ECLI:NL:TGZRAMS:2025:227 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7911

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:227
Datum uitspraak: 03-10-2025
Datum publicatie: 03-10-2025
Zaaknummer(s): A2024/7911
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Klager verwijt de verzekeringsarts onder andere dat hij onvoldoende en onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. Het college overweegt dat een verzekeringsarts in beginsel zelf mag bepalen op welke manier hij een medisch onderzoek verricht. In dit geval, gegeven de gerapporteerde klachten en hetgeen klager over de verslechtering in zijn lichamelijke en geestelijke toestand had gesteld en met stukken van zijn behandelend specialisten had onderbouwd, acht het college een kort telefonisch consult (in plaats van een fysiek onderzoek) echter ontoereikend. De verzekeringsarts heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. Het college legt de maatregel van berisping op.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM

Beslissing van 3 oktober 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,
gemachtigden: C en mr. Y. van der Linden, laatstgenoemde is werkzaam in Helmond.

tegen

D,
verzekeringsarts,
werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. E, werkzaam in F.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft – onder andere – op 22 september 2022 een verslechtering van zijn gezondheid doorgegeven aan het G. Na de melding van de verslechtering is klager gediagnostiseerd met het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en is zijn gezondheid verder verslechterd. Op 4 augustus 2023 heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden met de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft hierna geconcludeerd dat klager 35 uur per week kan werken en dat zijn belastbaarheid verder niet is veranderd.

1.2 Klager verwijt de verzekeringsarts dat hij onvoldoende en onzorgvuldig onderzoek heeft verricht, actuele informatie heeft genegeerd en conclusies heeft getrokken die haaks staan op de gezondheidsstatus van klager op dat moment. De verzekeringsarts heeft verweer gevoerd en stelt zich op het standpunt dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de verzekeringsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 4 december 2024;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de aanvullende stukken van klager binnengekomen op 25 februari 2025 en 2 april 2025;
- het proces-verbaal van het op 10 april 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de aanvullende stukken van verweerder binnengekomen op 26 juni 2025;
- de aanvullende stukken van klager binnengekomen op 13 juli 2025;
- de aanvullende stukken van klager binnengekomen op 11 augustus 2025.

2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 22 augustus 2025. De echtgenote (tevens gemachtigde) van klager was aanwezig, vergezeld door de gemachtigde van klager en een deskundige, dr. H. Klager was afwezig. Verweerder was aanwezig en werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.3 De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd. Ook is aan de kant van klager ter zitting nog een productie ingediend.

3. De feiten

3.1 Klager is sinds 14 juli 2019 ziekgemeld. Zijn aanvraag voor een WIA-uitkering is per 14 december 2021 afgewezen; klager werd minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Op 22 september 2022, 29 mei 2023 en 19 juli 2023 heeft klager verslechteringen van zijn gezondheid gemeld bij het G.

3.2 Op 14 februari 2023 is klager na onderzoek door een internist gediagnostiseerd met CVS. In een brief concludeerde de internist: ‘Ernstige chronische vermoeidheidsklachten en onder meer verminderde cognitieve functie’.

3.3 Ongeveer één jaar na de eerste melding van de verslechtering, vindt er op 4 augustus 2023 een telefonisch gesprek plaats met de verzekeringsarts. Dit gesprek duurde vijftien minuten.

3.4 Op 4 augustus 2023 heeft de verzekeringsarts in zijn medisch onderzoeksverslag overwogen dat er ten aanzien van de aandacht, concentratie en overige cognitieve functies geen stoornissen waarneembaar waren en dat de belastbaarheid niet is veranderd. Klager werd vanaf 18 juli 2023 belastbaar geacht volgens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

3.5 In de FML heeft de verzekeringsarts opgenomen: “verwachting verbetering van de belastbaarheid is redelijk tot goed”. Daarnaast oordeelde de verzekeringsarts dat klager in staat zou moeten zijn om zeven uur per dag, respectievelijk 35 uur per week, te werken.

3.6 In de nacht van 6 december 2023 is klager in zijn woning onwel geworden en ten val gekomen. Hierop is de ambulancedienst ingeschakeld. In het verslag van de ambulancedienst staat vermeld dat klager bekend is met hartklachten. Op 8 december 2023 is namens klager een wijzigingsformulier ingevuld. Dit formulier is door een medewerker van het G aan de verzekeringsarts voorgelegd, die hier op 15 december 2023 als volgt op heeft gereageerd: ‘Het gaat weer om in wezen dezelfde gezondheidsklachten’.

