ECLI:NL:TGZRAMS:2025:207 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7935
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:207 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-08-2025 |
| Datum publicatie: | 19-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7935 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klagers verwijten de gz-psycholoog dat zij de behandelingsovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd zonder duidelijke onderbouwing of nazorg, klager tijdens een behandelsessie onheus heeft bejegend, onvoldoende casusregie heeft gevoerd en dat ze onzorgvuldig heeft gecommuniceerd. Het college is van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat het gedrag van klager zodanig was dat dit voor de gz-psycholoog een gewichtige reden opleverde voor beëindiging van de behandelingsovereenkomst. Daarnaast is niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen voor beëindiging. Voor wat betreft de klacht over de casusregie oordeelt het dat de gz-psycholoog er onvoldoende voor heeft gezorgd dat helder was wie welke rol had en hoe deze werd ingevuld en dat na beëindiging van de behandelingsovereenkomst ook deze rol goed werd overgedragen. De klacht over bejegening is ongegrond. Klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Berisping. |
A2024/7935
Beslissing van 19 augustus 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 19 augustus 2025 op de klacht van:
A
en
B,
wonende in C,
hierna ook (respectievelijk) klaagster en klager, en gezamenlijk: klagers,
gemachtigde: mr. S. Kragt, werkzaam in Assen,
tegen
D,
gz-psycholoog,
werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de gz-psycholoog,
gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Vanaf mei 2024 waren klagers onder behandeling bij de praktijk van de gz-psycholoog
vanwege de opvoedbelasting binnen het gezin. De gz-psycholoog heeft op 10 oktober
2024 per direct de behandelingsovereenkomst eenzijdig beëindigd. Klagers vinden dat
zij dat niet op deze manier had mogen doen, dat ze onvoldoende casusregie heeft gevoerd
en dat ze onzorgvuldig heeft gecommuniceerd. De gz-psycholoog betwist dat zij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld, althans dusdanig verwijtbaar dat een maatregel gerechtvaardigd
zou zijn.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 december 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van de gz-psycholoog van 17 maart 2025, binnengekomen
op 18 maart 2025, met een bijlage;
- de brief van klagers van 1 april 2025, binnengekomen op 3 april 2025, met bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 15 april 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 8 juli 2025. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klagers heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klagers hebben drie kinderen die zorg ontvangen van verschillende hulpverleners,
waardoor de opvoedbelasting voor klagers hoog is. Hun middelste zoon is aangemeld
voor zorg bij F, hierna: F (de praktijk van de gz-psycholoog), maar stond niet open
voor hulp. Klagers hebben toen aanvullende hulp gezocht bij F. Op 13 mei 2024 werd
een behandelingsovereenkomst gesloten ten behoeve van de zoon. Na een kennismaking
werd besloten tot individuele gesprekken van de ouders met een orthopedagoog, een
collega van de gz-psycholoog (hierna: de orthopedagoog) en gezamenlijke gesprekken
(van klagers, zonder de kinderen) met de gz-psycholoog. Tussen de kennismaking in
mei 2024 en de beëindiging van de behandelingsovereenkomst op 10 oktober 2024 hebben
zowel individuele, als gezamenlijke gesprekken plaatsgevonden, waaronder evaluaties
en overleggen met meerdere betrokken hulpverlenende instanties. Zo was de gz-psycholoog
aanwezig bij het grote overleg met Basiszorgcoördinatie Kwetsbare Kinderen (hierna:
BKK), procesregisseurs die ervoor zorgdragen dat de hulpverlening binnen een gezin
goed op elkaar is afgestemd.
