ECLI:NL:TGZRAMS:2025:226 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/7989

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:226
Datum uitspraak: 02-10-2025
Datum publicatie: 03-10-2025
Zaaknummer(s): A2025/7989
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster is de echtgenote van de inmiddels overleden patiënt. De patiënt was enige tijd opgenomen in een ziekenhuis. Tegen het einde van de opname bleek dat de patiënt na zijn opname moest revalideren. Er ontstond tussen het ziekenhuis en de familie van de patiënt een discussie over de beste vervolgplek voor de patiënt. De verpleegkundige is werkzaam als transferverpleegkundige en heeft meerdere gesprekken met de familie gevoerd. Klaagster verwijt de verpleegkundige onder andere dat zij de familie onder druk heeft gezet te kiezen voor een zogenaamde 9b-plek - een indicatie voor geriatrische revalidatiezorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) terwijl de familie dat niet wilde.  Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 2 oktober 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,

tegen

C,
verpleegkundige,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigde: mr. D. Zwartjens, werkzaam te Leiden.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is de echtgenote van de inmiddels overleden patiënt. De patiënt was enige tijd opgenomen in een ziekenhuis. Tegen het einde van de opname bleek dat de patiënt na zijn opname moest revalideren. Er ontstond tussen het ziekenhuis en de familie van de patiënt een discussie over de beste vervolgplek voor de patiënt.

1.2 De verpleegkundige is werkzaam als transferverpleegkundige en heeft meerdere gesprekken met de familie gevoerd. Klaagster verwijt de verpleegkundige onder andere dat zij de familie onder druk heeft gezet te kiezen voor een zogenaamde 9b-plek - een indicatie voor geriatrische revalidatiezorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) terwijl de familie dat niet wilde.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 december 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de e-mail van klaagster van 19 mei 2025, met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 27 mei 2025;
- de e-mail van de gemachtigde van de verpleegkundige van 2 juli 2025
- de e-mail van klaagster van 6 juli 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 De patiënt, geboren in 1939, is op 20 maart 2024 opgenomen in het D vanwege hartfalen en een delirant toestandsbeeld. Tijdens deze opname kreeg de patiënt op 23 maart 2024 een herseninfarct en werd hij overgeplaatst naar de afdeling neurologie.

3.2 Op 3 april 2024 vond er een multidisciplinair overleg (MDO) plaats waarin de
behandeling van de patiënt werd besproken. De verpleegkundige is transferverpleegkundige en was bij dit MDO aanwezig. Over het MDO is het volgende genoteerd in het medisch dossier:
“Groot MDO 03-04-2024
Vpk: begrip is gestoord. Soms gaat het heel goed, soms gaat het slecht. ’s morgens het beste.
Fysiotherapie: met manuele ondersteuning. Lopen met rollator. Neigt naar smal gangspoor. Niet te corrigeren, door gestoord begrip. Coöperatief.
Ergotherapie: ernstig cognitief gestoord. ADL observatie: snapt niet wat hij met een washand moet doen. Arm-hand oefeningen kan hij niet. Begrijpt niet wat hij moet doen bij bepaalde opdrachten. Wil graag dingen vertellen, maar is niet te begrijpen. Was veel beter voor opname.
Specialist ouderengeneeskunde:
Transferpunt:
Logo: moeizaam. Weinig verandering. Fors fatisch. Vrouw denkt dat begrip goed is.
Reva:
Conclusie: wacht op GRZ. Door weinig vooruitgang mogelijk indicatie voor 9B.”

3.3 Na het MDO vond er diezelfde dag een familiegesprek plaats, dit vond plaats op de
kamer van de patiënt. Naast de verpleegkundige was er een arts-assistent aanwezig. De arts-assistent heeft in het dossier het volgende genoteerd over het gesprek:
“A/
Met patient, partner, en transfer
Patient knapt helaas niet snel op. Gaat stapje voor stapje. Dit staat de GRZ aanvraag in de weg. Er zijn meerdere keuzes.
1) 9B bed aanvragen, waarbij patient 6mnd de tijd heeft om te revalideren. Hierna kan een beslissing worden genomen of patient weer naar huis kan. Echter zou het ook kunnen dat het hierna een langdurig verblijf in een verzorg tehuis word.
2) we gaat een kort durende periode GRZ aanvragen (4wk), en patient gaat daarna naar huis maar is niet terug op het niveau dat hij eerst was.
3) een ELV bed in regio F.
Partner wilt dit eerst met familie overleggen voordat ze een beslissing maakt. Gaat eerst uitzoeken waarom GRZ niet langer zou kunnen, wilt hiervoor met de zorgverzekering bellen. Gaat daarna uitzoeken wat de beste plek voor GRZ is.
E heeft parten het nummer van de transfer gegeven en partner gaat wellicht morgen bellen met wat ze willen voor patient.”

