ECLI:NL:TGZRAMS:2025:205 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7912
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2025:205 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-08-2025 |
| Datum publicatie: | 19-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7912 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog, klinisch psycholoog. Klaagster is voor een therapeutisch psychologisch onderzoek (TPO) door de klinisch psycholoog onderzocht. De klinisch psycholoog concludeerde in 2024 tot een persoonlijkheidsstoornis en adviseerde een kortdurende klinische psychotherapeutische behandeling. Later werd de diagnose bijgesteld tot Persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken. Op verzoek van klaagster heeft de klinisch psycholoog haar doorverwezen naar een deeltijdbehandeling voor depressie. De depressiepolikliniek heeft ervan afgezien klaagster op te roepen voor een intake. Zakelijk weergegeven verwijt klaagster de klinisch psycholoog de eerste diagnose te hebben bijgesteld en een onjuiste verwijzing naar de depressiekliniek te hebben ingezet. De klinisch psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college komt tot oordeel dat de klinisch psycholoog alles overziend zorgvuldig heeft gehandeld. Hij heeft elke stap afgewogen, gedocumenteerd en met klaagster besproken en afgestemd. Daarbij heeft hij ook bij oplopende spanningen bij klaagster en in de onderlinge verhouding zijn verantwoordelijkheid serieus genomen en zorggedragen voor een overdracht en een nieuwe verwijzing. Kennelijk ongegronde klacht. |
A2024/7912
Beslissing van 19 augustus 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 19 augustus 2025 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
gz-psycholoog, klinisch psycholoog
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de klinisch psycholoog,
gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder, werkzaam te Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster is in 2024 voor een therapeutisch psychologisch onderzoek (TPO) door
de klinisch psycholoog onderzocht. De klinisch psycholoog concludeerde in juni 2024
tot een persoonlijkheidsstoornis en adviseerde een kortdurende klinische psychotherapeutische
behandeling (KKP). Na een oriëntatie dag op de KKP heeft de klinisch psycholoog zijn
diagnose bijgesteld tot Persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken (BPS). Op
verzoek van klaagster heeft de klinisch psycholoog haar vervolgens naar een deeltijdbehandeling
voor depressie in het E verwezen. De depressiepoli van het E heeft ervan afgezien
klaagster op te roepen voor een intake. Klaagster verwijt de klinisch psycholoog de
eerste diagnose te hebben bijgesteld en dat hij haar onjuist heeft doorverwezen naar
het E.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 12 december 2024;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de email van klaagster met nadere informatie;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 15 april 2025;
- de email van klaagster van 21 april 2025.
-
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster meldde zich op 22 december 2023 bij F voor een TPO en een behandeling.
Zij was verwezen door G naar aanleiding van een behandeling waarin de diagnose BPS
was gesteld. Klaagster kon zich niet in deze diagnose vinden.
3.2 Op 15 april 2024 nam de klinisch psycholoog contact op met klaagster en informeerde haar dat F alleen behandeling biedt als sprake is van een persoonlijkheidsstoornis.
3.3 Na het invullen van een vragenlijst besprak de klinisch psycholoog op 3 mei 2024 met klaagster dat zij deze niet valide had ingevuld, waarna zij de vragenlijst opnieuw invulde.
3.4 Op 6 mei 2024 had klaagster contact met de crisisdienst in verband met ernstige suïcidaliteit.
3.5 Op 7 juni 2024 heeft de klinisch psycholoog de diagnose persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk cluster C georiënteerde trekken gesteld. Gezien de behandelgeschiedenis van klaagster vond hij een KKP geïndiceerd. Klaagster was het hiermee eens.
3.6 Klaagster werd aangemeld voor een oriëntatie dag op de KKP van F. De klinisch psycholoog sprak een beoordelaar van de KKP af het exclusiecriterium suïcidaliteit niet in acht te nemen en te bezien of KKP voor klaagster haalbaar was.
3.7 In de aanloop naar de oriëntatie dag raakte klaagster tweemaal suïcidaal ontregeld waarvoor zij ondersteuning kreeg vanuit F. In de week voor de oriëntatie dag was de suïcidaliteit sterk afgenomen. Op de oriëntatie dag van 28 augustus 2024 bleek dat de KKP en de wensen van klaagster niet op elkaar aansloten. Na de oriëntatie dag was bij klaagster sprake van een sterke emotionele ontregeling. Dit leidde bij de klinisch psycholoog tot een heroverweging van de conclusies van het TPO.
3.8 Op 17 september 2024 besprak de psycholoog met klaagster dat hij emotieregulatie-problematiek vermoedde en op basis van voortschrijdend inzicht tot de diagnose BPS was gekomen. Klaagster onderschreef de emotieregulatie-problematiek en herkende vier van de vijf benodigde kenmerken van BPS.
