ECLI:NL:TGZRAMS:2025:209 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8109

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:209
Datum uitspraak: 22-08-2025
Datum publicatie: 22-08-2025
Zaaknummer(s): A2025/8109
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klager heeft een fietsongeval gehad en in verband met de afwikkeling van de aansprakelijkheid van de hierbij betrokken bestuurder heeft de arts een deskundigenonderzoek gedaan en een rapport opgesteld. Onheuse bejegening tijdens het onderzoek kan niet worden vastgesteld. De conceptrapporten en het definitieve rapport voldoen aan de criteria en de arts heeft de van toepassing zijnde richtlijnen in acht genomen. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

A2025/8109
Beslissing van 22 augustus 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 22 augustus 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
arts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft een fietsongeval gehad en in verband met de afwikkeling van de aansprakelijkheid van de hierbij betrokken bestuurder heeft verweerder een deskundigenonderzoek gedaan en een rapport opgesteld. Klager verwijt de arts dat hij hierbij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 januari 2025;
- het verweerschrift.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. De feiten
3.1 Klager, geboren in 1984, heeft in juni 2019 een fietsongeval gehad. De verzekeraar van de bestuurder van de auto heeft aansprakelijkheid van de bestuurder erkend. In de letselschadeprocedure die hierop volgde hebben partijen, de verzekeraar en klager, verweerder verzocht een onafhankelijk deskundigenonderzoek te verrichten en een rapport op te stellen. Dit onderzoek is uiteindelijk gestart in september 2023.

3.2 Verweerder is in verband met zijn pensionering niet langer praktiserend neuroloog, zijn huidige BIG-registratie betreft arts. Ten tijde van het onderzoek was verweerder werkzaam als deskundige in onder andere letselschadezaken in het kader van wettelijke aansprakelijkheid. Verweerder heeft geen formele banden met de verzekeraar.

3.3 Op 20 september 2023 heeft verweerder in het kader van het deskundigenonderzoek een gesprek met klager gevoerd waarvan een anamnese deel uitmaakte (hierna: het onderzoek). Ook de partner van klager was daarbij aanwezig. Klager had tevoren aantekeningen gemaakt die hij af en toe tijdens het gesprek raadpleegde en die hij na afloop heeft overhandigd aan verweerder.

3.4 Op 2 oktober 2023 heeft verweerder zijn conceptrapport (hierna: het eerste conceptrapport) met als bijlage voornoemde aantekeningen van klager aan partijen gestuurd.

3.5 Op 13 oktober 2023 heeft klager in het kader van zijn correctierecht gereageerd op dit conceptrapport en zich daarin ook uitgelaten over het onderzoek.

3.6 Op 14 oktober 2023 heeft verweerder een tweede conceptrapport (hierna: het tweede conceptrapport) verstuurd aan partijen.

3.7 Op 29 november 2023 heeft de advocaat van klager naar aanleiding van het tweede conceptrapport commentaar gegeven en aanvullende vragen gesteld.

3.8 Op 22 januari 2024 heeft verweerder hierop gereageerd en heeft hij het definitieve rapport (hierna: het definitieve rapport) toegestuurd aan partijen. In het definitieve rapport wordt geconcludeerd:
(…) 1. Tijdelijke nekklachten na val met de fiets. Geen aanwijzingen voor een schedel-hersenletsel of whiplash associated disorder.
2. Klachten over reukverlies zonder aanwijsbare neurologische oorzaak.
3. Aspecifieke klachten, waarvoor geen neurologische aanknopingspunten. (…)

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat hij - kort gezegd - :
a) de klachten van klager heeft genegeerd, tijdens het onderzoek geen pauze heeft gelast en klager daarmee extra gezondheidsschade heeft toegebracht;
b) ongewenst gedrag heeft vertoond;
c) geen empathie heeft getoond en respectloos was;
d) heeft verzuimd de gezondheidstoestand en emoties van klager tijdens het onderzoek te vermelden in het rapport;
e) feiten heeft verdraaid en afgevlakt;
f) heeft geïnsinueerd dat klager liegt;
g) de nekklachten van klager niet serieus heeft genomen;
h) de conclusies wat betreft hoofd-/hersenletsel en de afwezigheid van nekpijn heeft gebaseerd op eigen aannames;
i) een medische insteek mist bij het nemen van conclusies;
j) veel bevindingen van collega’s heeft genegeerd.

4.2 De arts heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren, althans de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

Ontvankelijkheid
5.1 De arts heeft primair naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in de klacht.

5.2 Het college komt tot het oordeel dat klager wel ontvankelijk is, aangezien het
klaagschrift voldoet aan de gestelde eisen en de klacht ziet op handelen of nalaten in strijd met de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 onder a van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg, hierna Wet BIG). Het college zal de klacht daarom inhoudelijk bespreken.

De criteria voor de beoordeling
5.3 Het college stelt voorop dat het bij een tuchtrechtelijke toetsing van
professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de arts bij beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.4 Het college heeft bij de bespreking van de klacht onderscheid gemaakt tussen de verwijten die zien op het onderzoek van 20 september 2023 en de verwijten die zien op de twee conceptrapporten en het definitieve rapport.
 

Klachtonderdeel a t/m c) het onderzoek van 20 september 2023
5.5 Klager verwijt de arts dat hij tijdens het onderzoek de klachten van klager heeft
genegeerd, geen pauze heeft ingelast, ongewenst gedrag heeft vertoond, geen empathie heeft getoond en respectloos was. De arts heeft deze verwijten gemotiveerd betwist.


5.6 Het college houdt rekening met de ‘Richtlijn medisch specialistische rapportage in
bestuurs- en civielrechtelijk verband’ (NVMSR) editie april 2016, die hier - gegeven de datum van het te beoordelen feitencomplex - van toepassing is. In artikel 5.2 daarvan staat: “Bij de bejegening van de onderzochte worden de gebruikelijke, maatschappelijk aanvaarde omgangsvormen gehanteerd. De bejegening is vriendelijk en beleefd, tegelijk ook zakelijk en wordt gekenmerkt door professionele distantie.
Deze bepaling moet worden beschouwd vanuit de specifieke situatie van een deskundigenonderzoek zoals het onderhavige. Daarbij is de verhouding tussen de expertiserend arts (verweerder) en de te keuren persoon (klager) anders dan bij een reguliere arts-patiënt relatie. De arts die het rapport opstelt dient zowel de belangen van de gekeurde (in dit geval klager) als van de opdrachtgever (de verzekeraar) te bewaken. Daarmee is er minder ruimte om in verzoeken en opmerkingen van een van beide zijdes mee te gaan. Er is bovendien een grotere kans dat een van beide partijen het niet eens is met de overwegingen en conclusies.

5.7 Het college overweegt dat klachten over bejegening in het algemeen moeilijk te
beoordelen zijn. Het college kan niet in objectieve zin vaststellen wat er tijdens het onderzoek van 20 september 2023 precies is gebeurd, is gezegd of juist niet is gezegd. Het college benadrukt dat het woord van klager (en zijn partner die bij het gesprek aanwezig was) niet minder geloof verdient dan dat van de arts. Echter, om vast te stellen dat bepaalde gedragingen tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn, moet eerst worden vastgesteld welke feiten ten grondslag kunnen worden gelegd. Deze feiten kan het college niet vaststellen. Daarom kan het college ook niet oordelen of de arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college wijst klachtonderdelen a t/m c daarom als kennelijk ongegrond af.

Klachtonderdeel d t/m j) de conceptrapporten en het definitieve rapport
5.8 Bij de beoordeling van een medisch deskundigenrapport als onderhavige dient het
college volgens vaste jurisprudentie na te gaan of het rapport voldoet aan de volgende criteria:
a) het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
b) het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
c) in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
d) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
e) de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn/haar deskundigheid.
Hierbij onderzoekt het college ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Echter, ten aanzien van de conclusie van het rapport vindt slechts een marginale toets plaats door het college. In dat kader wordt getoetst of verweerder in redelijkheid tot zijn of haar conclusie heeft kunnen komen.

5.9 Bovendien neemt het college ter beoordeling van deze klacht in aanmerking de NVMSR-Richtlijn, zoals genoemd in overweging 5.6.

5.10 Klager verwijt de arts, kort gezegd, dat hij in zijn rapporten heeft verzuimd de
gezondheidstoestand en emoties van klager tijdens het onderzoek te vermelden, de feiten heeft verdraaid en afgevlakt, heeft geïnsinueerd dat klager liegt, de nekklachten van klager niet serieus heeft genomen, de conclusies wat betreft hoofd-/hersenletsel en de afwezigheid van nekpijn heeft gebaseerd op zijn eigen aannames, een medische insteek mist bij het nemen van zijn conclusies en bevindingen van collega’s heeft genegeerd. De arts heeft ook deze klachtonderdelen weersproken.

5.11 Het college overweegt als volgt. De arts heeft op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend waren ten tijde van het onderzoek (ex tunc) duidelijk en goed gemotiveerd onderscheiden welke klachten van klager wel en welke niet als ongevalsgevolg kunnen worden beschouwd. Hij heeft een uitgebreide anamnese afgenomen en bovendien acht geslagen op onder meer de bevindingen van zowel de huisarts als twee neurologen die klager hebben onderzocht. Door deze drie zorgverleners is geen melding gemaakt van bewustzijnsverlies, uitwendige verwondingen aan het hoofd, posttraumatische amnesie of verwardheid. Het is bovendien navolgbaar dat verweerder in het definitieve rapport mede is uitgegaan van de bevindingen van de neuroloog die klager negen dagen na het ongeval heeft gezien en de verzekeringsarts. Ook is verweerder gemotiveerd ingegaan op de subjectieve klachten van klager na het ongeval, waarbij hij heeft geconcludeerd dat er neurologisch gezien geen beperkingen konden worden vastgesteld. Tot slot heeft de arts, anders dan de medisch adviseur van klager heeft genoteerd, wel gekeken naar een mogelijke whiplash, maar heeft hij dit op basis van het onderzoek verworpen. De arts is daarbij binnen de grenzen van zijn deskundigheid gebleven. Ook heeft hij het bepaalde in de van toepassing zijnde richtlijnen van de Vereniging voor Neurologie, daaronder begrepen de Richtlijn Functieverlies van de NvN (zesde editie, 2020), de Richtlijn Whiplash 2008 (opnieuw geaccordeerd in 2016) en de Richtlijn licht traumatisch hoofd hersenletsel, in acht genomen. De arts heeft vervolgens in redelijkheid tot zijn conclusie kunnen komen.

5.12 In dit licht bezien, zijn de verwijten van klager niet voldoende gemotiveerd om te kunnen concluderen dat de arts aan een van de hierboven vermelde criteria niet zou hebben voldaan. Dat klager en zijn medisch adviseur (niet zijnde een neuroloog) het niet eens zijn met de conclusies van de arts doet, gelet op wat daartoe is aangevoerd, daar niet aan af.

Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.


6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 22 augustus 2025 door P.J. van Eekeren, voorzitter, J.A. Carpay en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.