ECLI:NL:TGZRAMS:2025:210 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/7990
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:210 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-08-2025 |
| Datum publicatie: | 22-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2025/7990 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een neuroloog. De neuroloog is door het A verzocht een neurologisch expertise te verrichten bij klaagster. Het komt niet vast te staan dat de neuroloog ongewenst of grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond door klaagster zich te laten ontkleden voor neurologisch onderzoek, nu dit onderzoek noodzakelijk en gepast was ten aanzien van de lichamelijke klachten van klaagster. Verder komt niet vast te staan dat klaagster niet serieus is genomen of dat het onderzoek van onvoldoende kwaliteit is. Klacht kennelijk ongegrond verklaard. |
A2025/7990
Beslissing van 22 augustus 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 22 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: C, wonende te B, tevens echtgenoot van klaagster,
tegen
D,
neuroloog,
werkzaam te E,
verweerder, hierna ook: de neuroloog,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam te Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de neuroloog die op verzoek van het
F met betrekking tot klaagster een neurologische expertise heeft verricht. De klacht
gaat over het neurologisch onderzoek en het expertiserapport.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1. Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 december 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 14 mei 2025;
- de e-mail van de gemachtigde van klaagster aan het college van 8 juli 2025;
- de reactie van het college per e-mail van 9 juli 2025 aan de gemachtigde van klaagster
en de gemachtigde van verweerder.
2.2. Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
Beslissing inzake de e-mail aan het college van 8 juli 2025
2.3. De e-mail van de gemachtigde van klaagster aan het college van 8 juli 2025
betreft een reactie op het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek. In de reactie
van het college van 9 juli 2025 is meegedeeld dat het college in raadkamer zal beslissen
of dit nagekomen bericht aan de zijde van klaagster nog als processtuk kan worden
geaccepteerd. De beslissing van het college luidt dat dit bericht niet als processtuk
wordt geaccepteerd. De e-mail is immers pas ontvangen nadat de voorfase was afgerond.
Partijen hebben niet de gelegenheid gekregen daarna nog aanvullende stukken toe te
sturen. Daarom kan de e-mail niet worden toegelaten. De e-mail maakt dus geen onderdeel
van het procesdossier en wordt dan ook niet inhoudelijk meegenomen bij de verdere
inhoudelijke beoordeling van de klacht.
3. Wat is er gebeurd?
Het expertiserapport
3.1. Op 14 juli 2022 heeft het F de neuroloog verzocht een neurologische expertise
te verrichten met betrekking tot klaagster. In de aanvraag staat (alle citaten voor
zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Mw was bij ons bekend met een ernstige depressie in 2020 en een rug operatie eind
2021. Ze geeft aan wegrakingen, hallucinaties, hoofdpijn, niet kunnen onthouden, slechte
concentratie; door een wegraking waarbij ze wel aanspreekbaar was voor haar man, maar
geen vragen meer van mij beantwoordde, was verder onderzoek niet mogelijk. Ze was
hiermee niet bekend, past niet bij de depressie en rugklachten.”
Het F heeft de volgende onderzoeksvragen aan de neuroloog voorgelegd:
- wat zijn uw diagnostische bevindingen?
- vindt u aanwijzingen voor functionele beperkingen voortkomend uit ziekte of gebrek?
- heeft u behandelsuggesties?
- hoe acht u de prognose?
3.2. De neuroloog heeft aan dit expertiseverzoek gevolg gegeven zoals hierna te noemen. Hij heeft op 31 januari 2023 gerapporteerd aan het F (hierna: het expertiserapport).
3.3. In het expertiserapport staat dat de neuroloog voor zijn onderzoek de volgende
informatie heeft ingewonnen:
- een brief van de huisarts van klaagster van 16 december 2022. Daarin wordt een
overzicht gegeven van de relevante klachten van klaagster;
- een ‘radiologieverslag van MRI-hersenen’ en een ‘herbeoordeling MRI-hersenen’,
beide van het G van 31 mei 2022. Daaruit bleken geen afwijkingen aan de hersenen.
Ook wordt vermeld dat de neuroloog correspondentie van het H en het G heeft opgevraagd,
maar niet heeft ontvangen.