4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts

4.1 Klager verwijt de verzekeringsarts dat:
a) hij bij zijn beoordeling onzorgvuldig en niet objectief heeft gehandeld en dat hij bij zijn onderzoek een onjuiste focus heeft gehad en de belastbaarheid onzorgvuldig heeft beoordeeld;
b) hij in zijn rapportage onzorgvuldigheden en onjuistheden heeft opgenomen, ook is zijn rapport misleidend omdat er verouderde en willekeurige gegevens in zijn opgenomen;
c) hij geen onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van de melding van 8 december 2023;
d) hij klager gebrekkig heeft begeleid bij zijn re-integratie;
e) zijn handelen financiële en sociale gevolgen heeft gehad.

4.2 De verzekeringsarts heeft het college verzocht om de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de verzekeringsarts heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2 Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg moet een deskundigenrapport zoals in deze zaak aan de orde, worden getoetst aan de volgende criteria: (1) het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust; (2) het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden; (3) in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen; (4) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen en (5) de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid. Het tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.3 Tegen deze achtergrond overweegt het college over de klacht het volgende, waarbij geldt dat de klachtonderdelen a), b) en c) vanwege hun samenhang gezamenlijk zullen worden behandeld.

Klachtonderdeel a) het door de verzekeringsarts verrichte onderzoek, b) de rapportage en c) het niet-instellen van nader onderzoek
5.4 Klager verwijt de verzekeringsarts – samengevat – dat hij geen gedegen onderzoek heeft uitgevoerd naar zijn situatie. Het onderzoek heeft enkel via de telefoon plaatsgevonden, waarna er voor klager onbegrijpelijke conclusies zijn getrokken over zijn belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft bovendien nagelaten recente medische informatie te betrekken in zijn beoordeling. De door de verzekeringsarts opgestelde rapportage voldoet daarmee niet aan de minimumeisen van zorgvuldigheid en controleerbaarheid. In het bijzonder wordt aan het derde genoemde criterium uit de jurisprudentie niet voldaan (‘in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen’).

5.5 De verzekeringsarts heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de situatie van klager op een zorgvuldige wijze heeft onderzocht en dat hij daarover inzichtelijk heeft gerapporteerd. Hij heeft alle drie de gemelde momenten van verslechtering meegenomen in zijn beoordeling en dat ook op die manier in zijn rapport vermeld. Voorts heeft hij toegelicht dat er naar zijn mening geen toegenomen beperkingen waren, omdat steeds sprake was van dezelfde ziekteoorzaak. Omdat de nieuwe ziekmelding van 8 december 2023 niet werd gedekt door de verzekering is daar geen rapport over opgesteld.

5.6 Uit het dossier en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat klager langere tijd kampt met vermoeidheidsklachten die in de afgelopen jaren steeds erger zijn geworden. Klager heeft daarover op meerdere momenten melding gedaan bij het G en is in februari 2023 uiteindelijk door een specialist gediagnostiseerd met CVS. Later dat jaar is klager beoordeeld door de verzekeringsarts die concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen.

5.7 Het college overweegt dat een verzekeringsarts in beginsel zelf mag bepalen op welke manier hij een medisch onderzoek verricht. In dit geval, gegeven de gerapporteerde klachten en hetgeen klager over de verslechtering in zijn lichamelijke en geestelijke toestand had gesteld en met stukken van zijn behandelend specialisten had onderbouwd, acht het college een kort telefonisch consult (in plaats van een fysiek onderzoek) echter ontoereikend. Hoewel uit het rapport van de verzekeringsarts naar voren komt dat de verzekeringsarts bepaalde aanvullende medische gegevens van de behandelend specialisten van klager heeft betrokken in zijn beoordeling, heeft hij geen nadere informatie ingewonnen bij deze specialisten en ook niet verder inzichtelijk gemaakt hoe hij, mede in het licht van de in februari 2023 door de internist omschreven toegenomen klachten en gestelde diagnose, tot zijn conclusies is gekomen. Als gevolg hiervan is de gedachtegang van de verzekeringsarts niet goed toetsbaar. Het advies van de verzekeringsarts borduurt voort op eerdere adviezen, terwijl er van een verzekeringsarts in een zaak als deze, waarin het toestandsbeeld volgens de behandelend sector evident is verslechterd, verwacht mag worden dat hij een eigen en nieuwe beoordeling maakt van de omstandigheden op dat moment. Dat heeft de verzekeringsarts nagelaten. Gelet op de medische informatie die voorhanden was op dat moment is het voor het college onnavolgbaar dat de verzekeringsarts tot een (feitelijk nagenoeg ongewijzigde) FML is gekomen.

5.8 Het college concludeert samenvattend dat de verzekeringsarts klager niet voldoende zorgvuldig heeft onderzocht, niet duidelijk heeft onderbouwd in zijn verslag hoe hij tot zijn bevindingen is gekomen en waarom hij bepaalde conclusies heeft getrokken. Gelet op de door klager geschetste tijdlijn en zijn medisch dossier, kan het college de bevindingen van de verzekeringsarts niet volgen. Op grond van het voorgaande oordeelt het college dat de klachtonderdelen a) en b) gegrond zijn.

