ECLI:NL:TGZRAMS:2025:208 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8014

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:208
Datum uitspraak: 22-08-2025
Datum publicatie: 22-08-2025
Zaaknummer(s): A2025/8014
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een neuroloog. De behandelend neuroloog van klager heeft klager verwezen naar verweerder met de vraag of klager in aanmerking zou komen voor behandeling in zijn ziekenhuis. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en klager terugverwezen. Klager stelt dat verweerder door deze afwijzing onterecht ervoor heeft gezorgd dat er geen behandelrelatie met hem is aangegaan door het ziekenhuis. Klager is ontvankelijk, dit valt onder de tweede tuchtnorm. De neuroloog heeft slechts kennis kunnen nemen van de informatie in de verwijsbrief en daarin stond als reden enkel de geografische voorkeur van klager. Andere redenen van belang voor klager waren de neuroloog toen nog niet bekend. De neuroloog hoefde klager niet toe te laten voor een consult in het ziekenhuis. Klacht is kennelijk ongegrond verklaard.

A2025/8014
Beslissing van 22 augustus 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORGn AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 22 augustus 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
neuroloog,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de neuroloog,
gemachtigde: mr. E.E. Schmitt-Hoogeterp, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Verweerder is als neuroloog werkzaam in het E. De behandelend neuroloog van klager heeft klager verwezen naar verweerder met de vraag of klager in aanmerking zou komen voor een Deep Brain Stimulation (hierna: DBS)-behandeling in het E. Verweerder heeft, als triagist, dit verzoek afgewezen en klager terugverwezen naar zijn behandelend neuroloog. Klager stelt dat verweerder door deze afwijzing onterecht ervoor heeft gezorgd dat er (in eerste instantie) geen behandelrelatie met hem is aangegaan door het E.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 januari 2025;
- de aanvullende informatie van klager met bijlage, ontvangen op 27 januari 2025;
- het verweerschrift;
- de notitie ontvangen per e-mail van klager van 13 april 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 24 april 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 De behandelend neuroloog van klager heeft klager bij brief van 27 december 2024 verwezen naar verweerder, werkzaam in het E (hierna: het ziekenhuis). In deze verwijsbrief (hierna: de verwijsbrief) staat vermeld [alle citaten zijn inclusief eventuele type- en spelfouten, college]:
(…) Op verzoek van patiënt verwijs ik hem naar jullie centrum met de vraag of hij in aanmerking komt voor DBS vanwege cervicale dystonie.
Ik zag hem in 12-2015 vanwege scheefstand van hoofd en nek. Er was toen een rotatie naar Links, nijgen naar rechts, antecollis toen nog zonder tremor. Er leek sprake van cervicale dystonie. Een MRICWK ,
Toonde geen oorzaak. We startten met botuline toxine A behandeling (Botox) waarbij nooit een Bevredigend resultaat geboekt werd. Omdat het bijna niets deed heeft hij zich aan behandeling onttrokken tot Een jaar geleden. We hebben toen op zijn verzoek nog clonazepam 1 dd 0,5 mg geprobeerd wat geen enkel effect had. Ik verwees hem
naar het F waar geconcludeerd werd dat hij antistoffen aanmaakt tegen botuline toxine. Er werd daar gesproken over DBS maar dat wilde hij toen niet.
Nu zou hij daar wel voor in aanmerking willen komen. Vanwege geografische overwegingen het liefst in jullie centrum. (…)

3.2 Verweerder heeft in zijn hoedanigheid als acute supervisor de verwijsbrief diezelfde
dag bekeken. De functie van acute supervisor houdt in dat diegene tijdens zijn of haar dienst in het ziekenhuis een week lang alle verwijzingen die binnenkomen beoordeelt. Deze activiteit wordt ook wel ‘triage’ genoemd.

3.3 Bij brief van 27 december 2024 heeft verweerder aan de behandelend neuroloog
teruggeschreven:
(…) Ik heb uw verwijzing met aandacht gelezen, maar denk dat hij toch het beste terug kan naar het F waar hij specifiek met deze klacht gezien is en bovendien de indicatie is gesteld. Beide argumenten wegen voor mij zwaarder dan een geografisch voordeel(tje). (…)”

3.4 Per e-mail van 6 januari 2025 heeft klager vervolgens aan het
ziekenhuis, afdeling neurologie, gericht aan verweerder, meegedeeld dat hij graag in het ziekenhuis de DBS-behandeling wenst te ondergaan omdat hij - kort gezegd – goede ervaringen heeft met een neurochirurg die aan het ziekenhuis is verbonden, en heeft hij verweerder verzocht om zijn beslissing te heroverwegen.

3.5 Per e-mail van 7 januari 2025 heeft de coördinator Poli Neurologie van het
ziekenhuis aan klager meegedeeld: “(…) Wij hebben dit besproken met de betreffende neuroloog en namens hem delen wij u mede dat wij u terugverwijzen naar dr. G van het H. Wij kunnen u helaas niet verder van dienst zijn. (…)


4. De klacht en de reactie van de neuroloog
4.1 Volgens klager heeft de neuroloog onjuist gehandeld, omdat hij ervoor heeft gezorgd dat er in eerste instantie geen behandelrelatie met klager is aangegaan door het ziekenhuis. Aanvankelijk luidde de klacht ook dat de neuroloog een behandelrelatie met klager was aangegaan, maar die ten onrechte had verbroken. Uit het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek blijkt echter dat klager dat klachtonderdeel niet heeft gehandhaafd, zodat beoordeling daarvan achterwege kan blijven.

4.2 De neuroloog heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de neuroloog het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De neuroloog stelt dat klager niet-ontvankelijk is en voert daartoe het volgende aan. Er heeft geen geneeskundige behandelingsovereenkomst bestaan tussen klager en de neuroloog en de neuroloog heeft niet de gezondheidstoestand van klager beoordeeld. Dus is klager tuchtrechtelijk geen rechtstreeks belanghebbende en is toetsing aan de eerste tuchtnorm niet aan de orde. Het betreft hier ook geen gedragingen van de neuroloog waarop de tweede tuchtnorm ziet. Bovendien heeft klager geen concreet belang bij een uitspraak van het college, aangezien hij uiteindelijk alsnog een consult in het ziekenhuis heeft gehad.

5.2 Het college is van oordeel dat klager ontvankelijk is. Daarbij staat het volgende voorop. De eerste tuchtnorm betreft het handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbehandelaar behoort te verlenen (artikel 47 lid 1 onder a van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg, hierna Wet BIG). De tweede tuchtnorm omvat “enig ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt” (artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG). Daarnaast is voor de ontvankelijkheid vereist dat klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende (conform artikel 65 lid 1 onder a Wet BIG). Dit houdt in dat bij klager sprake moet zijn van een concreet en rechtstreeks eigen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de Wet BIG, die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken.

5.3 Het college overweegt allereerst dat blijkens het proces-verbaal van het mondelinge
vooronderzoek tussen partijen niet langer in geschil is dat de neuroloog geen behandelrelatie is aangegaan met klager. Ook het college gaat daarvan uit. De klacht ziet in de kern dus op de weigering om met een patiënt die daarom vraagt een geneeskundige behandelingsovereenkomst, als bedoeld in artikel 7:446 BW, aan te gaan. Deze gedraging
valt naar het oordeel van het college onder de reikwijdte van voornoemde tweede tuchtnorm (vgl. Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag van 12 maart 2025, ECLI:NL:TGZCTG:2025:30). Het college betrekt hierbij dat, naar vaststaat, de neuroloog niet inhoudelijk betrokken is geweest bij de geneeskundige behandeling van klager. Hij heeft klager niet gezien noch zijn gezondheidstoestand beoordeeld. Dat neemt echter niet weg dat de neuroloog in zijn rol van triagist wél een afwijzende behandelbeslissing heeft genomen naar aanleiding van een specifiek medische vraag van klager zoals verwoord in de verwijsbrief. Anders dan de neuroloog meent, doet daaraan niet af dat, indien de neuroloog als triagist klager wel had toegelaten voor een consult in het ziekenhuis, de neuroloog mogelijk niet zelf een behandelrelatie zou zijn aangegaan met klager. Hieruit volgt dat de hem verweten gedraging voldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg heeft. Daarmee is ook het concreet en rechtstreeks belang van klager dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg, gegeven. De door de neuroloog tot slot benoemde omstandigheid dat klager vervolgens alsnog wél is toegelaten voor een consult in het ziekenhuis ter beoordeling van dystonie, laat het tuchtrechtelijk relevant belang van klager in dit geval onverlet.

5.4 Het college acht op grond van het voorgaande klager ontvankelijk in zijn klacht en komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. De criteria voor de beoordeling

5.5 De vraag is of de neuroloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende neuroloog. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de neuroloog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.6 Het college oordeelt dat de neuroloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hiertoe overweegt het college als volgt.

5.7 Klager is het niet eens met het afwijzende besluit van de neuroloog. Hij vindt dat zijn verzoek voor een gesprek over de mogelijkheden van een DBS-behandeling in het ziekenhuis door de neuroloog te gemakkelijk aan de kant is geschoven. De neuroloog heeft aangevoerd dat in de verwijsbrief alleen de geografische overwegingen zijn genoemd als reden voor klager om in het ziekenhuis behandeld te willen worden.

5.8 Het college stelt voorop dat ter beoordeling van het afwijzende besluit van de neuroloog slechts kan worden gekeken naar de informatie die de neuroloog ten tijde van dat besluit tot zijn beschikking had. Niet in geschil is dat de neuroloog op dat moment slechts kennis heeft genomen van de verwijsbrief met de daarin opgenomen medische informatie.

5.9 Uit die informatie volgt dat vijf maanden eerder klager reeds met F over DBS als mogelijke behandeloptie had gesproken. De neuroloog mocht er dus vanuit gaan dat de vraag of DBS toepasbaar was bij klager toen reeds was beoordeeld door F en dat deze informatie daar dus al beschikbaar was. Volgens de verwijsbrief wilde klager destijds niet, maar inmiddels alsnog wél voor DBS in aanmerking komen. Niet blijkt dat (wederom) verwijzing naar F niet tot de mogelijkheden behoorde; de enige in de verwijsbrief genoemde reden voor verwijzing naar specifiek het E was de geografische voorkeur van klager. Bovendien staat als onweersproken vast dat de reistijdverkorting van klager bij toelating in het ziekenhuis ten opzichte van F (zeer) gering zou zijn, terwijl klager geen bijzondere omstandigheden heeft toegelicht waarom een iets langere reistijd naar F niet van hem gevergd zou kunnen worden. Dat klager een bepaalde specialist in het ziekenhuis op het oog had, was de neuroloog niet bekend ten tijde van zijn besluit en is reeds daarom niet relevant voor de beoordeling.

5.10 De neuroloog mocht dus veronderstellen dat klager relatief kort te voren nog was gezien in F met zijn specifieke klacht en dat daar was geconstateerd dat klager antistoffen tegen botuline toxine had en bovendien reeds een DBS-indicatie was gesteld. Binnen het kader van de door hem als triagist te maken belangenafweging mocht hij die omstandigheid zwaarder wegen dan het geografische voordeel(tje) van klager bij een consult in het ziekenhuis. Hij mocht klager dan ook terugverwijzen naar zijn behandelend neuroloog met als conclusie dat klager het beste terug kon naar het F. De neuroloog heeft daarbij het belang van klager bij goede zorg zorgvuldig meegewogen. De neuroloog mocht in deze situatie hiermee volstaan en was dus niet gehouden om bovendien rechtstreeks contact met klager te hebben.

5.11 Het college concludeert, gegeven voornoemd toetsingskader, dat de neuroloog als een redelijk handelend beroepsgenoot heeft gehandeld door klager niet toe te laten voor een consult in het ziekenhuis. De neuroloog treft dus geen tuchtrechtelijk verwijt.

Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 22 augustus 2025 door P.J. van Eekeren, voorzitter, J.A. Carpay en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.