3.4. In het expertiserapport staat ook dat de neuroloog klaagster op 21 december 2022 heeft gezien in het kader van het desbetreffende neurologisch onderzoek, waarbij hij een anamnese heeft afgenomen en een neurologisch onderzoek heeft verricht.
3.5. In het expertiserapport, onder het kopje ‘AANVULLEND ONDERZOEK’, staat voorts
dat de volgende aanvullende onderzoeken zijn verricht:
- een neuropsychologisch onderzoek door een GZ-psycholoog en een neuropsycholoog
op 13 december 2022;
- een MMSE (Mini Mental State Examination): 16/30.
3.6. Het expertiserapport vermeldt onder het kopje ‘SAMENVATTING EN BESCHOUWING’,
voor zover van belang:
“(…)
De huidige klachten bestaan uit een constante lage rugpijn, wisselende klachten
in het rechteronderbeen, en wisselende hoofdpijn. Tevens komen er uit de hetero-anamnese
cognitieve klachten naar voren, bestaande uit geheugenklachten en aandachts- en concentratieproblemen.
In het verlengde hiervan acht betrokkene zich volledig arbeidsongeschikt, maar kan
daarbij niet aannemelijk maken op welke wijze de klachten daadwerkelijk leiden tot
beperkingen ten aanzien van het beroepsmatig functioneren.
Bij het neurologisch onderzoek als zodanig worden geen relevante afwijkingen gevonden
behoudens een verminderde beweeglijkheid van de lumbale wervelkolom.
Er werd aanvullend onderzoek verricht in de vorm van een neuropsychologisch onderzoek
met als conclusie: er worden op een cognitieve screener duidelijke aanwijzingen gezien
voor cognitieve problemen. Vanwege de (fors) gestoorde symptoomvaliditeit kan dit
echter niet betrouwbaar geïnterpreteerd worden. Tevens vond een herbeoordeling plaats
van de MRI-hersenen uit mei 2022 met als conclusie: onderzoek zonder afwijkende bevindingen.
Met betrekking tot de objectiveerbaarheid van de klachten kom ik tot de volgende
afweging. De klachten die betrokkene beschrijft zijn weinig specifiek en, op basis
van het neurologisch onderzoek als zodanig in combinatie met het algehele functioneren,
niet of nauwelijks objectiveerbaar. Een en ander geeft dan ook geen aanleiding om
een - al dan niet ernstig - neurologisch ziektebeeld te veronderstellen. Middels beeldvormend
onderzoek van de hersenen is een neurodegeneratieve aandoening afdoende onwaarschijnlijk
gemaakt. Het betrouwbaar vaststellen van het cognitieve functioneren van betrokkene
is op basis van het uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek niet mogelijk. Aanwijzingen
voor neurologische aandoeningen die cognitieve stoornissen kunnen geven zijn er echter
evenmin. De wisselende hoofdpijn is op grond van de beperkte door betrokkene verschafte
informatie te aspecifiek om te kunnen classificeren.”
Onder het kopje ‘CONCLUSIE’ staat:
“Op neurologisch gebied vind ik geen duidelijke verklaring voor de door betrokkene
geclaimde klachten.”
3.7. De neuroloog heeft zijn bevindingen genoteerd in een conceptrapport, dat hij in het kader van het inzage- en correctierecht heeft verzonden naar klaagster. Daarop heeft klaagster gereageerd. De neuroloog heeft op zijn beurt op deze reactie gereageerd en daarbij geconcludeerd dat hij op basis van de geuite bezwaren van klaagster geen aanleiding zag het rapport aan te passen.
Het neurologisch onderzoek op 21 december 2022
3.8. Bij brief van 18 november 2022 is klaagster uitgenodigd voor het neurologisch
onderzoek door de neuroloog op 21 december 2022, waarbij een informatieblad met als
kop ‘CLIENTENINFORMATIE NEUROLOGISCHE EXPERTISE’ is meegestuurd.
3.9. Het neurologisch onderzoek bestond uit een gesprek met uitgebreide vragen van de neuroloog en een lichamelijk onderzoek. Het onderzoek vond plaats in het pand waar de neuroloog werkzaam was, in een kamer aan het uiteinde van een doodlopende gang, waar zich alleen spreekkamers bevinden en waarbij de deur dicht bleef. Klaagster werd bij dit bezoek vergezeld door haar echtgenoot C voornoemd. Hij is bij het gesprek telkens aanwezig geweest, behalve tijdens het lichamelijk onderzoek en een paar daaraan voorafgaande vragen van de neuroloog aan klaagster waarbij hij op de gang heeft gewacht.
3.10. Voorafgaand aan het lichamelijk onderzoek heeft de neuroloog klaagster verzocht haar broek uit te doen. In het expertiserapport staat onder het kopje ‘NEUROLOGISCH ONDERZOEK’ hierover: “Bij het ontkleden voor het neurologisch onderzoek zegt betrokkene ineens met krachtige stem: ‘moet de broek echt uit?’”. Nadat klaagster haar broek had uitgedaan, heeft de neuroloog het lichamelijk onderzoek verricht. Na afloop daarvan werd de echtgenoot weer binnen geroepen en werd het gesprek afgerond.
4. De klacht en de reactie van de neuroloog
4.1. De klacht van klaagster tegen de neuroloog bestaat uit de volgende onderdelen:
a) de neuroloog heeft ongewenst, grensoverschrijdend en ontwrichtend gedrag naar
haar getoond door geen respect te tonen voor haar lichamelijke integriteit en autonomie,
in het bijzonder met betrekking tot het onderzoek waarbij klaagster zich diende te
ontkleden;
b) de neuroloog heeft haar klachten niet serieus genomen;
c) het expertiserapport is van onvoldoende kwaliteit.
4.2. De neuroloog betwist de klachtonderdelen en is van mening dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Hij verzoekt het college de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1. De vraag is of de neuroloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende neuroloog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de neuroloog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
5.2. Het college oordeelt dat de neuroloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit oordeel wordt hieronder per klachtonderdeel toegelicht
Klachtonderdeel a)
5.3. Klachtonderdeel a) spitst zich toe op de gang van zaken tijdens het lichamelijk
onderzoek op 21 december 2022 waarbij klaagster zich diende te ontkleden. Volgens
klaagster heeft de neuroloog niet uitgelegd wat de medische noodzaak daarvan was.
Hij heeft niet met gepast begrip gereageerd op haar reactie op zijn verzoek tot het
uitdoen van haar broek, te weten ‘Moet de broek echt uit, want dat vind ik niet fijn’.
Hij heeft haar bovendien geen privacy gegeven bij het ontkleden, er was geen kamerscherm
en hij heeft de deur niet op slot gedaan. Bovendien heeft de neuroloog haar echtgenoot
niet toegelaten bij het lichamelijk onderzoek.
5.4. Volgens de neuroloog heeft hij de toevoeging van klaagster ‘want dat vind ik niet fijn’ niet gehoord, maar was dit wel invoelbaar. Hij heeft klaagster uitgelegd waarom dit ontkleden noodzakelijk was en geprobeerd haar wat op haar gemak te stellen. Zij heeft daarop vrijwillig haar broek uitgedaan zonder verdere discussie. Er was een kamerscherm in de kamer, waarvan klaagster evenwel geen gebruik heeft gemaakt, aldus de neuroloog.
5.5. Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel niet kan slagen. Redengevend is het volgende.
5.6 In het expertiserapport staat onder het kopje ‘ANAMNESE’ vermeld: “Als ik haar vraag naar de huidige klachten dan geeft betrokkene aan al jaren (…) rugklachten
te hebben, bestaande uit een constante pijn laag in de rug, toenemend door lang lopen
en zitten.”
Klaagster was in de ‘CLIENTENINFORMATIE NEUROLOGISCHE EXPERTISE’ (zie 3.8) vooraf
reeds op de hoogte gesteld over het plaatsvinden van een lichamelijk onderzoek. In
dat informatieblad staat dat daarbij onder meer “de motorische functies (bewegen,
kracht), coördinatie, reflexen en de sensibiliteit (het gevoel) worden getest”.
Gegeven haar specifieke klachten van lage rugpijn, kon klaagster op basis van deze
informatie redelijkerwijs verwachten dat ook haar onderrug onderzocht zou worden.