5.9 Klachtonderdeel c) gaat over het feit dat de verzekeringsarts naar aanleiding van de melding van 8 december 2023 geen nader onderzoek heeft ingesteld. Op 15 december 2023 heeft de verzekeringsarts het formulier beoordeeld en geconcludeerd dat het in wezen niet om een nieuwe gezondheidsklacht ging, maar om een incident zonder blijvende gezondheidsschade. Het college kan deze gedachtegang van de verzekeringsarts volgen en acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat hij geen nader onderzoek heeft ingesteld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d) de re-integratiebegeleiding
5.10 Door klager is gesteld dat door de verzekeringsarts geen passend re-integratieplan is aangeboden. Er was van de zijde van de verzekeringsarts geen proactieve ondersteuning om de re-integratie van klager in het arbeidsproces te bevorderen.

5.11 Het college overweegt dat het niet de taak van de verzekeringsarts was om de re-integratie van klager te begeleiden. De verzekeringsarts had de opdracht gekregen om de medische situatie van klager te beoordelen en te bekijken welke beperkingen daaraan eventueel verbonden waren. Van een verwijtbaar gebrekkige re-integratiebegeleiding is dan ook niet gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel e) financiële en sociale gevolgen van het handelen van de verzekeringsarts
5.12 Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Hoewel uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat klager veel nadelige gevolgen heeft ondervonden van de situatie waarin hij zich bevindt, is het tuchtrecht niet bedoeld om de sociale en financiële gevolgen van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen te bespreken, nog daargelaten dat niet duidelijk is of en in hoeverre de beschreven gevolgen verband houden met het handelen van de verzekeringsarts.

Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a) en b) gegrond zijn en dat de overige klachtonderdelen ongegrond zijn.

Maatregel
5.14 Daarmee ligt de vraag voor welke gevolgen daaraan verbonden dienen te worden. De verzekeringsarts heeft naar het oordeel van het college op een gebrekkige en onzorgvuldige wijze onderzoek verricht en daaraan conclusies verbonden die het college niet kan volgen. Door conclusies van voorgangers zonder toetsbare gedachtegang over te nemen, heeft de verzekeringsarts nagelaten om de situatie van klager opnieuw deugdelijk te beoordelen. Het college acht dit handelen van de verzekeringsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5.15 Daar komt bij dat het college van oordeel is dat de verzekeringsarts – hoewel van goede wil – tijdens de zitting weinig blijk heeft gegeven te willen of durven reflecteren op zijn handelen, hoewel hij daartoe door de vragen en opmerkingen van het college wel is uitgenodigd. Gelet op de aard en de ernst van de tuchtrechtelijke verwijten, kan niet worden volstaan met een waarschuwing. Het college acht een berisping op zijn plaats.

Publicatie
5.16 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere verzekeringsartsen mogelijk van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

Kostenveroordeling
5.17 Klager heeft verzocht de verzekeringsarts te veroordelen in de kosten die hij heeft gemaakt in deze procedure, en in de kosten voor het inschakelen van de deskundige
dr. H. Zo’n kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Omdat dit hier aan de orde is, zal het college het verzoek met inachtneming van artikel 69 lid 5 van de Wet BIG beoordelen.

5.18 Het college begroot de kosten aan de hand van de ‘Oriëntatiepunten kostenveroordeling tuchtcolleges voor de gezondheidszorg’ en rekenend met forfaitaire bedragen, op € 2.180,50. Dit bedrag bestaat uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van € 970,50, waarbij één punt wordt toegekend voor de zitting en een half punt voor het opstellen van het document van 7 augustus 2025 (à € 647,- per punt bij een normale zaakzwaarte zoals hier aan de orde). Het bedrag bestaat daarnaast uit kosten van de deskundige, voor zover die rechtstreeks verband houden met de tuchtprocedure (het voorbereiden van de zitting en afleggen van een verklaring op de zitting, zie bijlage IV van klager) à € 1.210,-. Daarnaast is het zo dat het griffierecht bij een (deels) gegronde klacht door het college wordt terugbetaald.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond;
- legt de verzekeringsarts de maatregel op van een berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, ter publicatie zal worden aangeboden aan Medisch Contact en aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde;
- veroordeelt de verzekeringsarts in de hierboven vastgestelde kosten van klager van in totaal € 2.180,50;
- veroordeelt de verzekeringsarts dit bedrag – nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden – te voldoen op de bankrekening van klager, binnen vier weken nadat de gemachtigde van klager aan de gemachtigde van de verzekeringsarts schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop het bedrag kan worden gestort, heeft laten weten.

Deze beslissing is gegeven door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist, H.A.M. Veneman, N.K.M. van der Plas en P. van Haren, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.