3.4 Op 4 april 2024 is de verpleegkundige naar de kamer van de patiënt gelopen om
opnieuw in gesprek te gaan met de patiënt en zijn familie. Naast de patiënt was alleen de dochter van de patiënt bij dit gesprek aanwezig.

3.5 Op 5 april 2024 heeft de verpleegkundige nogmaals een gesprek gevoerd met de
familie van de patiënt. Er ontstond een discussie over wie de keuze mocht maken met betrekking tot de vervolgplek van de patiënt: het ziekenhuis of de familie.

3.6 Diezelfde dag vond er een MDO plaats om de patiënt opnieuw te bespreken. De
verpleegkundige was hierbij aanwezig. Hierna is de verpleegkundige niet meer betrokken geweest bij de patiënt.

3.7 De discussie over de juiste vervolgplek duurde nog enige tijd voort. Op 17 april 2024
is de patiënt naar huis gegaan. Voor zover relevant voor de klacht is daarover het volgende in de ontslagbrief geschreven:
“(…) Vanaf 02-04-2024 was patiënt medisch klaar in afwachting van het natraject. De paramedici waren in consult en patiënt werd 2 keer per week besproken op het MDO en daarbij werd een indicatie voor 9B revalidatie danwel een WLZ indicatie gesteld. Er werd meerdere keren overwogen of er toch geen indicatie voor GRZ was, aangezien familie dat graag zou willen voor patiënt, maar deze indicatie kon niet afgegeven worden.
Het lukte in meerdere gesprekken helaas niet om met de familie tot overeenstemming te komen t.a.v. het natraject. Uiteindelijk gaf familie aan patiënt graag mee naar huis te willen nemen en zelf de zorg thuis te regelen. Op 17-04-2024 is patiënt met ontslag naar huis gegaan. Er zal op 18-04-2024 nog een gesprek met onze transferverpleegkundige volgen om de juiste zorg thuis te regelen. (…)”.

4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klaagster heeft in haar klaagschrift de verpleegkundige 14 verwijten gemaakt. Het gaat om de volgende punten, die bij de beoordeling nader geconcretiseerd zullen worden:
1. Misleiding, manipulatie en onthouden van noodzakelijke medische zorg;
2. Schending van de autonomie van de patiënt en misbruik van eigen vertrouwenspositie;
3. Poging om een handtekening af te dwingen bij een wilsonbekwame patiënt;
4. Overtreding van professionele en juridische normen;
5. Psychologische schade aan de familie;
6. Onethische omgang met de patiënt en familie;
7. Onvoldoende transparantie;
8. Verwijzen naar externe druk als rechtvaardiging voor haar gedrag;
9. Onrechtmatig vasthouden van de patiënt;
10. Belangenverstrengeling en obsessief bezig zijn;
11. Schenden van gezondheidszorg richtlijnen;
12. Valse vermelding in nazorgformulier;
13. Onvoldoende informatieverstrekking en weigering om te communiceren;
14. Onvermogen van supervisor en klachtenfunctionaris om opheldering te geven over vermeende machtiging.

4.2 De verpleegkundige heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De patiënt heeft oorspronkelijk de klacht zelf ingediend. Hij is echter gedurende de tuchtprocedure overleden. Klaagster, zijn echtgenote, heeft besloten de klacht voort te zetten. Zij wordt geacht de wil van de overleden patiënt te vertegenwoordigen. De klacht zal daarom inhoudelijk worden behandeld.

De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.3 Vanwege de samenhang van sommige klachtenonderdelen, zullen deze klachtonderdelen hierna gezamenlijk besproken worden.

Klachtonderdelen 1) Misleiding, manipulatie en onthouden van noodzakelijke medische zorg; 2) Schending van de autonomie van de patiënt en misbruik van eigen vertrouwenspositie; 5) Psychologische schade aan de familie en 8) Verwijzen naar externe druk als rechtvaardiging voor haar gedrag
5.4 Deze klachtonderdelen komen erop neer dat klaagster vindt dat er door de verpleegkundige te veel druk is uitgeoefend op de familie om te kiezen voor een 9b-plek terwijl de familie dat niet wilde. De familie wilde namelijk een GRZ-plek. Tevens zou de verpleegkundige geantwoord hebben op de vraag waarom zij zoveel druk op de familie uitoefende, dat deze druk ‘van bovenaf’ werd opgelegd.

