ECLI:NL:TGZRAMS:2025:214 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7891

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:214
Datum uitspraak: 26-08-2025
Datum publicatie: 26-08-2025
Zaaknummer(s): A2024/7891
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster is in de nacht van 6 op 7 augustus 2019 beoordeeld in het kader van een procedure tot verkrijgen van een inbewaringstelling. Enkele dagen daarvoor was zij door een psychiater in het kader van een crisisbeoordeling gediagnostiseerd met een vermoeden van een manisch toestandsbeeld. De arts heeft op 9 augustus 2019 inlichtingen gegeven aan de rechtbank en vragen beantwoord, toen het verzoek tot voortzetting van de machtiging werd behandeld. Klaagster verwijt de arts dat hij onbevoegd psychiatrisch onderzoek heeft gedaan en daarbij onzorgvuldige oordeelsvorming. De arts heeft aangegeven dat hij klaagster niet heeft beoordeeld en bij de rechtbank is afgegaan op de informatie uit de overdracht. Het college oordeelt dat de arts bij het geven van de inlichtingen aan de rechtbank correct heeft gehandeld.

A2024/7891
Beslissing van 26 augustus 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 26 augustus 2025 op de klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,


tegen


C,
destijds ANIOS, thans huisarts,
destijds werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. F. Westenberg, werkzaam te Zwaag.


1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is in de nacht van 6 op 7 augustus 2019 beoordeeld in het kader van een procedure tot verkrijgen van een inbewaringstelling. Enkele dagen daarvoor was zij door een psychiater in het kader van een crisisbeoordeling gediagnostiseerd met een vermoeden van een manisch toestandsbeeld. De arts heeft op 9 augustus 2019 inlichtingen gegeven aan de rechtbank en vragen beantwoord, toen het verzoek tot voortzetting van de machtiging werd behandeld. Klaagster verwijt de arts dat hij onbevoegd psychiatrisch onderzoek heeft gedaan en daarbij onzorgvuldige oordeelsvorming. De arts heeft aangegeven dat hij klaagster niet heeft beoordeeld en bij de rechtbank is afgegaan op de informatie uit de overdracht. Hij heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 29 november 2024;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 25 april 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld, samen met de samenhangende klachten tegen de psychiater die enkele dagen daarvoor de crisisbeoordeling bij klaagster 
deed (A2024/7889) en de arts die klaagster in de nacht van 6 op 7 augustus 2019 heeft beoordeeld in het kader van een inbewaringstelling (A2024/7890). Het college heeft de zaken beoordeeld op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. De feiten
3.1 Klaagster is in de nacht van 6 op 7 augustus 2019 beoordeeld in het kader van een inbewaringstellingsprocedure. Enkele dagen daarvoor was zij door een psychiater in het kader van een crisisbeoordeling gediagnostiseerd met een vermoeden van een manisch toestandsbeeld. De arts heeft op 9 augustus 2019 inlichtingen gegeven aan de rechtbank en vragen beantwoord, toen het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling werd behandeld. Hij was op dat moment nog een ‘arts niet in opleiding tot specialist’ (ANIOS), dat wil zeggen dat hij wel zijn studie geneeskunde had afgerond maar nog niet was begonnen aan een specialisatieopleiding. De arts heeft op 9 augustus 2019 ook kennisgemaakt met klaagster en hij heeft informatie over klaagster ingewonnen bij een vriendin van klaagster.


4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klaagster verwijt de arts dat
- hij als arts-assistent onbevoegd psychiatrisch onderzoek heeft gedaan;
- zijn oordeelsvorming daarbij onzorgvuldig was omdat het onderzoek zeer beperkt en kort was, hij niet alle mogelijke oorzaken voor de situatie heeft onderzocht, niet aan waarheidsvinding heeft gedaan, geen hoor- en wederhoor heeft toegepast en geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat haar klachten veroorzaakt zouden kunnen zijn door ADHD;
- hij bij haar toenmalige partner afwijkend gedrag en psychiatrische problematiek niet heeft onderkend en informatie van haar vriendin heeft genegeerd;
- op de zitting van de rechtbank op 9 augustus 2019 bij het rapporteren over zijn onderzoek onjuiste informatie heeft verstrekt.

4.2 De arts heeft aangegeven dat hij geen psychiatrisch onderzoek heeft gedaan en haar niet heeft beoordeeld. Hij heeft bij de rechtbank niet geput uit eigen bevindingen maar is afgegaan op de informatie die hij bij de overdracht over klaagster had gekregen. De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

De inhoudelijke beoordeling
5.2 Gezien de samenhang, zullen de klachtonderdelen gezamenlijk behandeld worden.

5.3 Het college stelt vast dat de zitting van de rechtbank op vrijdag 9 augustus 2019, dus enkele dagen na de inbewaringstelling, plaatsvond. Bij het plannen van de zitting is de agenda van de rechtbank leidend. Het komt daardoor regelmatig voor dat informatie aan de rechtbank verstrekt wordt door een arts die zelf niet bij de patiënt betrokken is en het is niet ongebruikelijk dat die arts geen psychiater is. Van onbevoegd optreden is in dat geval geen sprake. In een dergelijke situatie is het niet de taak van de arts om de psychiatrische diagnostiek zelfstandig te herhalen; het gaat erom dat vragen van de rechtbank adequaat worden beantwoord op basis van de reeds beschikbare informatie.

5.4 Ook in de zaak van klaagster deed zich een dergelijke situatie voor. Uit het medisch verslag van de arts blijkt dat hij met klaagster heeft kennisgemaakt en – met haar toestemming – telefonisch informatie heeft ingewonnen bij een vriendin van klaagster. Hij heeft geen informatie bij de toenmalige partner van klaagster ingewonnen. De arts heeft in zijn rapportage van 9 augustus 2019 de informatie van klaagster en van de vriendin van klaagster vastgelegd. Hij heeft klaagster niet eigenstandig psychiatrisch onderzocht en haar ook niet beoordeeld. Bij het beantwoorden van de vragen van de rechtbank is de arts niet afgeweken van de informatie die hij verkregen had door de dossieroverdracht. Voor zover daarin onjuiste informatie zou staan, is dit – wat hier ook van zij – niet aan de arts aan te rekenen.

Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de arts bij het geven van de inlichtingen aan de rechtbank correct heeft gehandeld. Dit betekent dat de klacht kennelijk ongegrond is.


6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 26 augustus 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, C.H. van Dijk, lid-jurist, J.M.C. van Dam, A.M. van Hemert en M.H. Braakman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris.