ECLI:NL:TGZRAMS:2025:212 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7889

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:212
Datum uitspraak: 26-08-2025
Datum publicatie: 26-08-2025
Zaaknummer(s): A2024/7889
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater heeft klaagster op 1 augustus 2019 gesproken en geconcludeerd dat er bij klaagster vermoedelijk sprake was van een manisch toestandsbeeld, waarvoor hij medicatie heeft voorgeschreven. Klaagster verwijt de psychiater dat hij zijn conclusie op een verkeerde basis heeft getrokken en ze is het niet eens met (de dosering van) de voorgeschreven medicatie. Het college oordeelt dat de psychiater het vermoeden van een manische episode op basis van de juiste informatie heeft kunnen stellen en daarvoor de juiste medicatie met een adequate dosering heeft voorgeschreven.

A2024/7889
Beslissing van 26 augustus 2025
 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 26 augustus 2025 op de klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,


tegen


C,
psychiater,
werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. F. Westenberg, werkzaam te Zwaag.


1. De zaak in het kort
1.1 De psychiater heeft klaagster op 1 augustus 2019 gesproken en geconcludeerd dat er bij klaagster vermoedelijk sprake was van een manisch toestandsbeeld, waarvoor hij medicatie heeft voorgeschreven. Klaagster verwijt de psychiater dat hij zijn conclusie op een verkeerde basis heeft getrokken en ze is het niet eens met (de dosering van) de voorgeschreven medicatie. De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Hij heeft aangevoerd dat hij zijn conclusie op goede gronden heeft gebaseerd en dat de medicatie was bedoeld ter voorkoming van een crisisopname. Uiteindelijk moest klaagster op 7 augustus 2019 alsnog worden opgenomen en is door de rechtbank op 9 augustus 2019 de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 29 november 2024;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 25 april 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld, samen met de samenhangende klachten tegen de arts die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld voor de gedwongen 
opname (A2024/7890) en de toenmalige arts niet in opleiding tot specialist (ANIOS) die tijdens de zitting van de rechtbank informatie heeft verstrekt (A2024/7891). Het college heeft de zaken beoordeeld op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klaagster was in 2019 vrijwillig wegens ADHD in onderzoek bij PsyQ, waar de psychiater in dienst was. De psychiater heeft klaagster op 1 augustus 2019 gesproken. Een vriendin van klaagster, die haar al 12 jaar kende, en klaagsters toenmalige partner waren bij dit gesprek aanwezig. In het verslag van de beoordeling heeft de psychiater vermeld dat er bij klaagster sprake was van een manisch toestandsbeeld met een vermoeden van een bipolaire stoornis. Tevens is vermeld dat klaagster voldeed aan de voorwaarden voor Intensieve Behandeling Thuis (IBT). De psychiater heeft Lorazepam (3 maal daags 1 mg + 2,5 mg voor de nacht) en Olanzapine (5 mg per dag) voorgeschreven. Kort na het starten met innemen van deze medicatie is de dosering gehalveerd. Op 7 augustus 2019 is klaagster alsnog gedwongen opgenomen.


4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Volgens klaagster heeft de psychiater onzorgvuldig gehandeld. In de kern komen haar verwijten erop neer dat de psychiater:
a in het gesprek van 1 augustus 2019 op onjuiste wijze conclusies trok omdat hij is afgegaan op de informatie van haar toenmalige partner. Net als op 12 juli 2019 was deze op dominante wijze bij het gesprek aanwezig, waardoor zij zelf haar verhaal niet heeft kunnen doen en waardoor zij snel moest spreken om zonder diens interrupties toch nog informatie te kunnen geven;
b niet heeft gezien dat er bij haar toenmalige partner sprake was van psychiatrische problematiek, te weten psychotisch gedrag met narcistische gedragskenmerken, en dat dit gedrag de werkelijke oorzaak was voor de klachten die zij had;
c er geen acht op heeft geslagen dat een vriendin van klaagster, die ook bij het gesprek aanwezig was, de uitspraken van de partner heeft weerlegd en dat hij daarover niets in het verslag heeft opgenomen;
d niet heeft gezien dat haar klachten het gevolg konden zijn van haar ADHD problemen, waarvoor zij bij PsyQ in onderzoek was;
e medicatie voorschreef voor aandoeningen die zij niet had, en dat ook nog in een dusdanig hoge dosering dat zij daardoor ernstig versuft raakte;
f geen adequate maatregelen heeft genomen toen zij na 1 augustus 2019 zeer slecht op die medicatie reageerde.