5.5 Het college stelt vast dat de verpleegkundige tijdens de gesprekken aan de familie uitleg heeft gegeven over de procedure en de verschillen tussen de GRZ-zorg en 9b-route. Het belangrijkste verschil is dat Geriatrische Revalidatie Zorg (GRZ) een kortdurende, intensieve revalidatie is die wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) om zo snel mogelijk weer naar huis te kunnen, terwijl 9b een indicatie is voor langdurig verblijf met behandeling uit de Wet langdurige zorg (Wlz), als de patiënt intensieve, langdurige zorg nodig heeft. Bij een 9b-plek wordt een eigen bijdrage gevraagd, bij een GRZ-plek niet.

5.6 In het eerste gesprek op 3 april 2024 heeft de verpleegkundige gezegd dat de 9b-route het meest passend was omdat het niet de verwachting was dat de patiënt aan enkele weken revalidatie, waarvan de GRZ-route uitgaat, genoeg zou hebben. In het kader van shared decision making is de familie wel gevraagd naar hun wensen hieromtrent. De familie verkeerde kennelijk in de veronderstelling dat zij konden beslissen welke van de twee opties het zou worden. Uiteindelijk is het echter de specialist ouderengeneeskunde die de indicatie afgeeft, waarbij (tijdens een MDO) informatie wordt ingewonnen van de verschillende behandelaars van de patiënt. Bij gebrek aan vooruitgang van de patiënt, bleek toch dat GRZ-zorg niet de beste optie was. Daarom werd vanuit het ziekenhuis geadviseerd om de patiënt op een 9b-plek te plaatsen. De verpleegkundige heeft dit advies in meerdere gesprekken geprobeerd uit te leggen aan de familie. Het college vindt niet dat de verpleegkundige hierbij te veel druk heeft uitgeoefend op de familie. Zij heeft haar best gedaan het advies zo goed mogelijk uit te leggen, en daarbij ruimte gelaten voor de inbreng van de familie. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 7) Onvoldoende transparantie en 13) Onvoldoende informatieverstrekking en weigering om te communiceren
5.7 Deze klachtonderdelen gaan over de informatieverstrekking. Klaagster stelt dat de verpleegkundige meerdere relevante documenten heeft achtergehouden. Ook zou zij hebben geweigerd antwoord te geven op de vragen van de familie.

5.8 Het college stelt vast dat klaagster hier doelt op het formulier ‘aanvraag nazorg’, wat naar het transferbureau is gestuurd om de vervolgzorg te regelen. In de gesprekken met de verpleegkundige vroeg de familie hier om.

5.9 De verpleegkundige heeft uiteengezet dat de procedure binnen het ziekenhuis is dat
er vanuit het MDO een advies wordt gegeven en daarna een aanvraag naar het transferbureau wordt verstuurd met het verzoek de vervolgzorg te regelen. Dit is een intern document. De verpleegkundige heeft op verzoek dit document verstrekt, omdat dit niet in het medisch dossier aanwezig was en de familie dit graag wilde hebben. Dit document maakt normaliter geen deel uit van het medisch dossier, waardoor niet gezegd kan worden dat de verpleegkundige dit document bewust heeft achtergehouden. Zij heeft het juist verstrekt toen de familie daarom vroeg. Deze klachtonderdelen zijn daarmee ongegrond.

Klachtonderdeel 3) Poging om een handtekening af te dwingen bij een wilsonbekwame patiënt, 4) Overtreding van professionele en juridische normen, en 6) Onethische omgang met de patiënt en familie
5.10 Klaagster verwijt de verpleegkundige met deze klachtonderdelen dat zij heeft geprobeerd om de patiënt een document te laten ondertekenen terwijl zij wist dat hij op dat moment wilsonbekwaam was. Door te proberen een wilsonbekwame patiënt te laten tekenen en de expliciete wensen van de familie te negeren, heeft de verpleegkundige tevens de WGBO overtreden, aldus klaagster.

5.11 Het college stelt vast dat het hier gaat om het “formulier 9b traject”, waarmee dit traject in gang wordt gezet. In het gesprek op 4 april 2024 besprak de verpleegkundige dat de patiënt op dat moment door zijn aandoening niet wilsbekwaam was en dat nog moest worden besproken wie het formulier uiteindelijk gaat tekenen. Tot het tekenen van dit formulier is het niet gekomen, nu er geen consensus was over de vervolgplek en de 9b-route dus niet is ingezet. Ook blijkt niet dat de verpleegkundige heeft geprobeerd desondanks de patiënt te laten tekenen. Het is enkel ter sprake gebracht met het oog op wat er geregeld moest worden voor een vervolgplek. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 10) Belangenverstrengeling en obsessief bezig zijn
5.12 Klaagster brengt naar voren dat de verpleegkundige werkzaam was bij G. G is een zorginstelling waar patiënten met een 9b-indicatie terecht kunnen. Door actief aan te dringen op het 9b-traject zou de patiënt uiteindelijk bij G terechtkomen wat zou aansluiten bij de financiële en zakelijke belangen van G. Nu de verpleegkundige werkzaam was bij G, wijst dit op belangenverstrengeling bij de verpleegkundige, aldus klaagster.

5.13 De verpleegkundige heeft aangevoerd dat zij tot 2022 bij G werkte en dat zij ook op een locatie werkte waar geen revalidatie wordt aangeboden.

5.14 Het college stelt vast dat G locaties heeft die zowel de GRZ-zorg als het 9b-traject kunnen verzorgen. Het D maakt vaak gebruik van G als zorgaanbieder. Er zijn geen aanwijzingen dat de verpleegkundige er persoonlijk belang bij zou hebben om de patiënt bij G te plaatsen met een 9b-indicatie. Dit standpunt is ook niet onderbouwd met enig bewijs daarvoor. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 9) Onrechtmatig vasthouden van de patiënt en 14) Onvermogen van supervisor en klachtenfunctionaris om opheldering te geven over vermeende machtiging
5.15 Klaagster stelt dat de patiënt al op 2 april 2024 ontslagklaar was bevonden en dat hij toen ten onrechte langer is vastgehouden door het ziekenhuis.

5.16 Het college stelt vast dat het niet de verpleegkundige is die de beslissing heeft genomen over het al dan niet ontslaan van de patiënt. Dit is een beslissing van de behandelend arts waar de verpleegkundige niet betrokken bij is geweest. Daarom is klachtonderdeel 9) ongegrond.

5.17 Wat betreft klachtonderdeel 14) oordeelt het college dat dit verwijt is gericht tegen de supervisor en klachtenfunctionaris. Nu de persoonlijke betrokkenheid van de verpleegkundige ontbreekt, wordt ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaard. Zorgverleners zijn alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel 12) Valse vermelding in nazorgformulier
5.18 Klaagster stelt dat op het formulier ‘aanvraag nazorg’ zoals dat bij het transferbureau is ingediend, door de verpleegkundige ten onrechte is ingevuld dat de familie toestemming geeft aan de verpleegkundige om bij het regelen van de vervolgzorg informatie te delen met het CIZ, de gemeente en andere betrokken partijen. De familie heeft echter nooit toestemming gegeven. Hiermee is sprake van valsheid in geschrifte, aldus klaagster.

5.19 De verpleegkundige heeft naar voren gebracht dat deze informatie is ingevuld door de verpleegkundige van de neurologie-afdeling die het formulier naar het transferbureau stuurde. De toestemming was verkregen door de verpleegkundige van de afdeling neurologie. Toen de familie het formulier wilde ontvangen, heeft de verpleegkundige gecheckt of het formulier juist was ingevuld en toen haar naam daarop geplaatst.

5.20 Het college overweegt dat vaststond dat de familie wilde dat er vervolgzorg geregeld zou worden voor de patiënt, en dat hiermee impliciet toestemming is gegeven voor een eventuele gegevensverstrekking aan het CIZ en andere betrokken partijen. Het college vindt dit geen valsheid in geschrifte. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 11) Schenden van gezondheidszorg richtlijnen
5.21 Klaagster stelt dat de verpleegkundige op meerdere punten richtlijnen heeft geschonden, zoals de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst, de Beroepscode voor Verpleegkundigen en Verzorgenden en andere gedragsregels.

5.22 Dit verwijt is niet gespecifieerd door klaagster. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat de verpleegkundige de wet of gedragsregels heeft geschonden. Dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.

Slotsom
5.23 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 2 oktober 2025 door W.A.H. Melissen, voorzitter, M.P. Sombroek-van Doorm, lid-jurist, I.M. Bonte, W.J. van der Meer en G.J.T. Kooiman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.