ECLI:NL:TGZRAMS:2025:229 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8312
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:229 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-10-2025 |
| Datum publicatie: | 03-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8312 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. In het kader van de verlenging van een gehandicaptenparkeerkaart heeft de arts een medische keuring uitgevoerd bij klager. Klager verwijt de arts onder andere dat hij geen 100 meter heeft gelopen en de arts de afgelegde afstand niet heeft onderbouwd. De arts heeft met een uitdraai van Google Maps aangetoond dat de afstand meer dan honderd meter moet zijn geweest. Het college ziet geen reden om aan te nemen dat de bevindingen van Google Maps niet kloppen. Ook de andere klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 3 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende te b,
klager,
tegen
C,
arts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. L. Wijnbergen, werkzaam te Groningen.
1. De zaak in het kort
1.1 In het kader van de verlenging van een gehandicaptenparkeerkaart heeft de arts
op 21 november 2024 een medische keuring uitgevoerd bij klager. In het kader van deze
keuring heeft de arts klager een stuk laten lopen om te beoordelen of hij in staat
is om honderd meter aaneengesloten te lopen. Klager verwijt de arts onder meer dat
hij niet een afstand van honderd meter heeft gelopen. Ook heeft de arts volgens klager
niet onderbouwd hoe hij tot de door hem becijferde afstand is gekomen en heeft de
arts klager niet op de hoogte gesteld van de bevindingen die in het rapport zouden
worden vermeld. Tot slot verwijt klager de arts dat hij na afloop van de keuring geen
contact meer met hem heeft kunnen krijgen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht, voor zover deze tegen de arts is gericht, kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de aanvullende stukken van klager;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 24 juni 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
3.1 Klager verwijt de arts – naar het college begrijpt - dat hij:
a) niet heeft onderbouwd hoe hij tot de afgelegde afstand is gekomen en daarnaast
niet zijn beslissing heeft willen herzien;
b) in het rapport heeft opgeschreven dat hij klager heeft ingelicht over zijn besluit
en dat klager het hiermee eens zou zijn;
c) geen contact meer heeft opgenomen met klager na het korte mailcontact.
3.2 De arts heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren voor zover zijn klacht ziet op E. Voor het overige heeft hij verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
3.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
4.1 Het college is met de arts van oordeel dat klager ten aanzien van zijn klacht
over het optreden van E niet-ontvankelijk is, nu dit onderdeel van de klacht niet
gericht is op het handelen van de arts zelf. Het college zal de klacht, voor zover
deze ziet op E, daarom niet verder inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
4.2 De vraag is of de (verzekerings)arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
4.3 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt.
Klachtonderdeel a) geen onderbouwing van de afgelegde afstand
4.4 Door klager is aangevoerd dat hij tijdens de keuring niet de honderd meter heeft
gelopen die vereist zijn om te kunnen beoordelen of iemand in aanmerking komt voor
een gehandicaptenparkeerkaart. Volgens klager heeft hij maximaal 78 meter gelopen.
4.5 De arts heeft deze stelling betwist en aangevoerd dat klager wel degelijk meer dan honderd meter heeft gelopen. De arts gebruikt een vaste route, zodat hij zeker weet dat deze afstand wordt gehaald. In zijn verweerschrift heeft de arts met een uitdraai van Google Maps aangetoond dat het meer dan honderd meter moeten zijn geweest, mede gelet op het feit dat de gelopen afstand binnen in het pand, zoals gebruikelijk, ook is meegerekend.
4.6 Het college overweegt dat de arts voldoende heeft gemotiveerd dat klager meer dan honderd meter heeft gelopen. Het college ziet geen reden om aan te nemen dat de bevindingen van Google Maps niet kloppen. Dit klachtonderdeel faalt.
Klachtonderdeel b) mededeling van de arts
4.7 Klager verwijt de arts verder dat hij tijdens het consult niet heeft verteld
wat er in het rapport zou worden vermeld. In het rapport staat vermeld: ‘Cliënt is
geïnformeerd over het advies’ en ‘Cliënt kan zich niet met de conclusie van het advies
verenigen.’
4.8 De arts heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat hij tijdens het consult aan klager heeft verteld wat zijn bevindingen waren en dat zijn advies zou worden verzonden aan de gemeente. Voorts heeft hij toegelicht dat het uiteindelijk aan de gemeente is om de gehandicaptenparkeerplaats wel of niet toe te kennen.
4.9 Nu beide partijen een verschillende lezing geven van hetgeen tijdens het consult door de arts is gezegd, kan het college niet als feit vaststellen wat de arts tijdens het consult wel of niet heeft verteld. Hier staat namelijk het woord van de een tegenover dat van de ander. Omdat een vaststaande feitelijke grondslag ontbreekt, is dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel c) geen reactie van de arts
4.10 Op 2 december 2024 heeft klager een mail gestuurd aan E waarin hij aangeeft
bezwaar te maken tegen het uitgebrachte advies van de arts. Nog diezelfde dag is door
een medewerker van de backoffice geantwoord dat een bezwaarprocedure via de gemeente
loopt en dat de gemeente eventueel een second opinion kan laten uitvoeren door een
andere arts. Klager verwijt de arts dat hij niet persoonlijk contact heeft opgenomen
met klager.
4.11 Het college is van oordeel dat de arts niet gehouden was verder te reageren op
de e-mail van klager. De arts had zijn advies uitgebracht en het was aan de gemeente
om een beslissing te nemen en eventueel een aanvraag tot herbeoordeling in behandeling
te nemen. Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft de arts hier nog aan toegevoegd
dat het in procedures als deze gebruikelijk is dat eventuele vragen over een uitgebracht
advies via de gemeente lopen en er dus geen rechtstreeks contact meer is met de gekeurde
persoon. Dit klachtonderdeel is daarom ook ongegrond.
Slotsom
4.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk voor zover klachtonderdeel c) ziet op E. De
klacht is voor het overige in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 3 oktober 2025 door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter,
L.J. Knap, lid-jurist, H.A.M. Veneman, N.K.M. van der Plas en P. van Haren, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.