4.2 De psychiater heeft aangevoerd dat de crisisbeoordeling plaatsvond op verzoek van de behandelend psycholoog van klaagster. Hij heeft in het gesprek met klaagster informatie verkregen van de toenmalige partner van klaagster en van de vriendin van klaagster die beiden bij het gesprek aanwezig waren. Het gaat daarbij om informatie die niet door hem zelf is waargenomen en die in het verslag is opgenomen met bronvermelding. Wat de rol van klaagsters toenmalige partner betreft, heeft de psychiater verklaard dat die zeer lovend was over klaagster en er geen belang bij had dat klaagster zou worden opgenomen. Hij heeft tijdens het gesprek zelf het gedrag van klaagster geobserveerd en onder meer waargenomen dat zij zeer snel sprak en dat er sprake was van prikkelbare stemming met agressie. Op basis van het hierdoor ontstane beeld kwam hij tot het vermoeden van een maniforme ontregeling bij klaagster. Dit is een ander beeld dan past bij ADHD. De medicatie die hij voorschreef en de dosering daarvan waren passend bij het vermoeden van de maniforme ontregeling. De bedoeling was om klaagster een zodanige hoeveelheid medicatie voor te schrijven dat kon worden voorkomen dat zij moest worden opgenomen.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Klachtonderdelen a, c en d: op onjuiste wijze conclusies getrokken

5.2 Op 12 juli 2019 is de psychiater tussentijds aangeschoven tijdens een consult van klaagster bij een psycholoog, waar klaagster samen met haar toenmalige partner was verschenen. Uit het dossier is niet op te maken dat de psychiater in het kader van dat gesprek tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Opgemerkt wordt dat het gesprek op 12 juli 2019 een ander karakter had dan het gesprek op 1 augustus 2019. Het college stelt vast dat het gesprek met klaagster van 1 augustus 2019 plaatsvond in het kader van een crisisbeoordeling, op verzoek van de psycholoog bij PsyQ bij wie klaagster in juni 2019 in behandeling kwam. In het verslag van het onderzoek heeft de psychiater geschreven dat als informanten de toenmalige partner van klaagster aanwezig was, alsook een vriendin. Hij heeft van de informanten hulp gehad om het beloop duidelijk te krijgen. In de conclusies van het psychiatrisch onderzoek, wordt in het onderdeel ‘psychiatrisch onderzoek’ weliswaar alleen klaagsters toenmalige partner genoemd, maar dat betekent niet zonder meer dat de informatie van de vriendin niet ook is gewogen. Uit het verslag blijkt dat de psychiater vooral melding maakt van zijn eigen observaties, zoals dat ‘klaagster dacht en sprak in sneltreinvaart’ en ‘van de hak op de tak’ sprong. Dat klaagster zo snel moest spreken omdat haar partner haar steeds interrumpeerde, is door de psychiater niet geconstateerd en gezien zijn verslag zou dit – wat hier ook van zij – niet tot een andere diagnose hebben geleid. Uit het verslag van de psychiater blijkt namelijk dat hij bij klaagster ook andere symptomen zag die duidden op een manisch toestandsbeeld, zoals haar stemming, die hij omschreef als verhoogd prikkelbaar (‘dysfore stemming’) en sterk wisselend (‘verhoogd modulerend’). Deze symptomen passen niet bij de diagnose ADHD. Deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b: psychiatrische problematiek toenmalige partner
5.3 Klaagster heeft verklaard dat bij haar toenmalige partner eveneens sprake was van psychiatrische problematiek en ook dat dit invloed heeft gehad op haar psychisch welzijn. Maar dit doet niet af aan de symptomen die de psychiater op 1 augustus 2019 bij klaagster vaststelde en die konden passen bij een manische episode. Het was op dat moment niet de taak van de psychiater om nader onderzoek te doen naar de partner van klaagster. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdelen e en f: niet-passende medicatie, te hoge dosering, geen adequate reactie bij versuffing
5.4 Gegeven de conclusies van de psychiater over het vermoeden van een manisch toestandsbeeld is het college van oordeel dat de psychiater de daarbij passende medicatie heeft voorgeschreven. De psychiater was van mening dat op dat moment eigenlijk een gedwongen opname moest plaatsvinden, maar hij wilde toch proberen om klaagster – volgens haar wens – thuis, met behulp van het IBT-team, te laten herstellen. De dosering was weliswaar stevig maar adequaat. Van de omstandigheid dat inname van deze dosering van de medicatie bij klaagster tot versuffing leidde, kan de psychiater geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Bij het bij klaagster gevonden vermoedelijke toestandsbeeld is het namelijk niet ongebruikelijk dat om te beginnen een relatief hoge dosering wordt voorgeschreven. Op die manier kunnen patiënten, die – net als klaagster – vaak erg druk zijn en maar enkele uren per etmaal slapen, tot rust komen. Vooraf is zelden te voorspellen of de voorgeschreven medicatie bij een specifieke patiënt erg versuffend zal werken of niet. Door de grote verschillen die er tussen mensen bestaan, zal proefondervindelijk de dosering vaak moeten worden bijgesteld. Als de dosis te hoog blijkt, is dat niet onmiddellijk schadelijk en kan vervolgens tot verlaging worden besloten. Dat is in deze zaak ook gebeurd door de waarnemend psychiater die halvering van de dosering heeft voorgeschreven na een melding van de vriendin van klaagster dat klaagster ernstig versuft was geraakt door de medicijnen.
Ook deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de psychiater het vermoeden van een manische episode op basis van de juiste informatie heeft kunnen stellen en daarvoor de juiste medicatie met een adequate dosering heeft voorgeschreven. Dit betekent dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.


6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 26 augustus 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, C.H. van Dijk, lid-jurist, J.M.C. van Dam, A.M. van Hemert en M.H. Braakman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris.