn bij een gebrek aan feitelijke grondslag ongegrond.
Klachtonderdeel 8
5.7 Klachtonderdeel 8 gaat erover dat de huisarts geen onderzoek heeft gedaan naar
geelzucht.
5.8 Het college ziet in het dossier dat de collega-huisarts met klaagster heeft besproken dat er sprake was van het Syndroom van Gilbert, een leveraandoening waarbij geelzucht kan voorkomen. Er werd besproken dat er geen verdere behandeling nodig was. Het college ziet verder in het dossier geen consulten waarbij een vermoeden van geelzucht met de huisarts is besproken of aan de orde was. Dit klachtonderdeel ziet dan ook niet op handelen of nalaten van de huisarts en is ongegrond.
Klachtonderdelen 9, 10, 11, en 13
5.9 Deze klachtonderdelen gaan over het feit dat klaagster een no show-boete kreeg
van 27 euro toen zij een aantal keer niet op haar afspraak verscheen. Klaagster stelt
dat deze boete onterecht is en dat dit boetebedrag te hoog is, en dat zij door haar
ziekte niet in staat was om op de afspraken kon verschijnen. Tevens zou de huisarts
op deze manier aan klaagster verdienen. Ook zou klaagster zijn uitgesloten van medische
zorg totdat zij de boete betaalde.
5.10 Het college overweegt dat het bij huisartsen gangbaar is om de patiënt een
tarief in rekening te brengen bij het niet verschijnen op de afspraak zonder bericht.
De tijd van een huisarts is schaars en kostbaar. De bedoeling van dit tarief is dat
wordt voorkomen dat de huisarts voor niets op patiënten wacht, terwijl deze tijd ook
aan een andere patiënt kan worden besteed. Een bedrag van 27 euro acht het college
redelijk en in overeenstemming met de praktijk. Het tarief van 27 euro is als ‘wegblijftarief’
ook op de website van de praktijk vermeld, waardoor deze regel ook kenbaar is voor
klaagster. Dat klaagster te ziek zou zijn geweest om op de door haar zelfgemaakte
afspraken te verschijnen is niet komen vast te staan. Bovendien is het tarief pas
in rekening gebracht nadat zij binnen drie weken tijd driemaal niet op een afspraak
was verschenen.
5.11 Verder blijkt niet dat klaagster is uitgesloten van medische zorg. De huisarts heeft inderdaad aan klaagster per e-mail laten weten dat zij welkom is op het spreekuur als zij eerst de boete betaalt. Een paar dagen hierna heeft klaagster echter de huisarts gebeld voor hulp en zij is toen ook geholpen. Klaagster is dus niet uitgesloten geweest van medische zorg. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdeel 12
5.12 Klaagster verwijt de huisarts dat hij geen huisbezoeken heeft afgelegd.
5.13 Het college overweegt op basis van het dossier dat het afleggen van huisbezoeken niet tussen de huisarts en klaagster ter sprake is geweest. Bovendien moet er een indicatie zijn voor een huisbezoek, zoals de situatie dat een patiënt te ziek is om naar de praktijk te komen. Het college kan niet vaststellen dat van een dergelijke situatie sprake was. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 14
5.14 Klaagster stelt dat de huisarts geen contact heeft opgenomen met haar nadat
klaagster bij de Huisartsenpost was geweest en de Huisartsenpost daarom had verzocht.
De huisarts stelt dat hij geen verzoek van de Huisartsenpost heeft gekregen om contact
op te nemen met klaagster.
5.15 Het college overweegt dat de Huisartsenpost doorgaans een bericht naar de eigen huisarts stuurt met een samenvatting van de behandeling of advies. Alleen als er dan nog vragen zijn aan de kant van de Huisartsenpost of van de huisarts, ligt het voor de hand dat er contact plaatsvindt. De huisarts heeft aangevoerd dat er in het geval van klaagster geen vragen waren en er ook anderszins geen aanleiding was om contact op te nemen met klaagster of de Huisartsenpost. Het college kan ook geen dergelijk bericht of verzoek van de HAP in het huisartsendossier vinden. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdelen 15, 16, 17
5.16 Klaagster noemt dat haar telefoontjes opzettelijk niet beantwoord werden als
zij naar de praktijk belde. Ook zou het Portaal waarin klaagster afspraken inplande
onbereikbaar voor klaagster zijn gemaakt. Verder zou de huisarts de inschrijving van
klaagster bij een andere praktijk hebben tegengehouden door haar niet uit te schrijven.
Ten slotte zou het medisch dossier niet aan klaagster zijn verstrekt toen zij daarom
vroeg.
5.17 Het college kan niet vaststellen dat de huisarts opzettelijk de telefoontjes van klaagster niet zou opnemen. Het klopt dat het Portaal voor klaagster is gesloten omdat zij meerdere keren afspraken inplande en niet kwam opdagen. Klaagster is hiervan per e-mail op de hoogte gesteld. Zij mocht nog wel steeds telefonisch afspraken inplannen. Het college ziet ook dat klaagster daarna nog verschillende keren heeft gebeld en toen is geholpen. Het college acht hiermee de toegang tot de zorg van de huisarts voldoende gewaarborgd.
5.18 Wat klaagster heeft gezegd over het niet willen uitschrijven van klaagster, heeft het college niet kunnen vaststellen. Uit de e-mailcorrespondentie tussen klaagster en de huisarts blijkt juist dat de huisarts een optie voor een nieuwe huisarts aan klaagster heeft voorgesteld.
5.19 Ten slotte ziet het college in het huisartsendossier dat er op 30 januari 2024 een afschrift van het medisch dossier van klaagster aan haar is verstrekt.
5.20 De klachtonderdelen zijn gezien het bovenstaande ongegrond.
Slotsom
5.21 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 10 oktober 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
A. Wewerinke, M.C. Wolfs-Smits, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.A. Weiland,
secretaris.