ECLI:NL:TGZRAMS:2025:211 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8013
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:211 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-08-2025 |
| Datum publicatie: | 26-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8013 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater was ten tijde van de gedragingen die tot deze klacht leidden, werkzaam als geneesheer-directeur/psychiater. In 2022 vroeg de psychiater een collega een medische verklaring op te stellen voor zijn zoon. Hiermee wilde hij voorkomen dat de zoon hoge opleidingskosten moest betalen. In 2024 stelde de psychiater – ook om onder diezelfde hoge opleidingskosten uit te komen – zelf op briefpapier van zijn werkgever een valse medische verklaring op voor zijn zoon. Hierbij heeft hij de naam en handtekening van de eerder betrokken collega – zonder haar medeweten of toestemming – onder de verklaring gezet. De psychiater heeft de collega kort daarna gevraagd om – indien nodig – tegenover de schuldeisende instantie te bevestigen dat zij de medische verklaring had opgesteld. De psychiater heeft de klacht volledig onderkend. Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt een schorsing op van één jaar, waarvan 9 maanden voorwaardelijk. |
A2025/8013
Beslissing van 26 augustus 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 26 augustus 2025 op de klacht van:
A,
gevestigd in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. C. Velink, werkzaam in Amsterdam,
tegen
C,
psychiater,
werkzaam in regio G,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De psychiater was ten tijde van de gedragingen die tot deze klacht leidden,
werkzaam als geneesheer-directeur/psychiater bij D in G. In 2022 vroeg de psychiater
een collega een medische verklaring op te stellen voor zijn zoon. Hiermee wilde hij
voorkomen dat de zoon hoge opleidingskosten moest betalen. In 2024 stelde de psychiater
– ook om onder diezelfde hoge opleidingskosten uit te komen – zelf op briefpapier
van D een valse medische verklaring op voor zijn zoon. Hierbij heeft hij de naam en
handtekening van de eerder betrokken collega – zonder haar medeweten of toestemming
– onder de verklaring gezet. De psychiater heeft de collega kort daarna gevraagd om
– indien nodig – tegenover de schuldeisende instantie te bevestigen dat zij de medische
verklaring had opgesteld.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt een maatregel op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 januari 2025;
- de brief van de gemachtigde van klaagster met bijlage 6 van het klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van verweerder van 4 juli 2025 met de bijlage, ontvangen
op 8 juli 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 15 juli 2025. De partijen zijn verschenen en werden bijgestaan door hun gemachtigden. Namens klaagster is verschenen E, lid Raad van Bestuur. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klaagster heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Verweerder is op 1 april 2000 bij D, regio G, in dienst gekomen als psychiater,
tevens geneesheer-directeur, en vanaf 1 juli 2012 bekleedde hij ook de rol van coördinerend
geneesheer-directeur van het College Geneesheer-directeuren. In die laatstgenoemde
rol gaf de psychiater leiding aan het Bureau Geneesheer-directeuren van D en was hij
mede-eindverantwoordelijk voor onder meer de binnen de organisatie geldende richtlijnen,
protocollen en gedragscodes. Per 2019 is bij D, regio G de betreffende collega-psychiater
(hierna: collega) eveneens als geneesheer-directeur aangesteld en door verweerder
ingewerkt.
3.2 In januari 2022 heeft de psychiater zijn collega verzocht een medische verklaring over zijn zoon te sturen aan een organisatie op H, met als doel het door die zoon zonder financiële consequenties kunnen annuleren van diens contract voor vervolgcursussen/coachingstrajecten. De psychiater verzocht de collega een medische verklaring voor zijn zoon uit haar naam en op briefpapier van D op te stellen, omdat, zoals de psychiater zei, zijn zoon de contractverplichtingen onder druk en impulsief was aangegaan. De collega zou dit moeten doen zonder de haar onbekende zoon te spreken, waarbij de psychiater aangaf wat er in de verklaring zou moeten komen te staan. De collega heeft dit geweigerd. Zij kende de zoon niet en heeft verklaard dat zij wel bereid was de zoon te spreken en dat zij na hem te hebben gesproken, wel een waarheidsgetrouwe, korte verklaring naar de organisatie wilde sturen.
3.3 Op 23 augustus 2024 heeft de psychiater een medische verklaring over zijn zoon
naar de organisatie op H gestuurd, waarin hij melding maakte van depressieve episodes,
behandeling in de vorm van elektroconvulsietherapie (elektroshocktherapie), medicatie
en een opname in een psychiatrische kliniek van D. Dit alles berust niet op waarheid
maar is door verweerder fictief opgevoerd. De psychiater heeft voor de verklaring
briefpapier van D gebruikt en de naam en handtekening van zijn collega eronder gezet.