3.2 Op 22 mei 2024 vond de eerste gezamenlijke sessie plaats van klagers met de gz-psycholoog. In het dossier staat daarover het volgende (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven): “(…) Ouders geven aan dat de gemeente crisishulp heeft geregeld. Dit betekende een uithuisplaatsing voor de kinderen zonder dat zij hiervan wisten. Na 6 uur gesprek bleek de ernst niet groot genoeg te zijn en mochten de kinderen toch thuis blijven. Gemeente heeft excuses aangeboden. vader is woedend op de gemeente. Hij heeft geen vertrouwen in [medewerker praktijk] en wil een ander persoon. ouders willen gemeente aanklagen. Vader geeft aan dat hij bang is dat hij [medewerker praktijk] wat aandoet als hij hem ziet zo boos dat hij is. ook deed vader suïcidale uitspraken als: het hoeft van mij allemaal niet meer zo. vader vindt het moeilijk dat de kinderen niet luisteren en wil niet kijken naar andere mogelijkheden. (…)”
3.3 Een andere gezamenlijke sessie vond plaats op 11 juni 2024. Bij deze sessie waren beide klagers aanwezig, de gz-psycholoog en de orthopedagoog. In het dossier staat daarover onder meer: “vader geeft hulpverlener (G) te kunnen neer te schieten. D [RTG: de gz-psycholoog] vraagt vader of zij zich ook onveilig moet voelen, vader geeft aan van niet.” Er werd toen een risicotaxatie afgenomen voor volwassenen die een gevaar vormen voor de omgeving. De uitkomst van deze taxatie was negatief. De verbale agressie van klager werd bestempeld als een uiting van onmacht en zodoende werd afgesproken dat tijdens het individuele behandeltraject van klager met de orthopedagoog elementen van EMDR en schematherapie ingezet zouden worden.
3.4 Op 20 juni 2024 vond een jeugdbeschermingstafel plaats, naar aanleiding waarvan in het dossier werd opgetekend: “regiebehandelaarschap overgedragen van sociaal team naar F [de orthopedagoog] en [de orthopedagoog] vragen dit aan eigen regiebehandelaar.” In het dossier staat ook een email van die dag met als onderwerp “casusregie afstemming”, waarin onder meer staat: “Dag allen, Casusregie door F is mogelijk, maar gezien dit om een particulier traject gaat dat ouders bekostigen, is aan hun de keuze. (…) De casusregisseur is verantwoordelijk voor het opstellen en coördineren van het gezinsplan (1 gezin-1plan) met betrokkenen, en zorgt voor de coordinatie, begeleiding, volgen en toezien van het planmatig en doelgericht inzetten van (jeugd)hulp voor de jeugdigen en hun gezin/opvoeders. Taken die passen bij casusregie zijn bijvoorbeeld inplannen en agenderen groot overleg met alle hulpverleners, onderling afstemmen en de daarbij behorende administratieve taken. Ons uitgangspunt daarbij is wel: Bij casusregie is het gezin gemotiveerd om hulp te aanvaarden, maar zelf niet in staat om de regie te houden. Dus zodra er weer ruimte komt voor ouders om dit zelf op te pakken, kan dit weer teruggelegd worden bij ouders.”
3.5 Na een intern overleg tussen de gz-psycholoog en de orthopedagoog op 11 juli 2024 is onder meer het volgende in het dossier genoteerd: “Binnen F geen procesregie, wel casusregie, verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente.”
3.6 Over een individuele sessie van klager met de orthopedagoog op 17 september 2024 staat het volgende in het dossier: “B gaf aan veel boosheid te ervaren richting hulpverlening. H gaat niet door, de gemeente doet moeilijk over taxivervoer van [zoon] en [zoon] gaat mogelijk uit huis Zijn rode knoppen worden continue ingedrukt en B gaat door. gesproken over dat er gesignaleerd wordt dat zijn spanning erg hoog is en dat hij dingen moet doen om zijn spanning te laten zakken. contact gaan zoeken met vrienden. Vervolgens gestart met EMDR sessie op hulpverlening. (…) intense woede. is bang om deze woede te uiten richting hulpverlening. hij weet dat hij veel schade kan aanrichten wanneer hij dit doet. woede mocht hij richten op bokszak. twee intense klappen laten geven. vervolgens hem stopgezet. mogelijk zou hij anders schade aan zichzelf, kamer of hulpverlener toebrengen. Stopte direct. dmv ademhaling oefeningen gebracht tot rust. gaf zelf aan kalm, maar moe te zijn. zou gaan fietsen. aan het einde van de dag zouden we nog even contact hebben. (…)”
3.7 Na nog twee individuele sessies van klager, volgde op 10 oktober 2024 een sessie met beide klagers en de gz-psycholoog. In de loop van deze sessie heeft de gz-psycholoog de behandelingsovereenkomst per direct beëindigd. Deze beslissing heeft zij dezelfde avond per e-mail aan klagers bevestigd en de volgende ochtend per e-mail medegedeeld aan de overige betrokken hulpverleners. Over de sessie van 10 oktober 2024 staat het volgende in het dossier: “Beide ouders kunnen goed verwoorden wat zij lastig vinden in het contact met de ander en in de thuissituatie. (…) Er bij B meer boosheid bij komt kijken, als hij zich geraakt voelt ‘alsof alles aan mij ligt’. Boosheid uit hij in dreigingen waar A op aangeeft dat zij inmiddels weet dat het maar woorden zijn, maar in het verleden haar wel beangstigde. De volgende boodschap van D triggert B: zelf kalme ouder worden, waar je kinderen van kunnen leren hoe emotieregulatie werkt. Voelt als een aanval ‘het ligt weer aan mij’ en loopt weg. A blijft zitten. D legt uit dat de behandeling alleen vorm kan krijgen als iemand (de hulpvrager) zelf wil veranderen. Waarin B aangeeft dat hij zijn stijl zo goed vindt (want dan krijgt hij tenminste dingen voor elkaar). Geen grond voor behandeling verder, D geeft aan de behandeling te stoppen. Dit geldt eveneens voor [de orthopedagoog] die onder D werkt.”
4. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
4.1 Klagers verwijten de gz-psycholoog dat zij
a) eenzijdig de behandelingsovereenkomst heeft opgezegd zonder duidelijke onderbouwing
of nazorg en zonder overleg met de orthopedagoog;
b) klagers onheus heeft bejegend tijdens een behandelsessie;
c) de casusregie heeft geaccepteerd zonder dit ten uitvoer te brengen en deze na
beëindiging van de behandelingsovereenkomst niet heeft overgedragen en
d) individuele e-mails niet heeft beantwoord.
Twee andere in het klaagschrift omschreven klachtonderdelen zijn ter zitting door
klagers ingetrokken en blijven buiten behandeling.
4.2 De gz-psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) beëindiging behandelingsovereenkomst en d) het niet beantwoorden van individuele e-mails
5.2 Gebleken is dat klachtonderdeel d) ziet op het niet beantwoorden van individuele e-mails die gingen over de beëindiging van de behandelingsovereenkomst. Het college ziet daarin aanleiding om de klachtonderdelen a) en d) gelijktijdig te bespreken.
5.3 Klagers hebben toegelicht dat de beëindiging van de behandelingsovereenkomst tijdens de gezamenlijke sessie van 10 oktober 2024 voor klagers onverwacht kwam en dat het lang heeft geduurd voordat duidelijk werd dat deze beëindiging niet alleen zag op de gezamenlijke sessies van klagers met de gz-psycholoog, maar ook op de individuele sessies van zowel klager als klaagster met de orthopedagoog.
5.4 De gz-psycholoog voert aan dat klager tijdens de gesprekken in de praktijk zijn stem dusdanig verhief dat aanwezigen in naastgelegen behandelkamers daar last van hadden. Ter zitting heeft zij voorts toegelicht dat zij in maart 2024 samen met de orthopedagoog te maken heeft gehad met een agressie-incident (met een andere cliënt dan klagers). Na de sessie van 10 oktober 2024 heeft zij zich gerealiseerd dat dit eerdere incident nog steeds invloed had op haar functioneren en heeft zij hulp gezocht bij de verwerking hiervan. Toen klager tijdens de gezamenlijke sessie van 10 oktober 2024 boos werd, wegliep en zei dat hij ermee stopte, was dat voor de gz-psycholoog aanleiding was om de behandelingsrelatie per direct te beëindigen.
5.5 Het college betrekt bij haar beoordeling van deze beëindiging artikel 7:460 van het Burgerlijk Wetboek (BW – ook wel: Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst, WGBO), de Beroepscode van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) (hierna: de Beroepscode) van maart 2024 en de Wegwijzer Wet- en Regelgeving voor psychologen in de gezondheidszorg van het NIP van 1 maart 2023 (hierna: de Wegwijzer Wet- en Regelgeving).
5.6 Uit artikel 7:460 BW volgt dat de hulpverlener een behandelingsovereenkomst alleen kan opzeggen als daar een gewichtige reden voor is.
5.7 In de Beroepscode staat: “Artikel 38 Reden tot beëindiging van de professionele relatie
Psychologen zetten de professionele relatie niet voort als daar professioneel geen
grond meer voor bestaat of als dat niet langer op een professioneel verantwoorde manier
mogelijk is. Zij zorgen ervoor dat de professionele relatie in overleg met de cliënt
of het cliëntsysteem zorgvuldig wordt afgerond en dat daarover geen misverstanden
blijven bestaan.”
5.8 In de Wegwijzer Wet- en Regelgeving staat daarover:
“Mogelijke gewichtige redenen voor opzegging door de gz-psycholoog zijn:
1. (…)
2. Voortzetting van de behandeling is niet langer op een professioneel verantwoorde
manier mogelijk. Hierbij kan men denken aan verschillende situaties:
a. De cliënt wil niet meewerken aan de behandeling. Bij een weigering van een cliënt
om mee te werken aan de afgesproken behandeling wordt van een gz-psycholoog verwacht
dat hij het gedrag van een cliënt beoordeelt in het licht van de problematiek van
de cliënt. Ook wordt van een gz-psycholoog verwacht dat hij bij twijfel aan de motivatie
van een cliënt voor een behandeling, dit onderzoekt. Bij de beoordeling van de motivatie
dient hij rekening te houden met een mogelijke relatie tussen een gebrek aan motivatie
en de aard van de problematiek van de cliënt. Als dit verband er is, ligt het op de
weg van de gz-psycholoog na te gaan of en hoe de cliënt gemotiveerd kan worden voor
de behandeling. Met andere
woorden: de gz-psycholoog heeft een inspanningsplicht om tot een oplossing te komen.
Voordat een behandelingsovereenkomst wegens weigering van medewerking aan de behandeling
wordt opgezegd, moet de cliënt eerst gewaarschuwd zijn voor een beëindiging. Het moet
een cliënt in elk geval duidelijk zijn wat de gevolgen zijn van zijn weigering. De
opzegging mag niet als een verrassing komen. b. (…) c. Omstandigheden betreffende
de gz-psycholoog, de praktijk of de instelling. Bijvoorbeeld wanneer: ● De gz-psycholoog
door persoonlijke problemen, een gebrek aan expertise of psychische/lichamelijke gezondheidsproblemen
niet meer in staat is de behandeling zelf voort te zetten en (tijdelijke) waarneming
niet aan de orde is.
● Het gedrag van de cliënt (…) kan maken dat de veiligheid van de gz-psycholoog,
die van zijn medewerkers of die van zijn gezin in het geding is. Hierbij gaat het
doorgaans om agressie of (dreiging van) geweld of stalking. Als een gz-psycholoog
zich onveilig voelt door gedrag van de cliënt dat gerelateerd kan worden aan een psychische
stoornis, dan wordt van hem als zorgprofessional verwacht dat hij dit gedrag beziet
in het licht van de stoornis van zijn cliënt. Het is aan te bevelen om vooraf afspraken
te maken over het gedrag van de cliënt en de gevolgen van niet-naleving hiervan. De
gz-psycholoog kan op deze afspraken terugvallen. Bovendien is het hiermee voor de
cliënt duidelijk dat de behandelingsovereenkomst vanwege bepaald gedrag kan worden
opgezegd.
3. Er is sprake van een ernstig verstoorde relatie, waardoor er een onwerkbare situatie
is ontstaan.
In deze situatie rust er op de gz-psycholoog een inspanningsplicht om te komen tot
een werkbare relatie. Van hem mag worden verwacht dat hij rekening houdt met een mogelijk
verband tussen het gedrag van de cliënt en zijn stoornis of problematiek. Afspraken
vooraf over de medewerking of het gedrag van de cliënt kunnen de gz-psycholoog helpen
om de situatie werkbaar te houden. Ontstaat er desondanks een onwerkbare situatie,
dan kan over worden gegaan tot een eenzijdige beëindiging.
[…]
5.9 Het college is van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat het gedrag van klager op 10 oktober 2024 (of enig moment daaraan voorafgaand) zodanig was dat dit voor de gz- psycholoog een gewichtige reden opleverde voor beëindiging van de behandelingsovereenkomst als bedoeld in bovengenoemde wet- en regelgeving en toegelicht in de Wegwijzer Wet- en Regelgeving.
5.10 Daar komt bij dat, als al sprake zou zijn geweest van een gewichtige reden voor
beëindiging, niet is voldaan aan de zorgvuldigheidseisen die ter zake gelden. Het
college verwijst daarbij naar de volgende zorgvuldigheidseisen die genoemd worden
in de Wegwijzer Wet- en Regelgeving voor psychologen in de gezondheidszorg.
“Zorgvuldigheidseisen
Als de gz-psycholoog meent dat er sprake is van een ‘gewichtige reden', dan neemt
hij onderstaande zorgvuldigheidseisen in acht.
a. Inachtneming redelijke termijn voor opzegging
In diverse tuchtrechtelijke uitspraken komt tot uitdrukking dat een gz-psycholoog
een redelijke termijn in acht moet nemen voor het beëindigen van de behandelingsovereenkomst.
Belangrijk hierbij is dat de opzegging voor een cliënt niet als een verrassing mag
komen.
b. Afspraken over zorgvuldige afronding/overdracht zorg
Uit de tuchtrechtspraak blijkt dat het meedelen van een beslissing per mail/brief
in de meeste gevallen niet zorgvuldig wordt geacht. Op grond van de Beroepscode NIP
(2015) mag worden verwacht dat de gz-psycholoog de beslissing motiveert en uitlegt
wat dit betekent. Daarnaast dient hij, net als in andere situaties van beëindiging
van de behandelingsovereenkomst met de cliënt, stil te staan bij de afronding van
de behandeling, duidelijkheid te geven over het moment waarop de behandelingsovereenkomst
eindigt en welke zorg daarna nodig is. Ook dient de gz-psycholoog in geval van een
behoefte van de cliënt aan voortzetting van de behandeling door een ander, aan te
bieden om voor een adequate verwijzing te zorgen. De gz-psycholoog legt het gesprek
met de cliënt vast in het dossier. Het verdient aanbeveling om zowel de opzegging
met onderbouwing als de informatie over het vervolg schriftelijk te bevestigen aan
de cliënt. In veel gevallen is de in overleg met de cliënt opgestelde afsluitbrief
aan de huisarts (en als deze niet de verwijzer is, ook aan de verwijzer) voldoende.
c. (Terug)verwijzing
De gz-psycholoog verwijst de cliënt (terug) naar de huisarts of de verwijzer. Zo
nodig overlegt hij met de huisarts of de verwijzer. Voor het overleg en de terugverwijzing
is expliciete toestemming van de cliënt vereist. De gz-psycholoog heeft een inspanningsplicht
met betrekking tot de terugverwijzing. Voor zover de gz-psycholoog niet zelf kan verwijzen,
geeft hij — als de cliënt daarmee instemt — een advies voor een verwijzing aan de
huisarts. (…)".
5.11 Zoals genoemd bij randnummer 5.10 heeft de gz-psycholoog niet voldaan aan deze zorgvuldigheidseisen. Zij heeft bijvoorbeeld ter zitting weliswaar verklaard dat zij bij het begin van de behandeling heeft verteld over het eerder meegemaakte agressie-incident (waarbij klagers, zoals gezegd, niet betrokken waren) en dat zij aan klager heeft gevraagd of zij en de orthopedagoog veilig waren nadat hij dreigende taal uitte over andere betrokken hulpverleners. Maar zij heeft klagers er (zowel bij het begin als later) niet op gewezen dat klagers stemverheffing, boosheid of dreigende uitspraken over andere hulpverleners reden konden zijn voor beëindiging van de behandelingsovereenkomst. Zij heeft door op 10 oktober 2024 ter plekke, zonder overleg te besluiten tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst geen redelijke termijn in acht genomen en klagers verrast met haar besluit. Toen klager op 10 oktober 2024 zei dat hij “ermee stopte”, heeft de gz-psycholoog niet uitgevraagd wat hij hier precies mee bedoelde. Ook heeft zij haar eigen besluit om te stoppen met de behandeling onvoldoende toegelicht. Zo was het te lang onduidelijk dat het beëindigingsbesluit niet alleen de gezamenlijke sessies met de gz-psycholoog betrof, maar ook de individuele sessies van klager en klaagster met de orthopedagoog. Deze verwarring werd mede veroorzaakt doordat de gz-psycholoog soms één van beide klagers mailde, terwijl het bericht beide klagers betrof, zonder dat dit voldoende duidelijk was (klachtonderdeel d). Daarnaast zijn onvoldoende afspraken gemaakt over de afronding en overdracht van de zorg. Gezien het complexe systeem van zorg rond het kwetsbare gezin van klagers kon de gz-psycholoog niet volstaan met het enkel adviseren om via de huisarts contact op te nemen met een andere zorgverlener.
5.12 De gz-psycholoog heeft de behandelingsovereenkomst dus zonder gewichtige reden op onzorgvuldige wijze beëindigd. Dit leidt tot de conclusie dat de klachtonderdelen a) en d) gegrond zijn.
Klachtonderdeel b) onheuse bejegening tijdens behandelsessie
5.13 Klagers stellen dat de gz-psycholoog ze onheus heeft bejegend tijdens een behandelsessie,
door onder meer te zeggen dat zij niet door wilde met klagers omdat zij “alleen maar
leuke mensen wil behandelen”. De gz-psycholoog betwist dat zij dit zo gezegd heeft.