5.7 Voor het opstellen van een expertiserapport is een algeheel neurologisch onderzoek, in ieder geval gericht op de gepresenteerde medische klachten, voorgeschiedenis en beperkingen, een vereiste. Klaagster werd onder meer wegens lage rugklachten door de neuroloog gekeurd. Dan zou het onvolledig zijn om alleen een gekleed neurologisch onderzoek te verrichten. Inspectie van de rug is dan immers niet goed mogelijk. Zo zijn bijvoorbeeld neurologische reflexen dan niet goed te testen. Het uitdoen van de broek was in de gegeven situatie dan ook een noodzakelijk onderdeel van een zorgvuldig onderzoek.
5.8 In deze situatie hoefde de neuroloog de vraag van klaagster ‘moet de broek echt
uit?’ naar aanleiding van zijn verzoek daartoe, redelijkerwijs niet te interpreteren
als een weigering, maar eerder als een begrijpelijk ongemak vanwege de intimiteit
daarvan. Uit het dossier valt niet af te leiden dat in de onderhavige situatie sprake
is geweest van een handeling van de neuroloog waarvoor geen (expliciete of impliciete)
toestemming is verleend. Het college ziet bovendien geen aanwijzingen in het dossier
dat de neuroloog irrelevant lichamelijk onderzoek zou hebben gedaan.
5.9 Het verwijt dat de neuroloog de privacy van klaagster niet zou hebben gerespecteerd doordat er geen kamerscherm in de kamer stond waarachter zij zich kon ontkleden, faalt reeds nu de neuroloog - met overlegging van een foto van een kamer met daarin een kamerscherm - heeft betwist dat daar geen kamerscherm aanwezig was. Het gaat hier om het woord van de één tegen de ander en het college kan dus niet vaststellen of dit kamerscherm feitelijk ontbrak. Indien wel zou komen vast te staan dat klaagster haar broek heeft moeten uitdoen zonder de mogelijkheid te krijgen zich af te zonderen, dan acht het college dit bepaald niet optimaal, maar in de gegeven omstandigheden ook niet zodanig laakbaar dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn. Dat de deur van de kamer niet op slot was en dat dit tot een privacy schending zou (kunnen) leiden acht het college niet aannemelijk gegeven de in 3.9 weergegeven setting van de kamer. Op grond daarvan en nu (onweersproken) de deur van de kamer wel gesloten was, veronderstelt het college dat de privacy van klaagster voldoende gewaarborgd was.
5.10 De omstandigheid dat de echtgenoot niet werd toegelaten bij het lichamelijk onderzoek, leidt niet tot een ander oordeel. Niet gesteld noch gebleken is immers dat klaagster hierom heeft verzocht en evenmin dat zij door de afwezigheid van haar echtgenoot in enig tuchtrechtelijk relevant belang is geschaad.
Klachtonderdeel b)
5.11 Klachtonderdeel b) ziet op de schriftelijke reactie van (de gemachtigde van)
klaagster op het conceptrapport van de neuroloog (opgenomen in klaagschrift, bijlage
2) en de schriftelijke reactie daar weer op van de neuroloog (opgenomen in klaagschrift,
bijlage 3). Het verwijt van klaagster is dat dat de klachten die zijn vervat in haar
reactie niet serieus zijn genomen door de neuroloog. Zijn reactie was erg kort en
emotieloos. De neuroloog heeft geen inzicht getoond in de aard en gevolgen van zijn
gedrag en houding jegens klaagster en heeft niets geleerd van haar klachten, aldus
klaagster.
5.12 Ook dit klachtonderdeel faalt.
5.13 Het college houdt rekening met de ‘Richtlijn medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband’ (NVMSR) editie april 2016, die hier - gegeven de datum van het te beoordelen feitencomplex - van toepassing is. In artikel 5.2 daarvan staat: “Bij de bejegening van de onderzochte worden de gebruikelijke, maatschappelijk aanvaarde omgangsvormen gehanteerd. De bejegening is vriendelijk en beleefd, tegelijk ook zakelijk en wordt gekenmerkt door professionele distantie.” Deze bepaling moet worden beschouwd vanuit de specifieke situatie van een expertiserapport zoals het onderhavige. Daarbij is de verhouding tussen de expertiserend arts en de te keuren persoon anders dan bij een normale arts-patiënt relatie. De arts die het rapport opstelt dient zowel de belangen van de gekeurde (in dit geval klaagster) als van de opdrachtgever (het F) te bewaken. Daarmee is er minder ruimte om in verzoeken en opmerkingen van een van beide zijdes mee te gaan. Er is bovendien een grotere kans dat een van beide partijen het niet eens is met de overwegingen en conclusies. Inherent aan zijn neutrale positie is dat de expertiserend arts vragen van partijen naar aanleiding van het conceptrapport zo zakelijk mogelijk beantwoordt.
5.14 Naar het oordeel van het college voldoet voornoemde reactie van de neuroloog aan deze bejegeningseisen en heeft hij daarbij zorgvuldig jegens klaagster gehandeld. Het inzage- en correctierecht houdt geen verplichting in om het rapport aan de wensen van de keurling aan te passen. De reactie van de neuroloog op het inzage- en correctierecht van klaagster is lege artis toegepast.
5.15 Nu, zoals in deze uitspraak wordt toegelicht door het college, ook overigens niet kan worden vastgesteld dat de neuroloog op punten verwijtbaar tekort is geschoten in zijn rapportage, kan het verwijt van klaagster dat de neuroloog onvoldoende inzicht heeft getoond naar aanleiding van haar klachten evenmin slagen.
Klachtonderdeel c)
5.16 Klachtonderdeel c) ziet op de kwaliteit van het expertiserapport. Dit klachtonderdeel
wordt eveneens verworpen.
5.17 Bij de beoordeling van de vraag of een advies van een arts voldoet aan de daaraan
te stellen eisen, dienen de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:
i) Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
ii) Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
iii) In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
iv) Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen;
v) De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van
vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan.
Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in
redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
5.18 Klaagster voert in dit verband als eerste aan dat de neuroloog de medische gegevens van H niet heeft meegewogen in zijn rapportage, terwijl deze volgens klaagster al op 23 december 2022 waren verstuurd naar zijn werkadres. Het college overweegt als volgt. Blijkens het expertiserapport had de neuroloog voor zijn onderzoek deze gegevens wel opgevraagd, maar niet ontvangen. In eerste instantie heeft hij hiermee dus geen rekening gehouden. De neuroloog heeft in het kader van de onderhavige procedure toegelicht dat hij de desbetreffende correspondentie uit het H na afronding van zijn expertiserapport alsnog heeft gezien nadat die stukken in een bezwaarprocedure tegen het F door klaagster zelf waren ingebracht. In die bezwaarprocedure heeft het F aan de neuroloog gevraagd of zijn reactie na kennisneming van die stukken aangepast diende te worden. Daarop heeft de neuroloog per brief aan het F van 14 oktober 2024 geantwoord: “Ik heb de correspondentie (…) met aandacht gelezen. Deze bevat geen relevante nieuwe informatie, de conclusie van de rapportage blijft derhalve ongewijzigd (…)”. Hieruit volgt dat de neuroloog (uiteindelijk) deze informatie wel heeft ontvangen en dat hij deze alsnog heeft meegewogen ten behoeve van zijn rapportage. Dit verwijt houdt dus geen stand.
5.19 Klaagster stelt verder dat de neuroloog ten onrechte geen rekening heeft gehouden
met het feit dat haar wervels zijn ingezakt. Tijdens het mondelinge vooronderzoek
heeft zij gezegd dat dit haar het meest heeft gekwetst, omdat zij jarenlang veel pijn
heeft gehad en uiteindelijk bleek dat zij een rugverzakking had.
Het college overweegt dat blijkens het expertiserapport noch uit de ingewonnen medische
informatie, noch uit het eigen lichamelijk onderzoek van de neuroloog volgt dat klaagster
ingezakte wervels zou hebben. De neuroloog heeft tijdens het mondelinge vooronderzoek
zijn standpunt nader toegelicht als volgt: “Er is gesproken over een wervelinzakking. Deze heb ik tijdens het onderzoek niet kunnen
vaststellen. De röntgenfoto’s van de neuroloog waren op dat moment nog niet beschikbaar
waren; deze zijn pas later verstrekt. Het is juist dat een wervelinzakking niet van
de buitenkant zichtbaar is, maar op basis van mijn onderzoeksbevindingen en de klachten
van klaagster achtte ik het niet noodzakelijk om de beelden te raadplegen. Tijdens
het onderzoek wordt altijd vermeld dat aanvullende informatie kan worden opgevraagd,
maar alleen als deze relevant is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. In
dit geval heb ik beoordeeld dat dit niet zo was en de rapportage afgerond. Nadat de
beelden alsnog zijn ontvangen, heb ik ze bekeken, maar zij gaven geen aanleiding om
de rapportage te wijzigen.”
Het college ziet in de gegeven situatie geen aanleiding het expertiserapport ter
zake niet te volgen. Klaagster kan dan ook niet worden gevolgd in dit verwijt.
5.20 Klaagster verwijt de neuroloog ook dat hij (een deel van) haar antwoorden foutief
heeft genoteerd in het expertiserapport. Concreet noemt klaagster als voorbeeld dat
daarin onder het kopje ‘ANAMNESE’ staat ‘Desgevraagd denkt betrokkene zelf dat ze
depressief is’. Volgens klaagster heeft zij dat niet gezegd maar heeft zij aangegeven
het niet te weten.
Het college kan geen oordeel vellen over wat wel of niet tijdens het expertiseonderzoek
gezegd is, aangezien de meningen van klaagster en de neuroloog hierover uiteenlopen.
Daar komt bij dat blijkens het expertiserapport dit nuanceverschil geen doorslaggevende
rol heeft gespeeld bij de conclusie van de neuroloog. Dit verwijt kan dan ook niet
slagen.
5.21 Klaagster heeft tot slot eerst bij het mondelinge vooronderzoek geklaagd dat
de score op de MMSE (Mini Mental State Examination), te weten slechts 16 van de 30
punten, niet in het oorspronkelijke verslag stond. Zij zag dit pas 2,5 jaar later
bij kennisname van het verweerschrift en zou bij eerdere wetenschap direct naar de
huisarts zijn gegaan, aldus klaagster. De neuroloog heeft daarop geantwoord: “De score die klaagster behaalde op de MMSE was inderdaad laag. Een dergelijke score
kan in sommige gevallen wijzen op dementie. In dit geval had ik echter niet de indruk
dat daarvan sprake was. In de beschouwing van het rapport is ook vermeld dat er een
psychiatrische expertise heeft plaatsgevonden. Met andere woorden: de lage score wijst
in dit geval niet op dementie.”
Het college stelt vast dat dit verwijt weliswaar pas in een laat stadium is toegevoegd
aan de klachten, maar dat dit wel past binnen het kader van het reeds bij het klaagschrift
ingebrachte klachtonderdeel c, en dat de neuroloog hierop ook inhoudelijk heeft geantwoord
tijdens het mondelinge vooronderzoek. Het college komt dan ook toe aan een inhoudelijke
beoordeling van dit verwijt en overweegt als volgt.
In het door klaagster overgelegde expertiserapport wordt onder het kopje ‘AANVULLEND
ONDERZOEK’ melding gemaakt van aanvullend neuropsychologisch onderzoek en voornoemde
MMSE-uitslag (zie 3.5 hiervoor). Onder het kopje ‘SAMENVATTING EN BESCHOUWING’ staat
(zie 3.6): “Er werd aanvullend onderzoek verricht in de vorm van een neuropsychologisch onderzoek
met als conclusie: er worden op een cognitieve screener duidelijke aanwijzingen gezien
voor cognitieve problemen. Vanwege de (fors) gestoorde symptoomvaliditeit kan dit
echter niet betrouwbaar geïnterpreteerd worden.”
Gelet hierop kan het college niet concluderen dat klaagster pas voor het eerst bij
kennisname van het verweerschrift op de hoogte kon zijn van bedoelde testuitslag,
laat staan dat dit het gevolg was van verwijtbaar toedoen of nalaten door de neuroloog.
Tevens is het college van oordeel dat de neuroloog, op basis van deze aanvullende
rapportages die expliciet zijn meegenomen en gewogen in zijn beschouwing, redelijkerwijs
tot de door hem toegelichte conclusie ter zake kon komen.
Ook dit verwijt houdt dus geen stand.
Slotsom
5.22 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 22 augustus 2025 door P.J. van Eekeren, voorzitter,
J.A. Carpay en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.