ECLI:NL:TGZRAMS:2025:216 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7791
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:216 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-08-2025 |
| Datum publicatie: | 26-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7791 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. In 2014 en 2015 verbleef klager, nadat hij in 2012 een subarachnoïdale bloeding kreeg, in een verpleeghuis voor mensen met verslavingsproblematiek. De psychiater werkte in die periode voor een instelling die psychiatrische hulp verleende in het verpleeghuis. Klager kreeg eind 2014 in toenemende mate fysieke klachten en verwijt de psychiater dat deze zijn veroorzaakt doordat de psychiater hem zonder zijn medeweten medicatie zou hebben toegediend. Daarnaast zou de psychiater klager nooit lichamelijk hebben onderzocht en zich jegens hem niet respectvol hebben gedragen. Het college komt tot het oordeel de klacht kennelijk ongegrond is. |
A2024/7791
Beslissing van 26 augustus 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 26 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
psychiater,
destijds werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. E, werkzaam te F.
1. De zaak in het kort
1.1 In 2014 en 2015 verbleef klager, nadat hij in 2012 een subarachnoïdale bloeding
(een bloeding tussen de hersenvliezen waardoor druk op de hersenen ontstaat) kreeg,
in een verpleeghuis voor mensen met verslavingsproblematiek. De psychiater werkte
in die periode voor een instelling die psychiatrische hulp verleende in het verpleeghuis.
Klager kreeg eind 2014 in toenemende mate fysieke klachten en verwijt de psychiater
dat deze zijn veroorzaakt doordat de psychiater hem zonder zijn medeweten medicatie
zou hebben toegediend. Daarnaast zou de psychiater klager nooit lichamelijk hebben
onderzocht en zich jegens hem niet respectvol hebben gedragen.
1.2 Het college komt tot het oordeel de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2024;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 8 mei 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De klacht en de reactie van de psychiater
3.1 Volgens klager heeft de psychiater hem:
a) vanaf 2014 zonder zijn medeweten medicatie gegeven, als gevolg waarvan klager
fysieke klachten kreeg;
b) nooit lichamelijk onderzocht;
c) hem tijdens een consult niet respectvol behandeld heeft.
3.2 De psychiater heeft het college primair verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de psychiater het college verzocht de klacht
ongegrond te verklaren.
3.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
4.1 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is. Artikel 65 lid
5 BIG bepaalt dat een klacht binnen 10 jaar moet worden ingediend, te rekenen vanaf
de dag na de dag waarop het handelen plaatsvond waarover wordt geklaagd.
4.2 De psychiater heeft verklaard dat hij klager één keer gesproken heeft en dat dit rond de periode 2014/2015 was. Omdat de psychiater niet de behandelend psychiater van klager was, heeft hij geen dossier bijgehouden. Hij heeft erop gewezen dat klager in het voorjaar van 2015 elders werd opgenomen.
4.3 Klager heeft verklaard dat zijn contact met de psychiater dateert uit het voorjaar van 2015.
4.4 Het college stelt vast dat het klaagschrift op 28 oktober 2024 is ontvangen. De opmerking van de psychiater dat hij klager gesproken heeft rond de periode van 2014/2015, het feit dat van dat gesprek geen verslaglegging beschikbaar is én het gegeven dat klager noemt dat het gesprek plaatsvond in het voorjaar van 2015, vormen voor het college voldoende grond om te oordelen dat de klacht is ingediend binnen de termijn van artikel 65 lid 5 BIG. In ieder geval kan niet met zekerheid worden gesteld dat de klacht verjaard is.
4.5 Het college zal de klacht daarom verder inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
4.6 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a: klager zonder diens medeweten medicatie toedienen
4.7 De psychiater heeft aangevoerd dat hij in de betreffende periode geen medicatie
aan klager heeft voorgeschreven en dat de fysieke klachten van klager goed verklaarbaar
zijn door de eerdere subarachnoïdale bloeding. Daarnaast heeft de psychiater aangevoerd
dat hij uitsluitend consultatief overlegde met de verpleeghuisarts over de bewoners
van het verpleegtehuis waar ook klager verbleef. De patiënten van het verpleegtehuis
vielen onder de eindverantwoordelijkheid van de verpleeghuisarts, die hun behandelaar
was en ook de medische dossiers bijhield.
4.8 In de eerste plaats moet het college bepalen of er sprake was van een behandelrelatie tussen klager en de psychiater. Waar de psychiater strikt consultatief overleg had met de verpleeghuisarts is dit niet het geval. De behandelrelatie bestond in dat geval uitsluitend tussen de klager en de verpleeghuisarts. Aangezien zowel klager als de psychiater een consult noemen waarbij zowel klager als de psychiater aanwezig waren, is er voor dat consult wél sprake van een behandelrelatie tussen klager en de psychiater. Het is het college echter niet gebleken dat de psychiater bij dat consult aan klager medicatie heeft voorgeschreven. De psychiater heeft het verwijt van klager dat dit wel zo zou zijn voldoende weerlegd. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b: geen lichamelijk onderzoek
4.9 Over de klacht dat de psychiater klager nooit lichamelijk onderzocht heeft,
heeft de psychiater aangevoerd dat er ook geen noodzaak was voor zo’n onderzoek. Het
college kan dit standpunt volgen. De taak van de psychiater was overwegend consulterend
van aard. Blijkbaar heeft de verpleeghuisarts ook bij het consult dat plaatsvond in
bijzijn van de psychiater een lichamelijk onderzoek door de psychiater niet nodig
geacht. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c: disrespectvolle bejegening
4.10 Tot slot heeft het college niet kunnen vaststellen dat de psychiater klager
respectloos heeft behandeld door hem tijdens een consult, waarbij ook de fysiotherapeut
aanwezig was, te negeren. De psychiater heeft verklaard dat hij zich deze situatie
niet meer kan herinneren en dat het in ieder geval niet zijn manier van doen is om
mensen te negeren. Gezien de verschillende lezingen over deze gebeurtenis kan het
college de feitelijke gang van zaken niet vaststellen. Dit klachtonderdeel is kennelijk
ongegrond.
Slotsom
4.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
5. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 26 augustus 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt,
voorzitter, A.M. van Hemert en M.H. Braakman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
Y.M.C. Bouman, secretaris.