3.9 Op 27 september 2024 besprak klaagster met de klinisch psycholoog dat zij zich onveilig had gevoeld bij de laatste diagnose.
3.10 Op verzoek van klaagster heeft de kinisch psycholoog op 30 september 2024 klaagster
op basis van de diagnose van 7 juni 2024 verwezen naar de deeltijdbehandeling Depressie
van het E. Klaagster was daar al eerder behandeld.
3.11 Op 1 oktober 2024 gaf klaagster aan met hoge spanningsklachten en suïcidaliteit te kampen. Op verzoek van klaagster verwees de klinisch psycholoog klaagster naar de acute deeltijdbehandeling van G. Daarbij heeft de psycholoog het regiebehandelaarschap voor deze behandeling op zich genomen.
3.12 Tijdens de intakegesprekken met de behandelend psychiater gaf klaagster aan dat zij haar uitgebreide behandelgeschiedenis, met uitzondering van een behandeling op haar 14de, niet had genoemd tijdens het TPO.
3.13 Op 17 oktober 2024 berichtte klaagster de klinisch psycholoog dat zij bezorgd was over de verwijsbrief naar het E en het niet eens was met de Borderline kenmerken/persoonlijkheidsstoornis kenmerken. De klinisch psycholoog heeft haar meegedeeld dat hij geen andere informatie dan de samenvattende TPO van 7 juni 2024 had verstrekt.
3.14 Op 31 oktober 2024 heeft klaagster een klacht bij F ingediend. Zij verweet de klinisch psycholoog dat hij de diagnose BPS had gesteld.
3.15 Op 8 november 2024 sprak de klinisch psycholoog telefonisch met een psychiater van het E. Die vertelde dat tijdens een eerdere behandeling de diagnose BPS al was gesteld bij klaagster en dat zij geen baat bij de behandeling op de depressiepoli had gehad. Ook was zij ontevreden over de behandeling. Besproken werd dat stemmingsklachten voorliggend waren hetgeen de behandeling van persoonlijkheidsproblematiek bemoeilijkte. Afgesproken werd klaagster bij de depressiepoli van het E op te roepen voor een intake.
3.16 Op 13 november 2024 verzocht klaagster de klinisch psycholoog per email om aanwezig te zijn bij de eindevaluatie van de acute deeltijdbehandeling en gaf aan bereid te zijn de klacht in te trekken. Op 14 november 2024 berichtte de klinisch psycholoog dat hij aanwezig zou zijn en heeft hij haar verslag gedaan van het overleg en de afspraak met de psychiater van het E. Op 28 november 2024 vond de eindevaluatie plaats, waarbij op verzoek van de klinisch psycholoog ook de zorgmanager aanwezig was in verband met dreigingen van klaagster om een tuchtklacht in te dienen. Tijdens het gesprek werd nogmaals gesproken over de Borderline persoonlijkheidskenmerken bij klaagster en over de onvrede bij klaagster. Dit leidde niet tot een oplossing. De klinisch psycholoog heeft een afsluitend verslag gemaakt maar dit niet naar klaagster en de huisarts gestuurd omdat klaagster het niet eens was met de diagnostische overwegingen.
3.17 Op verzoek van klaagster heeft de klinisch psycholoog contact opgenomen met de poli depressie van het E. In het gesprek op 28 januari 2025 met een psychiater vertelde deze dat het E had afgezien van een oproep voor een intake. De klinisch psycholoog heeft klaagster per email geadviseerd contact op te nemen met haar huisarts en haar verzocht om toestemming om een verslag aan haar huisarts te sturen. Klaagster ging daarmee niet akkoord en verweet hem dat het E haar niet in behandeling had genomen.
4. De klacht en de reactie van de psycholoog
4.1 Klaagster verwijt de klinisch psycholoog dat hij:
a) Haar heeft doorverwezen voor een klinische opname bij F te H, wetende dat zij
vanwege haar suïcidaliteit niet in aanmerking voor behandeling daar zou komen;
b) De gestelde diagnose cluster C persoonlijkheidsproblematiek vervolgens heeft
aangepast naar een persoonlijkheidsstoornis met Borderline kenmerken en deze wijziging
niet wilde toelichten;
c) In de verwijzing naar de depressie poli van het E de diagnose persoonlijkheidsstoornis
heeft genoemd als gevolg waarvan zij niet werd opgeroepen voor een intakegesprek bij
het E.
4.2 De klinisch psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de klinisch psycholoog de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psycholoog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de klinisch psycholoog geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders
had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder
geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn
voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de klinisch psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a) doorverwijzing naar F te H
5.3 De klinisch psycholoog voert aan dat klaagster bekend en akkoord was met de inhoud van de verwijzing. Deze was gebaseerd op de diagnose persoonlijkheidsstoornis Cluster C. Over de suïcidaliteit hebben zij gesproken en op het moment van verwijzing waren suïcidegedachten afwezig. Omdat suïcidaliteit een contra-indicatie is voor behandeling op F heeft de psycholoog F om een uitzondering verzocht en gevraagd of deze in de beoordeling tijdens de oriëntatie dag meegenomen konden worden. De klinisch psycholoog wijst erop dat klaagster heeft verzocht om een klinische behandeling en na de oriëntatie dag zelf heeft besloten dat de behandeling van F niet aansloot bij haar wensen.