Hierna heeft de psychiater per mail en telefonisch contact met zijn collega gehad.
3.4 Op maandag 26 augustus 2024 schreef de psychiater per mail van 10.07 uur aan
zijn collega:
“Ik ben een beetje stout geweest zonder jou te informeren.
Aangezien die club uit H niet akkoord ging en alsnog geld probeerde af te schijven
heb ik met F toestemming een Medical Health Certificate opgemaakt, met jouw handtekening
er onder geplakt. Mogelijk neemt de club contact met je op om te verifiëren of het
klopt.
Graag positief antwoorden, aangezien het €10.000,= scheelt. Dank alvast! Ik zal
strafregels schrijven als je dat eist.”
3.5 Begin september 2024 lichtte de collega de Raad van Bestuur van D over bovengenoemde gebeurtenissen in. De Raad van Bestuur schorste verweerder en deed vervolgens onderzoek waarbij verweerder is gehoord. Bij brief van 20 september 2024 informeerde de Raad van Bestuur de psychiater dat vanwege ‘ernstig verwijtbaar handelen’ aan de kantonrechter ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht, dat de maatregel van schorsing tot het einde van de arbeidsovereenkomst gehandhaafd blijft, dat een melding bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd wordt gedaan en dat tegen hem een tuchtzaak wordt ingediend.
3.6 De zoon van de psychiater heeft bij mail van 1 oktober 2024 de medische verklaring bij de organisatie op H ingetrokken.
3.7 Nadat de psychiater had besloten vrijwillig zijn werkzaamheden voor D met ingang van 1 januari 2025 neer te leggen, heeft D het al bij de kantonrechter ingediende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingetrokken.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klaagster verwijt de psychiater dat hij:
a) een onjuiste medische verklaring ten behoeve van zijn zoon heeft opgesteld en
ingediend en daarbij briefpapier van D alsmede de naam en handtekening van zijn collega
heeft gebruikt, zonder D respectievelijk zijn collega daarover te informeren of daarvoor
toestemming te vragen;
b) zich onprofessioneel, ongewenst en grensoverschrijdend heeft gedragen.
4.2 De psychiater heeft de klacht volledig onderkend. Hij erkent dat hij onjuist heeft
gehandeld, hij geeft aan dat hij inziet wat hij anders had moeten doen en dat hij
dat meeneemt in zijn handelen in de toekomst. Hij heeft gehandeld vanuit jarenlange
diepe zorgen om het welzijn van zijn zoon, waardoor hij veel stress ondervond op diverse
fronten in zijn persoonlijke leven. Op zijn functioneren als psychiater en geneesheer-directeur
heeft hij nooit klachten of aanmerkingen gehad. Inmiddels heeft hij als psychiater
een nieuwe werkkring gevonden. Hij heeft zijn nieuwe werkgever van de verweten gedragingen
en de tuchtzaak op de hoogte gesteld. De psychiater verzoekt het college om bij het
beoordelen van de klacht met alle omstandigheden rekening te houden.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Klachtonderdeel a) onjuiste medische verklaring,
onterecht gebruik briefpapier D, gebruik naam en handtekening collega zonder diens
medeweten/toestemming
5.2 Vast staat dat de psychiater op 23 augustus 2024 een medische verklaring over zijn zoon heeft afgegeven, waarin hij onjuiste informatie vermeldt, dat hij hiervoor ten onrechte briefpapier van D heeft gebruikt, dat hij de verklaring valselijk uit naam van zijn collega heeft uitgebracht en valselijk haar handtekening daaronder heeft geplaatst. Nu de psychiater het vorenstaande heeft erkend, behoeft de vraag of deze gebeurtenissen zich hebben voorgedaan niet verder te worden besproken. Dit klachtonderdeel is gegrond. Klachtonderdeel b) onprofessioneel, ongewenst en grensoverschrijdend gedrag
5.3 Afgezien van het feit dat alle bovengenoemde handelingen op zich al onprofessioneel,
ongewenst en grensoverschrijdend zijn, moet ook het gedrag van de psychiater tegenover
zijn collega en zijn werkgever als zodanig worden gekwalificeerd. De psychiater heeft
de valse medische verklaring uit naam van zijn collega uitgebracht terwijl hij wist,
of in ieder geval had kunnen en moeten weten dat zij niet achter die verklaring zou
staan. In januari 2022 had de psychiater haar namelijk vanwege dezelfde kwestie ook
al om medewerking gevraagd door een valse medische verklaring voor zijn zoon uit te
brengen. De collega heeft dat toen geweigerd. Naast het feit dat de psychiater zich
in 2024 schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, heeft hij zich zowel in
2022 als in 2024 onprofessioneel, ongewenst en grensoverschrijdend tegenover de collega
gedragen. In januari 2022 trachtte hij haar aan te zetten tot het uitbrengen van een
medische verklaring zonder zijn voor haar onbekende zoon gesproken te hebben, waarbij
hij instructies gaf over de inhoud. Hiermee stuurde hij in 2022 al welbewust aan op
het door de collega afleggen van een valse verklaring. Door vervolgens de verklaring
van 23 augustus 2024 onterecht uit naam van de collega op te maken heeft de psychiater
feitelijk een valse verklaring afgelegd. Op 25 augustus 2024 trachtte hij de collega
bovendien ook nog te bewegen de door hem kort daarvoor uitgebrachte valse medische
verklaring tegenover de geadresseerde – desgevraagd – als zijnde van haar afkomstig
te bekrachtigen. Verweerder heeft hiermee in zijn hoedanigheid van psychiater, van
geneesheer-directeur en van coördinerend geneesheer-directeur van het College Geneesheer-directeuren
onprofessioneel, ongewenst en grensoverschrijdend gehandeld. De psychiater heeft in
zijn reflectiedocument van 9 oktober 2024 aan de Raad van Bestuur geschreven dat hij
bestrijdt zijn collega in 2022 onder druk te hebben gezet om de medische verklaring
op te stellen. Hierbij miskent de psychiater dat er tussen zijn collega en hem geen
gelijkwaardigheid was in hun onderlinge werkrelatie, alleen al vanwege zijn lange
staat van dienst als geneesheer-directeur (vanaf 2000) in vergelijking met de relatief
korte duur waarin zij die functie bekleedde (vanaf 2019), maar vooral ook vanwege
zijn rol als coördinerend geneesheer-directeur. De psychiater heeft deze ongelijkwaardigheid
in de werkrelatie eveneens miskend bij het opstellen van de verklaring in 2024 en
zijn daarop volgende verzoek aan de collega om de verklaring te bekrachtigen als zijnde
van haar afkomstig.
Het college stelt vast dat de psychiater ernstig is tekortgeschoten in zijn vak
en functie. Dat de psychiater, zoals hij heeft verklaard, in de tijd van de verweten
gedragingen in zijn persoonlijke leven een psychisch en financieel moeilijke fase
doormaakte en dat zijn handelen was ingegeven vanuit grote zorgen om het welzijn van
zijn zoon vanwege diens schuld van ruim €10.000, kan zijn handelen niet rechtvaardigen.
Ook dat hij in paniek gehandeld zou hebben is niet aan de orde: een professionele
hulpverlener mag zich nooit door paniek laten leiden en de toonzetting van de mail
aan zijn collega geneesheer-directeur (‘stout geweest’ en ‘strafwerk maken’) roept
de twijfel op in hoeverre dit uitspraken zijn die bij een paniekreactie passen. Ook
dit klachtonderdeel is gegrond.
Slotsom
5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht gegrond
zijn.
Maatregel
5.5 Nu de klacht gegrond zal worden verklaard, moet het college beslissen of een
maatregel op zijn plaats is en zo ja, welke maatregel. Duidelijk is dat de verweten
gedragingen zo ernstig zijn dat een maatregel is geboden. Bij het bepalen van de maatregel
weegt het college mee: de ernst van de gedragingen, dat het uitbrengen van een valse
medische verklaring een misdrijf is, dat hij een collega heeft trachten aan te zetten
tot het plegen van dat misdrijf, dat hij valsheid in geschrifte heeft gepleegd in
2024, dat er geen sprake is van een incidentele fout en van het bagatelliseren van
zijn gedraging in de mail(s) aan zijn collega, zoals ook blijkt uit de mail van 26
augustus 2024. Daarnaast is het college er niet van overtuigd dat de psychiater volledig
beseft hoe ernstig zijn gedragingen zijn en welk gedrag en welke verantwoordelijkheden
de functie van geneesheer-directeur meebrengt. In de functie die de psychiater bekleedde
wordt verwacht dat zijn gedrag boven alle twijfel is verheven. De verweten gedragingen
passen al niet bij een psychiater, maar zijn nog ernstiger door zijn positie van geneesheer-directeur
en helemaal door zijn positie van coördinator van de geneesheer-directeuren, dat bij
uitstek een rol heeft bij vraagstukken over grensoverschrijdend gedrag en integriteit.
Zoals klaagster ter zitting aangaf, fungeert een geneesheer-directeur als raadgever
wanneer een psychiater niet zelf uit een vraagstuk komt. Schokkend is ook het zich
ter zitting trachten te verontschuldigen door aan te geven dat de wetgeving binnen
de geestelijke gezondheidszorg heden ten dage zeer uitgebreid en complex is. Zeker
een geneesheer-directeur dient deze wetgeving te kennen en zelfs anderen hierin te
adviseren. Het zich beroepen op de complexiteit en omvang van deze wetgeving is, zeker
voor een geneesheer-directeur, ongepast. Het behoeft ook geen nadere uitleg dat hetgeen
is voorgevallen niet gezien kan worden als een gevolg van complexe wetgeving daar
het hier gaat om zeer basale wettelijke fundamenten: een arts mag niet willens en
wetens onjuiste informatie verstrekken, dit om privéredenen op papier van diens werkgever
doen en in naam van een ander. Vanwege de ernst van de zaak is het college van oordeel
dat niet kan worden volstaan met maatregel die lichter is dan een schorsing.
Evenwel weegt het college ook mee dat de psychiater tot 2022 een goede staat van
dienst had, dat zijn handelen grote gevolgen voor hem heeft gehad, dat hij niet meer
als geneesheer-directeur werkt en dat hij tegenover zijn nieuwe werkgever openheid
van zaken heeft gegeven.
5.6 Verder is meegewogen dat de gebeurtenissen die tot de verweten gedragingen van de psychiater hebben geleid, uitsluitend in zijn privésfeer liggen. Het recidivegevaar wordt dan ook in deze context beoordeeld. Volgens de psychiater is er geen recidivegevaar omdat zijn zoon zijn leven inmiddels goed op orde heeft en hij zelf een psychotherapeutisch traject heeft gevolgd om een meer volwassen relatie met zijn zoon te krijgen. Het college ziet het gevaar voor recidive echter wel, namelijk indien er rond zijn zoon toch weer sprake zou kunnen zijn van emotionele omstandigheden, zoals in 2022 en 2024 het geval was. Het college is dan ook van oordeel dat verweerder een lange proeftijd dient te verkrijgen aangezien hij het risico op herhaling en zijn eigen aandeel daarin onvoldoende onder ogen ziet.
5.7 Alles overwegende zal het college de psychiater een schorsing van een jaar opleggen, waarvan 3 maanden onvoorwaardelijk en 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Publicatie
5.8 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere psychiaters mogelijk iets van deze zaak kunnen
leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
Kostenveroordeling
5.9 Klaagster heeft verzocht de psychiater te veroordelen in de kosten die zij heeft
gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht
(gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Nu de
klacht gegrond is verklaard en de psychiater een maatregel wordt opgelegd, ziet het
college aanleiding de psychiater in de kosten van de procedure te veroordelen, met
inachtneming van artikel 69 lid 5 van de Wet BIG. Die kosten worden – aan de hand
van oriëntatiepunten met forfaitaire bedragen – begroot op € 1.344,- (wegens: reiskosten
€ 50,- en kosten gemachtigde € 1.294,-, uitgaande van 2 punten x € 647,- per punt,
uitgaande van een gemiddelde zaakszwaarte). Het griffierecht wordt bij een (deels)
gegronde klacht door het college terugbetaald.
6 De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- schorst de bevoegdheid van de psychiater om de aan de inschrijving in het register
verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van één jaar;
- beveelt dat negen maanden van deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd,
tenzij het college later anders mocht bepalen omdat de psychiater voor het einde van
een proeftijd van twee jaren zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten
dat in strijd is met de goede zorg die hij als psychiater behoort te betrachten, of
in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt;
- bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk is
geworden;
- bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat de psychiater
in het register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit
te oefenen;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift
voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
- veroordeelt de psychiater in de hierboven vastgestelde kosten van klaagster van
in totaal
€ 1.344,- (forfaitaire kosten advocaat en reiskosten);
- veroordeelt de psychiater dit bedrag – nadat deze uitspraak onherroepelijk is
geworden – te voldoen op de bankrekening van klaagster, binnen vier weken nadat deze
zijn gemachtigde schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening
waarop het bedrag kan worden gestort heeft laten weten.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, C.H. van
Dijk, lid-jurist, J.M.C. van Dam, A.M. van Hemert en M.H. Braakman, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus
2025.