ECLI:NL:TGZRAMS:2025:213 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7890

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:213
Datum uitspraak: 26-08-2025
Datum publicatie: 26-08-2025
Zaaknummer(s): A2024/7890
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. De arts heeft klaagster in de nacht van 6 op 7 augustus 2019 beoordeeld in het kader van de procedure om een inbewaringstelling te verkrijgen. Klaagster verwijt de arts dat hij onbevoegd was de geneeskundige verklaring op te stellen en dat deze bovendien onzorgvuldig was. Het college oordeelt dat de arts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van zijn oordeelsvorming en dat hij de geneeskundige verklaring had kunnen afgeven.

A2024/7890
Beslissing van 26 augustus 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 26 augustus 2025 op de klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,


tegen


C,
arts,
(destijds) werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam te Hilversum.


1. De zaak in het kort
1.1 De arts heeft klaagster in de nacht van 6 op 7 augustus 2019 beoordeeld in het kader van de procedure om een inbewaringstelling te verkrijgen. Enkele dagen daarvoor was zij door een psychiater in het kader van een crisisbeoordeling gediagnostiseerd met een vermoeden van een manisch toestandsbeeld. De arts heeft een geneeskundige verklaring afgegeven op basis waarvan klaagster op basis van de wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: wet BOPZ) via een inbewaringstelling gedwongen is opgenomen. Klaagster verwijt de arts dat hij onbevoegd was de geneeskundige verklaring op te stellen en dat deze bovendien onzorgvuldig was. De arts heeft verweer gevoerd en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 29 november 2024;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 25 april 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld, samen met de samenhangende klachten tegen de psychiater die enkele dagen daarvoor de crisisbeoordeling bij klaagster deed (A2024/7889) en de toenmalige arts niet in opleiding tot specialist (ANIOS) die tijdens de zitting van de rechtbank informatie heeft verstrekt (A2024/7891). Het college heeft de zaken beoordeeld op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. De feiten
3.1 De arts heeft klaagster in de nacht van 6 op 7 augustus 2019 beoordeeld in het kader van een inbewaringstellingsprocedure nadat de toenmalige partner van klaagster rond middernacht het Crisisdienst MeldPunt had gebeld omdat klaagster een te grote dosis van haar medicatie zou hebben genomen. Toen de arts ter plekke arriveerde, trof hij klaagster gesedeerd aan en was zij niet aanspreekbaar. Hem werd gezegd dat klaagster bedreigingen had geuit in de thuissituatie en bij de hulpdiensten en dat de aanwezige ambulanceverpleegkundige besloot om haar per injectie Midazolam toe te dienen.

3.2 Klaagster was dusdanig gesedeerd dat de arts haar daarom niet heeft kunnen spreken. Hij heeft vervolgens een geneeskundige verklaring afgegeven op basis waarvan klaagster uiteindelijk op basis van de wet BOPZ via een inbewaringstelling gedwongen is opgenomen. In de verklaring heeft hij aangegeven dat hij het gedrag van klaagster zelf niet heeft kunnen waarnemen en dat hij zich heeft gebaseerd op informatie van klaagsters partner en van het ambulancepersoneel. De arts heeft voorafgaand aan het afgeven van de geneeskundige verklaring overleg gevoerd met de dienstdoende psychiater, die overleg had gehad met de dienstdoende arts in Castricum.


4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klaagster verwijt de arts dat:
a) hij niet bevoegd was om de beoordeling te doen en de geneeskundige verklaring op te stellen omdat hij geen psychiater is en omdat klaagster niet onderzocht kon worden;
b) zijn oordeelsvorming onzorgvuldig was omdat hij zijn diagnose te snel heeft gesteld en hij daarbij geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat haar klachten veroorzaakt zouden kunnen zijn door ADHD;
c) zijn beeld sterk was beïnvloed door de informatie van haar toenmalige partner, die zelf ernstige psychiatrische problemen had.

4.2 De arts heeft aangevoerd dat hij over zijn onderzoek overleg heeft gevoerd met een
psychiater. Hij heeft verder verklaard dat hij klaagster niet kon onderzoeken omdat zij toen te gesedeerd was en niet aanspreekbaar, en dat hij voor zijn onderzoek is uitgegaan van informatie van de hulpdiensten, van klaagsters partner en van de recente medische voorgeschiedenis. De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelend arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

De inhoudelijke beoordeling
5.2 Gezien de samenhang, zullen de klachtonderdelen gezamenlijk behandeld worden.

5.3 Op het moment van handelen door de arts gold nog de BOPZ wetgeving. In artikel 21 van de wet BOPZ staat dat de geneeskundige verklaring wordt opgesteld door een bij voorkeur niet-behandeld psychiater, en als dat niet mogelijk is door een bij voorkeur niet-behandelend arts die geen psychiater is. Als de verklaring wordt opgesteld door een arts die geen psychiater is, heeft de arts zo mogelijk vooraf overleg met een arts die wel psychiater is, bij voorkeur met de behandelend psychiater en huisarts. Verder geldt dat – wanneer dat aan de orde is – binnen 24 uur alsnog een psychiater de betrokken persoon moet beoordelen.

5.4 De arts was geen psychiater en was ook niet in opleiding tot psychiater. Dit betekent dat hij dus zo mogelijk voorafgaand aan het opstellen van de verklaring overleg moest voeren met een arts die wel psychiater was. Dit heeft de arts gedaan door overleg te hebben met de psychiater die op dat moment dienst had. Het heeft de voorkeur dat met een onafhankelijk psychiater overleg wordt gevoerd, zoals hier ook is gebeurd. Dat de arts niet ook nog met de behandeld psychiater en huisarts van klaagster heeft overlegd, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, omdat de wet deze eis niet dwingend stelt.

5.5 Vaststaat dat de arts klaagster niet heeft kunnen onderzoeken, aangezien zij door de injectie met Midazolam niet aanspreekbaar was. Het college is van oordeel dat dit onderzoek onder de gegeven omstandigheden daarom ook niet van de arts gevergd kon worden. Daarbij weegt het college mee dat de arts andere bronnen heeft aangewend om informatie over klaagsters situatie te krijgen. Voor zover klaagster stelt dat de arts daarbij niet had mogen afgaan op de informatie van haar toenmalige partner, omdat die zelf ernstige psychiatrische problemen had, stelt het college vast dat uit de verslaglegging blijkt dat op dat moment in ieder geval bekend was dat de partner kampte met een agressieregulatiestoornis en dat de arts ook informatie heeft ingewonnen bij het ambulancepersoneel. Daarnaast had de arts de beschikking over de diagnose van de psychiater die klaagster zes dagen daarvoor in het kader van een crisisbeoordeling diagnosticeerde met een vermoeden van een manisch toestandsbeeld. Het college is al met al van oordeel dat de arts de maatregel heeft kunnen baseren op de voor hem op dat moment beschikbare informatie. Uit deze informatie, in zijn onderlinge samenhang bezien, vloeide naar het oordeel van het college bovendien voor de arts niet de noodzaak voort om te onderzoeken of de gedragingen veroorzaakt konden zijn door ADHD. Nog afgezien van de omstandigheid dat de gedragingen niet passen bij ADHD, leverden de gedragingen op zichzelf in ieder geval het ernstige vermoeden op dat er een onmiddellijk dreigend gevaar was voor klaagster zelf, voor anderen en/of voor de algemene veiligheid. Van een onzorgvuldige oordeelsvorming of het te snel stellen van de diagnose is dan ook geen sprake.

5.6 Nu deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn, kan het laatste klachtonderdeel evenmin slagen.

Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de arts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van zijn oordeelsvorming en dat hij de geneeskundige verklaring had kunnen afgeven. Dit betekent dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.


6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 26 augustus 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, C.H. van Dijk, lid-jurist, J.M.C. van Dam, A.M. van Hemert en M.H. Braakman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris.