ECLI:NL:TGZRAMS:2025:219 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7790
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:219 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-09-2025 |
| Datum publicatie: | 02-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7790 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klager verbleef van 2013 tot 2017 in een specialistisch verpleeghuis. Klager is eenmaal bij de arts, destijds huisarts, op consult geweest. Klager verwijt de arts dat hij adviseerde paracetamol te nemen voor de hoofdpijn. Hij had klager verder moeten onderzoeken. Het college stelt vast dat de arts klager voldoende en zorgvuldig heeft onderzocht. De klacht is kennelijk ongegrond. |
A2024/7790
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 2 september 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B, klager,
tegen
C,
arts, destijds huisarts,
destijds werkzaam te B, verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam te Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager verbleef van 2013 tot 2017 in het verpleeghuis D, locatie E. Op 15
mei 2015 hebben
klager en de arts een consult gehad waarbij klager klachten heeft geuit over zich
minder goed
voelen, minder conditie, minder kracht in zijn arm en druk in het hoofd. De destijds
huisarts nam
waar voor zijn collega. De arts heeft klager doorverwezen naar de neuroloog.
1.2 Klager verwijt de arts dat hij adviseerde paracetamol te nemen voor de hoofdpijn.
Hij had
klager verder moeten onderzoeken. Bovendien had hij op de hoogte moeten zijn van
de psychofarmaca
die klager toegediend kreeg.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2024;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 29 januari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 25 juni 2025,
met aangehecht
een bijlage ontvangen van de arts.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
3.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
3.2 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
3.3 Het staat vast dat er een consult is geweest waarbij klager heeft geklaagd over
hoofdpijn,
mogelijk het gevolg van een hoge bloeddruk. De arts heeft een anamnese afgenomen
en heeft klager
uitgebreid onderzocht. Uit het dossier is gebleken dat klager op dat moment geen
(te) hoge
bloeddruk had. Klager is naar aanleiding van dit consult doorverwezen naar de neuroloog
voor verder
onderzoek. Volgens de arts is er geen paracetamol voorgeschreven en werd klager
op dat moment niet
behandeld met antipsychotica.
3.4 Uit het overgelegde dossier kan het college niet afleiden dat klager paracetamol
voorgeschreven heeft gekregen of behandeld werd met antipsychotica. Nu de arts klager
uitgebreid
heeft onderzocht, serieus heeft genomen en heeft doorverwezen voor verder onderzoek,
stelt het
college vast dat de arts klager voldoende en zorgvuldig onderzocht heeft. Het dossier
wijst niet
uit dat klager antipsychotica toegediend kreeg of heeft gekregen, dus daar had de
arts ook niet op
bedacht hoeven zijn. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Slotsom
3.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
4. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 2 september 2025 door E.A. Messer, voorzitter, J.C.J.
Dute,
lid-jurist, V.M. Schijf, G.J. Dogterom en M.C. Wolfs-Smits, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door T.C. Brand, secretaris.