5.4 Het college is van oordeel dat de klinisch psycholoog op basis van de informatie
die klaagster aan hem had verstrekt de diagnose cluster C persoonlijkheidsproblematiek
kon stellen en op basis daarvan de verwijzing naar F kon doen. Hij was op de hoogte
van de suïcidale gedachten van klaagster en heeft deze benoemd bij de verwijzing,
waarmee klaagster akkoord was. Klaagster was ervan op de hoogte dat suïcidaliteit
een contra-indicatie was. De klinisch psycholoog meende op basis van de hem bekende
informatie dat suïcidegedachten op dat moment niet aanwezig waren bij klaagster en
heeft bij F verzocht om een uitzondering te maken bij de beoordeling tijdens de oriëntatie
dag. De klinisch psycholoog heeft daarmee naar het oordeel zorgvuldig, want op basis
van hem bekende informatie, en in het belang en naar de wens van klaagster gehandeld.
Dat een klinische behandeling bij F niet geschikt bevonden werd voor klaagster was
overigens niet (alleen) ingegeven door de suïcidaliteitsgeschiedenis van klaagster.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) aanpassing van de diagnose
5.5 De klinisch psycholoog voert aan dat hij met het TPO niet beschikte over relevante
informatie, onder meer, over eerdere behandelingen. Klaagster had hem niet volledig
ingelicht. Later ontvangen informatie van de crisisdienst waar klaagster met suïcidale
gedachten bekend was en, voor een klein deel de informatie uit de oriëntatie dag bij
F, hebben de klinisch psycholoog ertoe gebracht zijn diagnose te herzien. Hij wist
dat de herziene diagnose BPS moeilijk was voor klaagster. Op 17 september heeft hij
de herziene diagnose met klaagster besproken en klaagster kon zich erin vinden. Voor
extra onderzoek zag hij geen reden.
5.6 Het college is van oordeel dat de klinisch psycholoog zorgvuldig heeft gehandeld door de diagnose te herzien naar aanleiding van de nadere informatie. De klinisch psycholoog zag in deze informatie drie extra kenmerken van BPS. Dat klaagster moeite had met deze diagnose was hem bekend maar dat betekent uiteraard niet dat de diagnose dan niet gesteld moet worden. De klinisch psycholoog heeft vervolgens zorgvuldig gehandeld door op 17 september 2024 deze gewijzigde diagnose met klaagster te bespreken en toe te lichten hoe hij tot deze wijziging is gekomen. Klaagster onderschreef tijdens het gesprek de emotieregulatie-problematiek en herkende de kenmerken van BPS. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel c) de diagnose in de verwijzing naar het E
5.7 De klinisch psycholoog valt naar het oordeel van het college geen verwijt te
maken van de beslissing die het E maakte naar aanleiding van de verwijzing. De klinisch
psycholoog heeft een schriftelijke verwijzing gestuurd, waarin hij voorliggende depressieve
klachten van klaagster vermeldde en een DSM-5-classificatie, waarin alleen persoonlijkheidsproblematiek
wordt vermeld. Ook heeft hij overleg gehad met een psychiater. Tijdens dit overleg
werd afgesproken dat het E klaagster zou oproepen voor een intake. Hoewel de schriftelijke
verwijzing duidelijker had kunnen zijn, is het de klinisch psycholoog niet aan te
rekenen dat klaagster toch niet werd opgeroepen voor een intake en ook niet voor het
feit dat het E dit niet aan klaagster of de klinisch psycholoog heeft laten weten.
Pas nadat de klinisch
psycholoog naar de stand van zaken vroeg werd bekend dat klaagster niet zou worden
opgeroepen.
De klinisch psycholoog heeft daarna zijn best gedaan voor een andere verwijzing
van klaagster naar een adequate vervolgbehandeling en voor een zorgvuldige overdracht
naar de huisarts. Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.
5.8 Alles overziend heeft de klinisch psycholoog zorgvuldig gehandeld. Hij heeft elke stap afgewogen, gedocumenteerd en met klaagster besproken en afgestemd. Daarbij heeft hij ook bij oplopende spanningen bij klaagster en in de onderlinge verhouding zijn verantwoordelijkheid serieus genomen en zorggedragen voor een overdracht en een nieuwe verwijzing.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 19 augustus 2025 door A.M.J.G. van Amsterdam, voorzitter,
A.T. Prinsen-Reinders en A. van Dijke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk,
secretaris.