Zij voert aan dat zij heeft gezegd dat ze blij is met haar eigen praktijk omdat ze
daar alleen maar leuke mensen behandelt, en dat zij daarmee een compliment gaf aan
klagers.
5.14 Het college stelt vast dat klagers en de gz-psycholoog tegenstrijdig verklaren
over wat precies gezegd is en hoe dat klonk. Het verwijt van klagers laat zich achteraf
moeilijk op zijn juistheid beoordelen. Het gaat dan om de toon, de context waarin
woorden of uitlatingen worden gebruikt, en mogelijke misverstanden tussen klagers
en de gz-psycholoog. Nu alleen klagers en de gz-psycholoog aan het gesprek hebben
deelgenomen, is niet vast te stellen
hoe het gesprek precies is verlopen. Dat brengt mee dat op dit punt niet kan worden
vastgesteld of de gz-psycholoog klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust
niet op het uitgangspunt dat het woord van klagers minder geloof verdient dan dat
van de gz-psycholoog, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde
verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke
feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus,
ook als aan het woord van klagers en van de gz-psycholoog evenveel geloof wordt gehecht,
hier niet vaststellen. Klachtonderdeel b) is daardoor ongegrond.
Klachtonderdeel c) niet ten uitvoer brengen en overdragen casusregie
5.15 Klagers verwijten de gz-psycholoog ten slotte dat zij de casusregie had, maar dat zij daar geen uitvoer aan heeft gegeven én niet heeft overgedragen na beëindiging van de behandelingsovereenkomst.
5.16 De gz-psycholoog voert aan dat zij de regie voert over de behandeling van cliënten binnen haar praktijk, maar dat de verantwoordelijkheid voor de overige hulpverlening aan het gezin van klagers buiten haar directe casusregie valt. Volgens de gz-psycholoog is tijdens het BKK-overleg van juli 2024 besproken dat de orthopedagoog met jeugdhulpverlener I de casusregie zouden oppakken. Na een overleg in augustus 2024 heeft de jeugdhulpverlener laten weten dat zij minder beschikbaar kon zijn voor de casusregie. Klagers hebben toen de voorkeur uitgesproken voor de orthopedagoog/F voor deze rol, aldus de gz-psycholoog. Zij was echter niet aanwezig bij dat overleg en concrete afspraken over wie de casusregie zou oppakken zijn volgens de gz-psycholoog niet gemaakt en niet vastgelegd in de verslaglegging.
5.17 Het college stelt vast dat ‘casusregie’ geen vastomlijnd begrip is en ook bij partijen onduidelijkheid bestaat over wat daar precies onder wordt verstaan. Wel blijkt uit het dossier dat de regie bij F lag, de praktijk van de gz-psycholoog. De gz-psycholoog heeft verklaard dat de orthopedagoog onder haar verantwoordelijkheid en supervisie werkte. Hieruit volgt dat, ook als de orthopedagoog namens F heeft gecommuniceerd dat de casusregie bij F lag, het de verantwoordelijkheid van de gz-psycholoog was om de orthopedagoog op dit punt goed te instrueren. De gz-psycholoog had er dus voor moeten zorgen dat in het contact met BKK helder was wie welke rol had, hoe deze rol werd ingevuld en dat na beëindiging van de behandelingsovereenkomst ook deze rol goed werd overgedragen. Dat heeft de gz-psycholoog onvoldoende gedaan. Klachtonderdeel c) is dus gegrond.
Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a), c) en d) gegrond
zijn en klachtonderdeel b) ongegrond.
Maatregel
5.19 Het college is van oordeel niet kan worden volstaan met een waarschuwing. Een
waarschuwing wordt opgelegd als zakelijke terechtwijzing bij situaties die iedere
beroepsgenoot kunnen overkomen. In dit geval is sprake van ernstige misslagen ten
aanzien van een kwetsbaar gezin en acht het college minstens een berisping op zijn
plaats. Gelet op de proceshouding van de gz-psycholoog en het inzicht dat zij heeft
getoond in verbeterpunten op procesniveau, is het college van oordeel dat volstaan
kan worden met een berisping.
Publicatie
5.20 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere psychologen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren.
De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdelen a), c) en d) gegrond;
- legt de gz-psycholoog de maatregel op van berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift De Psycholoog.
Deze beslissing is gegeven door A.M.J.G. van Amsterdam, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist,
A.T. Prinsen-Reinders, A. van Dijke en L.P.T. Raijmakers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door S. Verdaasdonk, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2025.